Hoofdstuk 1



Stresssyndroom


De rechterkant van haar hoofd gloeide. Een hard voorwerp had haar gemeen geraakt. Ter hoogte van haar slaap zou snel een bult of een blauwe plek verschijnen. Ze neuriede zacht, hopend dat ze het bonkende gevoel van de zwelling mee zou mogen maken. Het horen van haar eigen stem werkte kalmerend als ze niet lekker in haar vel zat. Ze paste het toe, ook al wist ze dat het lied niet passend was bij dit moment. Het hoorde meer bij een veilige omgeving, bij thuis, waar ze dan met sportsokken dansend en zingend over de gladde vloer zou glijden.
Ze schrok door een plotselinge aanraking en haar nekharen sprongen overeind. Van angst schokten haar stembanden. Ze stopte met neuriën toen de onbekende man haar voorhoofd zacht begon te strelen. Vreemde lange vingertoppen streken voorzichtig door de onderkant van haar gekamde haren, en gleden langs de huid van haar oren en nek, door naar beneden. Juist haar oren konden zo gevoelig zijn, als ze gestreeld werden door een geliefde. Maar die liefkozingen, waaraan ze zoveel mooie herinneringen had, lagen nu ver in het verleden. Ze waren in een enkele aanraking verdwenen als sneeuw voor de zon.

De man ademende krachtig in door zijn neus.
Ze hoefde hem niet te zien om te weten dat hij zoveel zuurstof naar binnen zoog dat zijn neusvleugels zijn neusgaten afsloten.
Er klonk een verlekkerd gekreun.
Kippenvel van walging verscheen op haar armen, gevolgd door rillingen die golvend door haar lijf trokken. Ze voelde zich vies, gebruikt maar ze kon zich er in deze positie niet tegen verweren. Gillen had geen zin. Het geluid dat ze door haar afgeplakte mond produceerde was slechts een gedempt, paniekerig gepiep. Huilen moest ze voorkomen. De zoute tranen zorgden ervoor dat haar keel opzwol. Toch stroomden de tranen alsnog over haar wangen, terwijl ze half stikkend haar angst onder controle probeerde te krijgen. Een onmogelijke taak. Nee, gillen was geen optie meer. Neuriën was de enige manier om zichzelf gerust te stellen en het enige nummer wat in haar gedachten opkwam was: You Was Born to Die. Keer op keer hetzelfde refrein met dezelfde catastrofale tekst. Zo mooi als ze het nummer had gevonden, zo haatte ze het nu.
‘Zo vreselijk mooi,’ giechelde de man.
Het was het meest beangstigende lachje dat ze ooit had gehoord. Een lachje als geen ander. Uniek, gruwelijk en misselijkmakend. Een lach die in een andere setting amusant zou zijn. ‘Ik denk dat ik dit keer geluk heb. Nee, ik weet het zeker! Dit keer heb ik geluk. Eindelijk! Wat fijn!’ Het strelen ging door. Hij zou doorgaan, totdat alle haren door hem waren beroerd.
Gal kwam omhoog. Haar lijf protesteerde en wilde als reactie alle stress en walging uitbraken. Niet overgeven, dacht ze, dat overleef je niet!
‘Het is tijd. We kunnen niet langer wachten.’ De man stond op. ‘Het is perfect.’
Het strelen hield op en het licht werd uitgedaan.
Haar maag kwam tot rust.
Achter haar klonk een deur die werd geopend en gesloten. Het geluid van het piepen van de scharnieren en het dichtvallen van zwaar hout in het kozijn had ze vaker gehoord. Het was weer donker in de klamme ruimte. Ze luisterde aandachtig. Het gestommel ging over in een allesoverheersende stilte. Ze was weer alleen. Haar laatste poging om los te komen was aangebroken. Ze trok, duwde en draaide totdat ze snikkend van wanhoop opgaf. Het waren stuk voor stuk kansloze pogingen. Hoorde ze daar wat? Het gekraak van de houten vloer kwam weer binnen het bereik van haar gehoor.
Het gebonk van de voetstappen werd luider en kwam dichterbij.
Ze hield haar adem in, terwijl de zware deur piepend openging en het licht weer werd aangedaan. In de korte tijd dat de ontvoerder weg was geweest, was ze alweer gewend geraakt aan het veilige donker. Vlug vormde ze haar ogen tot spleetjes. Ze kon nog net zien dat de smoezelige handdoek over haar gezicht werd getrokken en daarna zag ze niets meer. De stof van de handdoek was ruw en schuurde langs haar huid, en toch voelde hij klammig en warm.
Nog een mooie herinnering, de laatste. Die van haar schoonheidsspecialiste die haar gezicht warm inpakte zodat de stoom haar poriën kon openen.
Het was voorbij. Ze wist wat er komen ging en sloot haar ogen. Haar geduld werd niet op de proef gesteld. Ze hoefde niet lang te wachten. Langzaam werd er iets over haar hals getrokken. De laatste ademteug die ze nam was kort. De rest werd met geweld weggedrukt. De laatste woorden van haar favoriete lied: You Was Born to Die.


Hoofdstuk 2





Op de stoep voor de voordeur stond een kleine, zwarte vrachtwagen. Esther had het gepruttel van de diesel al van verre horen aankomen. Toen het schelle geluid van haar deurbel te lang aanhield en het met nerveus geklepper van de brievenbus werd voortgezet, besefte ze pas dat het vervoermiddel voor haar en Merel was bedoeld.
‘Joehoe, uw chauffeur staat aan de deur madam.’
Esther draaide met haar ogen, voordat ze de deur opendeed en Merels olijke gezicht zag. ‘Ja?’ begon ze droog. Het was te vroeg voor deze herrie.   
Merels enthousiasme werkte aanstekelijk toen ze voor de deuropening een deftige buiging maakte in de richting van het voertuig en vervolgens weghuppelde als een vijfjarige met een ijsje. ‘Kom mee op avontuur! Ben je er klaar voor?’ vroeg Merel grijnzend en met sprankelende ogen. ‘Besef wel, dat als je instapt, je de komende vier dagen compleet bent overgeleverd aan een rollercoaster aan belevenissen en onbekende bestemmingen.’
‘Ja, ja, ik weet het. De enige tegenvaller die er nog kan zijn, is dat er geen thermoskan koffie ligt in dat rijdende, ronkende woonhuis.’ In gedachten telde Esther het aantal koppen dat ze in de ochtend al gedronken had. ‘Koffie is nog altijd de motor van de dag.’
Merel trok de deur open, bukte zich voorover en pakte iets van de mat aan de bestuurderskant. Triomfantelijk stak ze een metalen koffiekan de lucht in.
‘Esther,’ Merel sprak haar naam uit zoals alleen zij dat kon doen, ‘poept een beer in het bos?’
‘Ja, ja. Laat maar. Ik weet het antwoord al.’ Esther gooide haar tas in de cabine van de zwarte vrachtwagen en stapte in. Het uitzicht over de straat was een stuk beter dan wat ze normaliter zag vanuit haar eigen lage koekblik. Het voelde alsof ze op vakantie ging en dat gevoel was fijn. Ze had rust nodig en wilde dit weekend niet bereikbaar zijn voor vrienden, collega’s en zeker niet voor familie. Esther liet een vermoeide zucht door haar lippen ontsnappen en keek naar Merel die achter het stuur plaatsnam. Het was een vreemd gezicht om haar kleine vriendin achter het stuur te zien zitten van zo’n groot gevaarte. ‘Fijn dat ik mee mag, Merel,’ zei ze dankbaar.
‘Het enige wat ik kan zeggen is dat ik weet hoe je je voelt, en bovendien hadden we dit honderd jaar geleden al afgesproken.’ Merel maakte met haar hand een gebaar naar achteren om het verre verleden uit te beelden. ‘Voordat dit allemaal begon te spelen. Het enige wat ik kan zeggen is,’ ze haalde haar schouders op, ‘geniet er gewoon van. Je hoeft niks, je moet niks. We gaan er een toffe tijd van maken. Ik heb er een goed gevoel over.’ Merel draaide de sleutel die nog in het contact zat een klein stukje om, liet de dieselmotor voorgloeien totdat het lampje van de motor op het dashboard uitging en startte de vrachtwagen. Ze glimlachte naar het stuur. ‘We gaan als eerste naar Louis. Louis woont alleen in zijn idyllische boerderijtje net over de grens in het mooie België.’ Merel keek naar Esther en sprak de woorden uit alsof ze een sprookje begon te vertellen. ‘Kent u dat land? Het land van de Bourgondiërs en uiterst vriendelijke mensen met een hele zachte “G”.’
Louis is alleen, dacht Esther. Ze liet haar gedachten afdwalen. Een gevoel van eenzaamheid overviel haar. De laatste tijd voelde ze zichzelf ook vaak alleen. Als ze de eenzaamheid in woorden zou moeten vatten, dan zou ze haar omschrijven als de maan. Alleen zwevend in het donkere heelal met af en toe een verhelderend moment door de stralen van de zon of een paar twinkelende sterren. Ze schudde haar hoofd kort heen en weer en negeerde de dramatische inhoud. Bah, dacht ze, lekker begin zo.
Vandaag voelde Esther zich goed, maar tegelijkertijd vond ze het ook spannend om niet te weten waar ze heen ging. Ze had geen invloed op wat Merel had verzonnen voor het weekend. Ondanks alle spanning die ze in haar lijf voelde, had ze besloten om de veiligheid van haar thuisomgeving los te laten en dit weekend met Merel mee te gaan. Ze moest uit haar besloten kleine wereld, waar ze zich al wekenlang vermoeid in voortbewoog.
Gewoonlijk waren haar dagelijkse bezigheden gestructureerd. Iedere ochtend volgde Esther hetzelfde ritueel. Na een onderbroken nacht wakker om half zeven. Eenmaal wakker stapte ze nog moe uit bed om zonder ontbijt een stuk te gaan hardlopen. Meestal jogde ze een kilometer of zeven. Het maakte haar geest en lijf goed wakker en belangrijker nog, het dwong haar om naar buiten te gaan. De dag begon pas echt, nadat de voordeur achter haar dichtsloeg, met de eerste hap buitenlucht en de eerste stappen buiten de deur. Dat waren ook meteen de moeilijkste stappen, waarbij ze een moment pakte om haar ademhaling, en de stress die telkens in haar lijf opkwam als acute griep, onder controle te krijgen. Ze dwong zichzelf iedere ochtend dit ritueel te doen. Als ze dat oversloeg dan bleef ze binnen. Het liefst zou Esther de hele dag thuisblijven, verborgen achter de gesloten gordijnen, gedrenkt in zelfmedelijden en angst. De terugkerende angst.

Een rilling kroop vanaf haar stuitbeen langs haar rug omhoog, ondanks dat de verwarming van de vrachtwagen op standje sambal stond. Esthers verwarde brein teisterde haar al weken door continu alarmsignalen naar haar lijf en geest te sturen, ze had het gevoel dat er altijd gevaar op de loer lag. Gevaar dat haar kon grijpen op een onverwacht moment als ze even niet oplette. Een straatrover, psychopaat of een zedendelinquent. Èn dan was er ook nog de onmacht die Esther voelde en haar eigen rol daarin. Het gevoel dat ze nergens invloed op had en dat de wereld niets dan ellende voortbracht. Dat de mens in- en inslecht was en dat zijzelf eerdaags met de hele berg stront geconfronteerd zou gaan worden. Ze kon het soms wel uitschreeuwen van ellende. Waar was dit allemaal begonnen? Ze was nog geen fractie van de persoon die ze vijftien jaar geleden was toen ze met het politiewerk begon. Een lege patroon waaruit in haar dienstjaren al het kruit was verschoten. Slechts een goudkleurige wegwerphuls bleef over. De vraag was vooral waar ze zou eindigen: in de kliko of werd ze gerecycled?
Merel onderbrak haar gedachten. ‘Waar denk je aan? Praat met me.’
‘Ik vind het spannend,’ antwoordde Esther voorzichtig.
‘Je bent bij mij. Het komt goed. Echt. Ik laat je niets overkomen. Je kan niet de rest van je leven thuis zitten sikkeneuren en een kluizenaar worden. Dat is toch geen leven, Esther?’ Merel kuchte even. ‘Je leeft NU! Het leven is zo kort en deze vervelende periode is echt niet voor eeuwig. De meeste mensen gaan door een dal in hun leven. Sommigen meerdere malen. Het is vreselijk klote, maar volkomen normaal.’
Esther had zuurstof nodig. Met de hendel draaide ze het raam van het portier een stuk naar beneden. Dankbaar zoog ze de verse lucht diep haar longen in. De frisse wind van de ochtend deed haar meteen goed. ‘Ik weet het ook wel.’
Een aangeboren kracht die Merel bij geboorte had meegekregen was haar onuitputtelijke positiviteit. Ze leefde voor nieuwe ervaringen en droeg de energie die ze daarmee verwierf over aan anderen. Dat was ook een van de redenen dat ze Esther overal mee naartoe nam. Merel sprak nog net niet de zin ‘positiviteit kun je manifesteren’ uit. Dat was maar goed ook, want al was het goed bedoeld, op een slecht moment had Esther haar dan misschien wel geslagen.
‘Louis heeft aangegeven een flinke schuur vol te hebben met leuke spullen. Hij heeft veel te veel en omdat het laatste contact zo goed was verlopen,’ Merel wees met een duim naar haar borst, ‘belde hij mij als eerste! Ik denk dat het komt door mijn onmetelijke charme en sprankelende persoonlijkheid.’ Ze grijnsde breed. ‘Ik weet zeker dat het je gedachten af zal leiden en anders dit wel.’ Vanuit het vakje in het portier pakte ze een dichtgevouwen papieren zak en gooide die in Esthers schoot.
Esther voelde direct de vettigheid aan de onderkant. Voorzichtig opende ze de zak en zag vier dikke croissants met stukjes chocola. Merel had haar favoriete broodjes gehaald, die gevuld waren met pudding en chocola. Dat was pas eetbare positiviteit. Dit weekend zou er een kilo of twee bij komen maar dat maakte Esther niet uit. Ze kon het extra spek goed gebruiken nu ze zoveel was afgevallen. ‘Je kan mijn gedachten lezen,’ grijnsde ze naar haar eveneens grijnzende vriendin. Ze pakte een croissant uit de zak en stopte hem meteen in haar mond, daarna schonk ze twee bekers koffie in. De pudding was zo heerlijk zoet dat ze nog een tweede calorieënbom uit de zak pakte en deze ook meteen naar binnen werkte. Ze voelde zich al een stuk beter toen ze verlekkerd naar het derde exemplaar in de papieren zak keek. Nog eentje dan, dacht ze luid slurpend aan haar koffie. ‘Louis dus. Vertel mij eens wat over hem.’
Merel was zowel afleider als een verhalenverteller. De meest saaie gebeurtenissen wist ze om te toveren tot een sprookje of een hels avontuur. De schuine grappen en zwarte humor die ze zonder gêne toevoegde waren grof en soms geen aandacht waardig, maar Esther genoot ervan. Humor had Merel altijd al gehad, maar was in haar dienstjaren bij de politie grover geworden. Op de werkvloer werden haar grappen en vuilbekkerij door collega’s gestimuleerd. Ze bleven maar vragen om nog meer bizarre verhalen of gebeurtenissen die ze had gehoord of waar ze zelf bij was geweest. Ze vonden Merel, met haar onschuldige voorkomen, maar wat grappig. Gierend van de lach, met tranen rollend over hun wangen, vielen sommigen bijna achterover van hun stoel. Waren het de woorden niet, dan was het wel haar gezicht van elastiek dat ze regelmatig inzette als een vrouwelijke Jim Carrey.

‘Weet je waarom ze hem lange Louis noemen?’ Ze keek Esther strak aan, maar kneep haar ogen een beetje dicht om raadselachtig over te komen. De glans van simpel vermaak verscheen in haar ogen. Het was duidelijk een vunzige aanwijzing.
Esther hoefde niet lang na te denken. Ze schaterde het uit, waardoor ze zich bijna verslikte in het laatste stuk van haar croissant. ‘Ik heb er een beeld bij.’ Ze wuifde het snel weg. ‘Laat maar gewoon, ik wíl het niet eens weten.’
Merel ademde diep in. Ze liet zich niet van de wijs brengen. ‘Omdat je het zo vriendelijk vraagt zal ik het je vertellen. Lange Louis woont in een boerderij met een lange oprijlaan. Hij heeft lang krullend haar in een vlecht, omdat hij al zijn hele leven weigert om naar de kapper te gaan.’ Fluisterend voegde ze eraan toe: ‘In zijn lange haren zitten ultieme krachten. Net als bij Simson uit de bijbel.’ Ze sperde haar ogen wijd open. ‘Het is eigenlijk ongelofelijk wat die man allemaal kan!’
Schaterend sloeg Esther op haar benen. ‘Doe eens normaal man! Bij jou zit echt een steekje los.’
‘Wat dacht jij dan?’ Merel keek quasi-onschuldig naar Esther. ‘O! Nu zie ik het! Lange Louis! Ik snap het al. Jij viespeuk!’ Ze probeerde Esther aan te stoten met haar elleboog, maar de afstand naar Esthers stoel was te breed. Het stuur schoot naar rechts, waardoor de vrachtwagen over de doorgetrokken streep naar de vluchtstrook reed.
Esthers hart sloeg over toen ze de berm en de sloot dichterbij zag komen. ‘Merel, let nou maar op de weg!’ riep ze terwijl ze zich met een hand vastgreep aan de passagiersstoel.
Merel grijnsde onnozel en maakte zich niet druk. Ze wist dat ze een goede chauffeur was, ongeacht of ze in haar Mini reed, in een dienstauto of dit vrachtwagentje van haar neef. Soepel en zonder moeite stuurde ze het zwarte gevaarte weer terug naar de juiste plek op de rijbaan.
Esther keek naar de koffievlek op haar broek, die door de plotselinge stuurbeweging was ontstaan. Het was een geluk dat ze een extra spijkerbroek had meegenomen. De koffie verspreidde zich en verwarmde een deel van haar dij. De vorm van de vlek maakte deel uit van een herinnering, waar ze moeilijk bij kon. Afwezig staarde ze uit het raam naar de weilanden met grazende, zwart-wit gevlekte koeien. De herinnering was dicht aan de oppervlakte, maar haar geheugen leek hem duidelijk te willen vergeten en drukte hem de kop in.

Hoofdstuk 3




Van ver weg drong een zachte vrouwenstem tot haar door die met de radio meezong. ‘Workin’ nine to five, what a way to make a livin.’
Het zachte gepruttel van de vrachtwagen had ervoor gezorgd dat Esther in slaap was gesukkeld. Met de mouw van haar jas veegde ze langs haar mond, omdat ze niet zeker wist of ze had gekwijld. Nog slaperig keek ze voor zich naar de snelweg. Aan de groeven in het betonnen wegdek zag ze meteen dat Merel al over de Belgische grens was gereden.
‘Hallo slaapkop! We zijn er bijna. Ik denk nog vijf minuten.’ Merel pakte de eerstvolgende afslag en verliet de snelweg.
Zoals Merel had verteld, woonde Louis aan een lange oprijlaan net over de grens in een klein, bruin huisje met witgeschilderde kozijnen. De bescheiden woning was omringd door een lap grond met groene struiken, gras en bomen. Op het moment dat de vrachtwagen het grindpad met witte en grijze kiezels opreed, verscheen vanaf de zijkant van de woning een oudere man. Zijn grijze haren zaten vastgebonden in een staartje in zijn nek. Esther schatte de leeftijd van de man op een jaar of vijfentachtig. De zwartlederen schoenklompen die hij droeg zaten onder de modder, toen hij licht hinkend met zijn linkerbeen hun kant op kwam. De oude man wees op een plek voor hem op het pad.
Merel parkeerde op de aangewezen plek. ‘Daar is hij dan. Magisch toch?’ Ze proestte het uit bij het zien van Esthers verbaasde gezicht, die Louis al had geobserveerd vanaf het moment dat hij in het zicht was gekomen. Waarschijnlijk had Esther daarbij haar linker wenkbrauw opgetrokken, een trekje dat haar moeder ook had. Merels verhaal was dit keer maar voor een klein deel gebaseerd op de waarheid. De krachten van deze Simson waren al jaren geleden vervlogen.
Merel trok de sleutel uit het contact en stapte uit. Esther volgde haar voorbeeld.
Joviaal liep Merel naar Louis toe. ‘Goedemorgen Louis. Alles goed? Wat is het lang geleden zeg! Wat goed om je te zien. Ik zal je eerst aan een vriendin van me voorstellen. Dit is Esther. Ze was zo nieuwsgierig naar jou en je antiekverzameling dat ze vanmorgen, bij het krieken van de dag, al in het ruim was geklommen. Die kleine stiekemerd,’ ze draaide zich met stralende ogen om naar Esther en knipoogde.
Louis glimlachte naar Merel en gaf Esther een stevige hand. ‘Hallo Esther. Ik ben Louis. Is het een beetje vol te houden met dat eeuwige gekwebbel tijdens zo’n lange rit?’

Ook hij knipoogde vriendelijk naar haar. Hij had een lichaam dat het misschien begaf, maar zijn lichtgroene ogen stonden helder en vriendelijk in zijn gebruinde gezicht.
Esther keek naar de verzorgde tuin, met daarin groene planten en bloeiende bloemen die er netjes bij stonden. Zijn bruine huid was te verklaren doordat hij veel buiten aan het werk was. De goed onderhouden tuin was het zichtbare bewijs. ‘Het was een lange zware weg. Als ik dit allemaal van tevoren had geweten. Dan...’ Ze maakte haar zin niet af, maar draaide haar handpalmen naar boven en trok een wenkbrauw omhoog. ‘… lag ik nog in mijn bed.’  
Louis sloeg zijn hoofd naar achteren en lachte luid. Een rij witte tanden en een stuk van zijn gehemelte werden zichtbaar. ‘Ik heb er een beeld bij. Komen jullie alsjeblieft mee naar binnen. Ik zal eerst thee- of koffiezetten. Jullie hebben er al een uurtje of twee op zitten, toch?’
Merel keek op haar horloge. ‘Bijna een uur of twee Lekker Lou.’
‘Lou, noemt ze mij nou Lou?’ mompelend liep Louis voor hen uit naar de zijkant van de woning waar Esther hem vandaan had zien komen. Achter de woning stond een grote schuur met daarnaast een grote ren. Dikke, bruine kippen konden door een gat in het gaas naar een grasveld kruipen en scharrelden rond. Verrukt pikten ze in het zonnetje van de lange grassprieten.
Louis pakte Esther plotseling bij haar arm.
De neiging om direct haar arm terug te trekken en hem hard van zich af te duwen onderdrukte ze met moeite. Paniekerig zocht ze naar Merel en vond haar sussende blik. Merels ontspannen gezicht en ogen spraken zwijgend: ‘Niets aan de hand meid. Hij is oké. In Louis zit niks kwaads. Anders waren we hier nooit geweest.’
‘Zie je die kip daar’? Louis wees naar een bruine kip in het gras. ‘De enige met een lange staart? Zie je die? Dat is me een dame. Zij denkt dat ze een haan is. Elke ochtend voordat de zon opkomt begint ze te kraaien. En niet vanuit de ren. Nee hoor. Dat mormel klimt via het dak van de ren de schuur op en presteert het om bij mijn slaapkamerraam te komen. En een hels kabaal dat ze maakt!’ Met een teleurgestelde gelaatsuitdrukking schudde hij zijn hoofd, waarbij zijn smalle staartje op en neer deinde. ‘Het is vreselijk, maar die moet de soeppan in. Die neemt me gewoon in de maling.’ Hij zwaaide met zijn vinger in de lucht en liep verder langs de woning.
Esther keek naar de oproerkraaister, een onschuldige kip, die ontspannen met haar poten door het zand heen schraapte en zaadjes oppikte. Vervolgens zag ze een grote pan met kokend water voor zich, waarbij de kromme kippenklauwen onder de deksel uitstaken. Ze gruwde bij de gedachte. ‘Meent u dat nou?’
Louis knipoogde naar haar. ‘Jazeker dat ik dat meen. Vandaag nog als het moet!’ grapte hij. Ook Louis nam Esther vandaag in de maling. Lekker stel die twee, dacht ze, terwijl ze een vrolijke stemming voelde opkomen.
Louis deed een zijdeur open en schopte zijn klompen op de mat. ‘Kom binnen, maar doe wel je schoenen uit, want je loopt anders allemaal troep naar binnen. Dat heb ik liever niet.’
Esther dacht dat Louis weer een grapje maakte, maar zag dat Merel haar schoenen op de mat in de bijkeuken uit deed en op haar sokken naar binnen liep. Ze begreep nu waarom boeren klompen dragen. Zuchtend haalde ze haar schoenveters los en stapte uit haar schoenen. Een gat in haar sok bij haar grote teen verraadde een afgebladderde roodgelakte teennagel die al een tijdje geen aandacht had gehad. Ze sjokte achter Merel en Louis aan naar binnen. Eenmaal over de drempel van de woonkamer, stapte Esther terug in de tijd. Verwonderd keek ze rond in de woonkamer die overging in een bescheiden vierkante keuken. In het keukentje paste alleen een tweepersoons eettafel met twee stoelen. De wanden waren beige en daarlangs hingen vanaf plafondhoogte grote en kleine olieschilderijen. Diverse personen en dieren keken zwijgend in haar richting. De keuken bestond uit een L-vormig keukenblok met daarboven een reling waaraan al het kookgerei hing. Op het gasfornuis stond een oranje, emaillen pan te pruttelen. Uit de pan kwam de heerlijk scherpe geur van prei, uien en kruiden. Normaal zou Esther in de pan kijken wat er werd gekookt, maar ze durfde het niet aan. Ze was bang om er een geplukte kip in aan te treffen die in de ochtend te luid had gekraaid.
Louis wees op de vrije stoelen. ‘Ga zitten alsjeblieft. Merel lust vast wel een kopje koffie. Jij ook Esther?’
Esther knikte.
Louis pakte een fluitketel van het aanrecht, vulde die met water en zette hem op het gasfornuis. Toen de ketel begon te fluiten haalde hij hem van het vuur met een gehaakte rode pannenlap. Gecontroleerd gooide hij het hete water in een filter met daarin vier afgestreken scheppen gemalen koffiebonen. Vrijwel meteen begonnen de bruinige druppels de bodem van de glazen koffiepot te vullen. Gefascineerd keek Esther naar Louis, die blijkbaar zo’n type was dat het gebruik van een Senseo pertinent weigerde. ‘Wat bent u aan het koken?’
Louis liet zijn blik even langs de kanten gordijnen naar buiten dwalen voordat hij antwoord gaf. Vervolgens haalde hij de deksel van de pan en keek aandachtig naar het kokende water. ‘Preisoep. Ik had te veel prei vorig jaar. Ook dit jaar wordt een goed jaar voor groente, maar ik kan het niet meer kwijt en dan maak ik soep. Preisoep, met knoflook, aardappel, een dikke wortel en ui. De vriezer ligt helemaal vol. Wil je wat?’
Twijfelend of dat verstandig was keek Esther naar Merel.
Merel twijfelde geen moment en knikte. ‘Lekker hoor, graag.’

Als Merel het aandurfde dan zij ook. ‘Graag Louis, bedankt.’
Terwijl Louis twee borden soep oplepelde keek hij nogmaals naar buiten. ‘Ik dacht het al: die vervelende geit!’ Met een dramatisch gebaar stak hij de soeplepel in de lucht, zwaaide er mee rond en gooide hem in de wasbak. Vervolgens zette hij de twee volle borden soep met zo’n klap op tafel dat de soep deels over het tafelkleed golfde. ‘Ik ben zo terug. Lepels liggen in die lade daar,’ en hij haastte zich naar buiten.

Merel grijnsde en trok Esther mee naar het raam. Ze schoof het kanten gordijntje opzij, totdat ze zicht kregen op Louis die buiten achter een geit aan jaagde.
Het beest stond midden in de groentetuin, die afgezet was met een hek en een touw waaraan diverse belletjes hingen. De geit kreeg Louis in het oog,  nam nog snel een aantal happen van het groen en huppelde weg. Het beest mekkerde speels terwijl ze tussen de groentebedjes door rende. Esther en Merel vonden het een komisch gezicht en stonden lachend achter het raam. Na twee rondes kreeg Louis het touw te pakken dat om de geit haar nek hing. Door het enkele glas was het eenrichtingsgesprek dat Louis met de geit voerde goed te horen.
‘Hoe kom jij nou weer hier? Heb je stiekem vleugels gekregen, dame? Het is dat ik geen vlees meer eet, maar anders ging jij in de soep!’ De geit liet zich liefdevol over haar witte kop heen aaien en mekkerde nog een keer terwijl ze naar haar baasje opkeek. 
Merel schoof glimlachend het gordijn terug, pakte twee lepels en ging weer aan de tafel zitten. ‘Wat een zacht ei,’ mompelde ze zacht.
Esther volgde haar en nam een hap van de soep. Ze glimlachte, dit was lekkerste preisoep die ze ooit had gegeten. De pure smaak van verse groenten en kruiden deed haar goed.
Hoofdschuddend en glimlachend kwam Louis weer de keuken binnen. ‘Bekkie is weer terug naar haar plekkie. Ze is zo slim. Ze weet dat ze daar nieuwe oogst kan gaan eten, maar hoe ze steeds over dat hek heen komt is mij een raadsel.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Dames, hier nog een kop koffie en dan moeten we echt aan de slag. Het loopt anders helemaal uit de hand hier.’

Hoofdstuk 4


Frank voelde de kramp opkomen in zijn armen. Ondanks dat de handzaag scherp was, leek hij soms te haperen in het hout. Hij liet de zaag even in de forse tak zitten en strekte zijn armen naar achteren. Hij kreunde toen hij zijn vermoeide armen oprekte en daarbij zijn rug liet kraken. De pijn in zijn rug was op sommige momenten moordend en het kraken zou de pijn maar voor even verlichten. Eigenwijs als hij was, zaagde hij door. Als hij fysiek bezig was, werd hij rustig in zijn hoofd en dat was hem meer waard dan de pijn in zijn rug.
Om zes uur ’s ochtends was Frank begonnen. Op dit vroege tijdstip was er nog niemand op het terrein. Zijn collega’s lagen voorlopig nog op één oor.

Het handgereedschap dat hij nodig had, kon hij uit de schuur pakken. Hij wist waar de sleutel lag en mocht er gebruik van maken. De opdracht was hem duidelijk. Het maakte niet uit wanneer hij het zou doen of waar hij zou beginnen. Van achter de pruimenboom, die als een eenling tussen de overige fruitloze bomen stond, pakte hij zijn met water gevulde bidon en nam een slok. Hij wist dat hij ervoor moest waken om niet elke dag zo vroeg te beginnen. Hij was hier met een reden begonnen: hij wilde zijn aangeleerde vaste patronen én de eenzaamheid doorbreken. Hij zette de bidon terug op zijn plek bij de boom en pakte een appel uit zijn tas. Hij nam een hap en proefde het zoetzure sap in zijn mond. Hij at de appel met klokhuis en al op. Het overgebleven steeltje gooide hij in de bosjes. Nog even doorzagen en dan zou de dikke tak loslaten. Dan kon hij aan de slag met de woekerende bramenstruiken, die het wandelpad zo langzamerhand volledig hadden overgenomen. Nog eenmaal strekte hij zijn armen naar achteren en omhoog, zette zich schrap en pakte de zaag. Het geluid van metalen tanden die door hout vraten ontspande zijn geblokkeerde en afgestompte geest. Toen hij de laatste vier centimeter doorzaagde, groeiden de zweetdruppels op zijn voorhoofd en gleden ze over zijn slaap langs zijn gezicht naar beneden. Moe maar voldaan pakte hij de afgezaagde tak en trok hem met beiden handen achter zich aan op het bospad. Hij slaakte een diepe zucht. ‘Eindelijk!’ De tak zou hij straks in stukken zagen, maar eerst zou hij met de snoeischaar de bramenstruiken een kopje kleiner maken. Frank was blij dat hij een paar werklaarzen had meegenomen om zijn enkels te beschermen. De gemeen scherpe doornen haakten op kniehoogte in zijn spijkerbroek. Hij stapte achteruit en bekeek hoeveel werk er nog te doen was. Als hij de vijf meter wilde afkrijgen, dan zou hij flink door moeten snoeien. Het was een fysieke uitdaging en dat beviel hem wel. Hij pakte de snoeischaar vast aan beide handvaten en hief hem hoog boven zijn hoofd. Hardop riep hij: ‘Is iedereen klaar voor de beste en snelste bramensnoeier van het universum?!’ Hij keek om zich heen en luisterde aandachtig, hij kreeg zoals verwacht geen antwoord. Het enige wat hij hoorde was een ritmisch tik, tik, tik, tik. Slechts het kenmerkende geluid van een specht, die ook al vroeg wakker was en al hamerend met zijn snavel op zoek was naar zijn ontbijt.
Als iemand Frank hier zo hardop zou horen praten, dan zou diegene denken dat hij gek geworden was. De laatste weken was hij opvallend stil en had hij weinig met mensen in zijn omgeving gesproken. Waar een ander de behoefte had om veel te praten, had hij dat zelf totaal niet. Ze zouden zich over zijn harde stemgeluid hebben verbaasd. Hij sprak zelden met luide stem en maakte nog minder grapjes. In ieder geval stukken minder dan dat hij vroeger deed. Het lachen om het leven was hem al jaren geleden vergaan. Iets zachter zei hij de woorden nogmaals tegen zichzelf. Hoofdschuddend keek hij naar de scherpe delen van de snoeischaar, terwijl hij zich afvroeg waarom hij het deed. Het maakte de eenzame situatie nog gênanter. Met het schaamrood op zijn kaken begon hij vlug te snoeien. Het was een regel van de stichting dat er alleen gebruikgemaakt mocht worden van je eigen spierkracht en handgereedschap. Gemotoriseerd gereedschap was uit den boze, ook als het weinig lawaai produceerde. Iedereen hield zich aan deze afspraak. Soms was het een rotklus en zat Frank aan het einde van de dag gebroken bij te komen, vol met schaaf- en blauwe plekken op zijn lichaam. Ook deze klus was vermoeiend, maar gaf hem tegelijkertijd een oppeppende dosis energie. Het was gek dat fysieke inspanning hem zoveel meer opbracht dan het gebruiken van zijn beschadigde hersenen. Frank boog voorover en knipte de dikke stammen van de bramenstruik tien centimeter van de grond af. Om de tien takken trok hij ze los en legde ze bij de afgezaagde tak van de perenboom neer. De lange strengen samen stapelden zich snel op. Frank schatte de situatie in. Het zou efficiënter zijn als hij een kruiwagen zou gebruiken, dan hoefde hij het groen niet nog drie keer door zijn handen te laten gaan. Met ferme pas liep hij naar de schuur en pakte daar een van de groene kruiwagens die netjes in het gelid rechtop tegen de zwart geschilderde houten wand stonden. Op de zijkant stond een nummer geschreven. Kruiwagen nummer 1 mocht vandaag met hem mee op pad.
Frank zette de kruiwagen op zijn wiel en reed hem behendig de schuur uit. Buiten de schuurdeur bleef hij staan en overzag de groene vlakte. Naast wat voorzichtig fluitende vogels was alles nog volledig in rust. Het was onvoorstelbaar dat deze groene vlakte vroeger zee was geweest. Mensenhanden hebben hier groen en leven gecreëerd, peinsde hij. Als dat mogelijk is, dan kan ík mijn leven toch ook aanpassen en opnieuw inrichten? Hij moest alleen een manier vinden om de gedachten die hem zo belemmerden om normaal te functioneren, als water weg te pompen. Pas dan kon hij weer gelukkig zijn in zijn lijf en hoofd. ‘Simpel toch,’ mompelde Frank tegen zichzelf toen hij verder liep. De kruiwagen piepte bij elke volledige ronde die het wiel draaide. Het gepiep werkte hem op zijn zenuwen en met een klap gooide Frank de kruiwagen ondersteboven. Tegen het kleine wiel zat een tak met bladeren geklemd die het gepiep veroorzaakte. Hij trok de tak tussen het wiel vandaan en nu draaide het wieltje soepel rond. Het storende geluid was weg. Hij zette de kruiwagen weer overeind en reed hem naar de wachtende berg bramenstruiken. Nog gefrustreerd van de prikkels die het geluid bij hem had opgeroepen, pakte hij de snoeischaar. Zonder te stoppen knipte hij de doorntakken los van hun stammen, tot aan het einde van het pad dat langs een smalle sloot liep. Een deel van de doornige strengen bleef achter zijn laarzen haken. Hij schopte ze van zich af en ging aan het eind van het pad zitten om bij te komen en zijn opkomende woede onder controle te krijgen. Bokkig trok Frank zijn knieën op en keek voor zich uit naar de kleine open plek met het hoogstaande gras. Hij had zichzelf aangeleerd om de vormen in de natuur te observeren en te herkennen. Het leidde zijn gedachten af. Als dat niet werkte, dan had hij een plan B: het luisteren naar de geluiden om hem heen. De boom voor hem had een groene kroon als een halve maanvormige cirkel. Als een denkbeeldige reuze Japanse bonsai overgroeide hij een deel van de open plek voor hem. Hij voelde zijn boosheid minder worden. Hij verwonderde zich wederom om het moois dat hij zag in de natuur. De mens kan maken en de mens kan breken, dacht hij. Hoe was het toch mogelijk?
Frank pakte vanuit zijn fleecevest een antiek, rechthoekig blikje waarin een aantal bruine slechte gewoontes op een rij lagen. Natuurlijk wist hij ergens wel dat hij helemaal moest stoppen met roken. Sigaretten rookte hij niet meer, maar zo nu en dan een sigaartje hielp hem de dag door. Er was niemand die het hem afraadde of verbood. Het blikje was ooit van zijn opa geweest. Het was meer dan honderd jaar oud en was overgedragen aan Franks vader. Frank zuchtte bij de gedachte aan zijn vader, die het afgelopen jaar plotseling ter aarde was gestort en niet meer opstond. Hij pakte een dunne sigaar uit het blikje, dat een reliëf van paarden had, en stak deze op. Met slechts het getik van de specht op de achtergrond, keek Frank zwijgend langs de bomen over de grasvlakte. Zijn blik werd als een magneet getrokken naar een beweging verderop in het veld. Er waren loslopende paarden in het gebied. Zijn collega’s hadden ze vaker zien ronddraven. Soms waren de dieren zo nieuwsgierig dat ze dichtbij durfden te komen. Een enkele keer hadden ze zich aan laten raken. ‘Paarden,’ mompelde Frank wederom zacht tegen zichzelf, ‘gevoelige dieren die bewustwording kunnen creëren en je in contact kunnen brengen met je gevoel.’ De hulpverlening had hem deze vorm van therapie verschillende keren aangeraden. Frank had geweigerd. Hij kon zich niet voorstellen dat deze methode voor hem werkte. Hoofdschuddend nam hij een trek van zijn sigaartje. In de tijd dat hij buiten werkte, was er nog nooit een paard naar hem toe gekomen. Zelfs, of beter gezegd, juist een edel dier kon aanvoelen dat hij dagelijks met een verdoofd gevoel rondliep. Op voorhand had de kudde de hoop al opgegeven.

Langzaam stond Frank op en liep gebogen de bonsaiboom voorbij, zodat hij een beter zicht kreeg op de uitgestrekte vlakte. Met zijn tong maakte hij een klakkend geluid. Een dier dat stond te grazen stak geschrokken zijn kop of hoofd op en rende uit zijn gezichtsveld. Frank nam een laatste trek van zijn sigaartje en stak nadenkend de filter in de grond. Wat het ook was, het had een typisch loopje toen het er vandoor ging. Misschien was het mank en moest het afgeschoten worden. Hij had geen verstand van de jachtwet en wist niet of paarden daar ook onder vielen.
Door het hoogstaande gras en de afstand kon Frank niet inschatten welk dier het was geweest. In een ver verleden had Frank verplicht bij de scouting gezeten. Zijn vader zag dat als een belangrijk onderdeel van zijn opvoeding. Hij herinnerde zich de saaie lessen en verhalen van Eduard, die met een korte broek, opgetrokken legergroene kousen en een rond brilletje vertelde over sporen zoeken en knopen leggen. Het enige nuttige wat Frank aan de tenenkrommende bijeenkomsten had overgehouden was dat hij op basis van sporen een dier kon identificeren. ‘Ach, waarom zou ik nu ook niet even kijken wat voor dier ik gezien heb?’ Frank liet de snoeischaar en de afgeknipte bramenstruiken achter zich en sprong over een tweede, ondiepe sloot. Voorzichtig drukte hij het hoge gras opzij en stapte er tussendoor, waarbij hij niet kon voorkomen dat het scherpe gras dunne sneetjes in zijn polsen achterliet. Na een meter of honderdvijftig keek hij om. De plek waar hij stond lag lager dan de plek waar hij net had gezeten toen hij het dier voor het eerst zag. Hij keek voor zich uit en zag een open plek, waar het gras plat leek te liggen. Nog een meter of vijf dan was hij er. ‘Wel gloeiende…’ bracht Frank uit toen zijn laars in een kuil met omhoog gegroeide, verharde wortels bleef steken. Hij struikelde voorover waardoor hij met een doffe klap languit op de open plek kwam te liggen.
Mopperend keek hij voor zich uit en zocht met zijn armen naar een stevige ondergrond om weer op te kunnen staan. Franks adem stokte even en werd oppervlakkig toen zijn blik iets onverwachts en verdachts zag. Zijn blik werd smaller terwijl zijn ogen zich focusten op het mogelijke gevaar voor hem. Zijn gezicht lag zo dicht bij het gezicht van de vrouw dat hij zeker haar warme adem op zijn huid had kunnen voelen als ze nog geleefd had. Ze had hem bij wijze van spreken bijna kunnen kussen. Een rilling trok van zijn nek door zijn ruggenwervels naar zijn onderrug. Het was onmogelijk dat ze nog leefde. Hij wilde achteruitkrabbelen, maar zijn lijf weigerde. Frank knipperde een paar keer snel met zijn ogen. Hij had altijd één regel gehad als hij een lijkvinding had: kijk nooit, maar dan ook NOOIT in de ogen. De ogen zijn de spiegels van de ziel. Zelfs hij had dit, met al zijn ervaring, nu niet kunnen voorkomen. Nog liggend in het gras keek hij vanaf nog geen 20 centimeter in de wijd opengesperde ogen met grote pupillen. Er was geen ontkomen meer aan, hij keek recht in haar ziel. Dit was een van dingen die hij nooit meer had willen zien. De fout om in de dode ogen van een slachtoffer te kijken had hij één keer gemaakt. Hij had er toen nachtenlang niet van kunnen slapen.
Als verlamd lag Frank in het gras. Zijn ogen registreerden de wimpers, de wenkbrauwen, de doodse blik en de kenmerkende kleur van het gezicht waaruit het leven voorgoed was verdwenen. Toen zijn ogen alle informatie hadden gevonden en vastgelegd, en zijn hersenen elk detail als een spons hadden opgezogen, kon hij zijn oogleden pas sluiten. Maar het was niet gewoon sluiten. Frank perste z’n ogen dicht, alsof er een storm op komst was. Een moment van rust en bezinning volgde. Hij had een keuze. Hij kon handelen, maar ook weggaan en het overlaten aan een ander. Het was een simpele keuze. Hij kon en mocht gewoon weg. Niemand dwong hem om te blijven.

Dit was het moment dat hij van de grond omhoog moest krabbelen en de politie moest gaan bellen. Ook al wilde hij het niet, het was al te laat en er was geen houden meer aan: Franks politiebrein kwam op gang. Zijn ogen openden zich en flitsten onderzoekend over het plaats delict voor hem. Dit beheerste hij; hij had dat zo lang gedaan. Hij bevond zich op een plek die te maken had met een nog te duiden gebeurtenis en die informatie bevatte die hij in een ogenblik aan elkaar zou kunnen koppelen. Met zijn oog voor onregelmatigheden, bewijs en detail, zou hij uiteindelijk tot een conclusie van dat moment kunnen komen.
Nogmaals bekeek Frank de details die hij al had gezien, maar nog niet had geregistreerd met de blik van de rechercheur die hij in het verleden was geweest. De ogen van de vrouw waren blauw en ze droeg geen make-up. Haar mond met volle lippen stond deels open en ze had een litteken van een centimeter boven haar lip, rechts van het snotgootje of filtrum. Hij zag een klein stukje van haar voortanden, waarvan die rechtsboven iets naar achteren stonden. Hij zag de kleine roze pareloorbellen in beide oren. Geconcentreerd ademde hij in en uit. Zijn neusvleugels klapten iets naar binnen toen hij zeep rook. Het was wasmiddel of shampoo. De geur was niet bloemig. Het was fris, zonder te zware parfum. Zorgvuldig krabbelde Frank naar achteren, waarbij hij nauwlettend keek of zijn handen geen sporen raakten. Eenmaal op zijn knieën schatte hij in dat de vrouw rond de vijfentwintig jaar oud was. Het gras waarop ze lag was platgelegd of -gerold. Haar nek was omhoog gericht, alsof ze op het laatste moment om hulp had geschreeuwd. Maar niemand zou nog woorden van haar horen. Ze was dood, morsdood. Er zat geen beweging meer in.
Een sprinkhaan sprong van het gras op haar schouder, tjirpte even en sprong aan de andere kant van het levenloze lichaam af. Voor de rest was het lange gras dat meewaaide met de wind het enige wat te horen was.
Frank bekeek haar kleding. De jonge vrouw droeg een spijkerbroek, gympen en een wollen trui met ruime hals. Haar onderlichaam was niet ontkleed, waardoor de kans op een zedenmisdrijf kleiner was, maar nog niet volledig uitgesloten. Hij stond op en keek nog eens goed. Hij fronste terwijl hij de zijkant van haar hoofd aanschouwde. Een diepe rimpel verscheen op zijn gezicht. Wat hij zag had hij één keer eerder gezien.




Hoofdstuk 5


 

‘Pas op je hoofd als je naar binnen loopt. Het plafond is hier niet hoog en steekt uit.’ Louis liep de schuur in en bukte bij de eerste houten balk met een uitstekende punt.

Esther, die achter Louis aan naar binnen wilde lopen, werd door Merel bij haar arm gepakt.

‘Wacht maar even,’ zei Merel zacht, ‘hij doet de zijkant zo open.’ Vervolgens trok ze Esther mee naar de zijkant en wachtte totdat de houten schuifdeur krakend openging. In het naar binnen vallende zonlicht kwam een schuur vol met oude spullen in beeld, terwijl een oude-mensen-lucht naar buiten ontsnapte. Houten secretaires, Franse fauteuils waarvan op het zitvlak of leuningen de ooit luxe stof deels vergaan was of begon te scheuren. Een houten spinnewiel, porseleinen potten en vazen, houten tafels en banken en meerdere schilderijen met gedateerde landschapstafereeltjes.

‘Wow!’ Esther wist niet waar ze kijken moest en registreerde haastig wat er in de rechthoekige ruimte allemaal opgeslagen stond. Het was een eeuw aan verzamelde meubelen die eigenlijk in een museum of antiekwinkel zouden moeten staan.

‘Vorige week hebben ze weer een vrachtwagentje gebracht,’ zei Louis dromerig, terwijl hij over een geborduurde leuning van een stoel aaide. ‘Ik snap niet hoe ze aan mijn naam komen. Ik neem het allemaal maar aan. Het is werkelijk zonde als dit allemaal in de kraakwagen terechtkomt.’
‘Kraakwagen?’ Esther kende het woord niet.

‘Ja,’ antwoordde Louis, ‘de kraakwagen is zo’n vuilkar met perscontainer. In Nederland noemen jullie het een vuilniswagen. Maar wat nog erger is, is als al het hout de kachel ingaat.’

Merel bleef bij een oude, houten kast staan, bekeek hem bewonderend en liet haar vingers over de gladde rug van een uitgesneden edelhert glijden. Het reliëf van het dier maakte deel uit van een groter wildtafereel, dat tot in detail uit het hout was gesneden. ‘Wat onvoorstelbaar mooi zeg.’

‘Kijk maar wat je kan gebruiken,’ grinnikte Louis. ‘Als betaling mag je de geit meenemen. Of we houden het op het standaardtarief.’

Schaterend stak Merel haar duim omhoog. ‘De geit, heel graag de geit, Lou.’
Een antieke fauteuil met gecapitonneerde knopen trok Esthers aandacht. Als gehypnotiseerd bleef ze staan. Het meubel met bordeauxrood velours was ooit ongetwijfeld een blikvanger geweest. Nu zat er een gat in de zitting en de vulling piepte naar buiten langs de opgekrulde stof.

‘Vind je hem mooi?’

‘Ja, heel mooi.’ Esther zakte zwijgend op haar hurken om de slijtage van de zitting te bekijken. ‘En tegelijkertijd zo triest dat een stuk geschiedenis er zo bij staat.’ Ze bestudeerde de in hout uitgesneden rozen aan de bovenkant van de rugleuning. Melancholisch bekeek ze de rozenblaadjes, waarvan zelfs de kleine karteltjes zichtbaar waren. ‘Zo gedetailleerd en met liefde gemaakt, en zo zonde.’

‘Jij bent hier voor het eerst,’ zei Louis terwijl hij naar de stoel wees. ‘Als je hem mee wilt nemen, dan moet je dat zeker doen. Geen probleem, de eerste is een gift.’ Hij stak een tweede vinger op. ‘Als je hier een tweede keer komt, dan is die kraaiende kip voor jou.’ ‘Meent u dat nou?’ Esther negeerde de opmerking over de kip en keek van Louis naar de stoel.

‘Zeker dat ik dat meen. Ik heb veel te veel en als je zo vol bewondering naar een meubel kan kijken, dan zijn jullie voor elkaar gemaakt.’

‘Nou graag, wat ontzettend aardig,’ zei Ester. ‘Ik neem ‘m mee.’

In een mum van tijd vond Merel wat ze zocht. Samen met Esther tilde ze een drietal secretaires, twee fauteuils en een kerkbankje met leeuwenpoten de bus in.
Esther zag Merel honderdvijftig euro in briefgeld aan Louis betalen. Het was veel te weinig voor het erfgoed dat hij van de hand deed, maar Louis keek tevreden. Hij wist dat ze de meubels waar nodig zou restaureren en doorverkopen. Ze kregen weer een plek in een woning bij een antiekliefhebber en niet in een achteraf gelegen schuur, een vuilnisbelt of open haard. Twijfelend liep Esther weer terug naar de fauteuil. Wat moest ze eigenlijk met een kapotte stoel met hooi?
‘Waarom twijfel je nog? Je kan hem toch opnieuw laten stofferen? Beetje krijn of kokosvulling erin. Hoppatee, klaar,’ zei Merel, terwijl ze naast haar kwam staan en ongevraagd meedacht.
‘Krijn?’ Esther stootte Merel met haar schouder aan. 'Ik weet niet eens wat je zegt. Weet je wel wat het kost om een stoel te laten opknappen?’
‘Dan doe je het toch zelf? Ik weet zeker dat je het kan. Tenminste,’ zei ze, terwijl ze Esther terugstootte tegen haar schouder, ‘als je het geduld op kan brengen.’
Pruilend keek Esther naar de fauteuil, ging weer door haar hurken en mompelde het nieuwe woord dat ze had geleerd. ‘Krijn’. Merel had gelijk. Ze kon een poging wagen, zeker nu de fauteuil op zijn Vlaams weggeven werd. Beter dan gratis zou het niet worden. Als het niet zou lukken, dan liet ze hem alsnog door een stoffeerder afhalen of kon ze hem wegbrengen. ‘Nogmaals heel graag Louis, het is een eer om de stoel mee te nemen.’
Verheugd klapte Louis in zijn handen. ‘Helemaal mooi! Met liefde en bewondering.’ Esther tilde met moeite de stoel op, die door het massieve hout verrassend zwaar was. Ze liep schuifelend naar de vrachtwagen, waar ze hem samen met Merel naar binnen tilde. Merel verschoof de stoel naar een vrije plek in de laadbak en zette alles vast met spanbanden. Louis liep naar het laadruim. ‘Was dat alles, Merel? Willen jullie nog wat eieren mee? Verser en biologischer dan deze bruine rakkers kun je ze niet krijgen. De dames hebben er zelf vrije uitloop van gemaakt.’
‘Doe er maar tien.’ Merel sprong uit het ruim en opende het portier van de cabine. Van onder de stoel pakte ze een kartonnen eierdoos en gaf hem aan Louis. Vervolgens stak ze hem nog vijf euro toe. Louis schudde zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet. Dat is te veel.’
‘Doe nou niet zo en neem het gewoon aan.’ Merel stopte het briefje in zijn hand. ‘Je helpt mij zo goed en je matst mij al zo vaak. Als het kon, dan had ik honderd eieren van je meegenomen, maar ik ben bang dat die de reis niet overleven.’
‘Nou goed dan.’ Louis pakte het geld aan en verdween richting het kippenhok.
Esther glimlachte. ‘Wat een vriendelijke man.’
‘Ja.’ Merel knikte bevestigend. ‘Te vriendelijk die ouwe. Zo zijn ze lang niet allemaal.’
Na enkele minuten kwam Louis terug met een gevulde doos. Voordat hij de eieren aan Merel gaf, opende hij de doos en controleerde voor de zekerheid nog even of de eierschalen geen breuken hadden of beschadigd waren.
Nadat Merel hem op haar overdreven enthousiaste manier bedankt had voor de goede zorgen, stapten ze in de vrachtwagen. Op naar de volgende locatie. Uitbundig zwaaide Louis hen na toen ze van de woning wegreden.
Achter Louis’ rug zag Esther de geit naar de zijkant van de woning rennen, haar slanke achterpoten tegen een houtblok afzetten. Moeiteloos sprong ze over het houten hek de groentetuin in. Ze draaide haar raam open. ‘De geit Louis! Ze springt op het houtblok!’
Verschrikt draaide Louis zich om, zwaaide nog eenmaal naar hen en liep vervolgens quasi-mopperend naar de speelse Bekkie, die doelgericht naar de jonge, groene slablaadjes rende.

Hoofdstuk 6


 

Het kantoor was een stuk minder goed onderhouden dan het groen buiten. Het had gedateerd bruinig behang, waarvan de lijm zo uitgedroogd was dat het op een aantal plekken los begon te laten. Een vijftig jaar oude opgezette vos staarde met zijn ingezette glazen ogen de ruimte in, net als zijn buurman, een rode eekhoorn met een stoffige, rode staart. Beide waren ooit in beslag genomen. Ook stond er een dossierkast, met daarin oude ordners, volgepropt met handgeschreven administratie die terugliep tot begin jaren ‘90, en dit alles bepaalde de sfeer van het kantoor. Het was saai met oude troep waar niemand meer naar omkeek, maar voelde wel veilig en vertrouwd.
In het kantoor zat Frank peinzend te wachten. Voor zich zag hij nog steeds de jonge dode vrouw met de kortgeknipte donkere haren in het gras liggen. Hij had eerder een soortgelijke situatie gezien tijdens een unieke huiselijk-geweldzaak. Die kwam een aantal jaren geleden op zijn bureau terecht, in de periode dat hij coördinator van alle huiselijk-geweldzaken van zijn district was. In die jaren had hij veel zaken onderzocht en de onderste steen proberen boven te halen voor de slachtoffers: vrouwen en kinderen, maar ook mannen, die binnen de huiselijke kring, fysiek of psychisch werden mishandeld. ‘Tegenwoordig heb je voor alles een opleiding nodig, behalve voor een kind opvoeden of een relatie onderhouden,’ mopperde hij, terwijl hij een slok nam van zijn koffie, die al aardig afgekoeld was.
Eén keer wist Frank nog precies, hij had net een complexe zaak afgerond waarbij een aangeefster voortdurend door haar partner werd bewerkt met sigaretten en een tacker.

Er was een vrouw aan de balie van het politiebureau gekomen. De baliemedewerkster probeerde haar naar huis te sturen, omdat er volgens haar geen sprake was van huiselijk geweld. Het was achteraf onwetendheid van de medewerkster en bovendien was de huiselijk-geweldmaterie complex. Over de juiste kennis beschikken en de vaardigheid hebben om de juiste vragen te stellen waren bij dit soort zaken essentieel. Als het ging om het opzettelijk pijn en letsel toebrengen, dan kon Frank de beoordeling makkelijk maken.
De baliemedewerkster had deze vaardigheid duidelijk niet. Ontdaan door de reactie van de baliemedewerkster, weigerde de vrouw het pand te verlaten. De situatie in de centrale hal leek te escaleren, waarop Frank werd gebeld met het verzoek om de situatie verder uit te leggen aan de vrouw.

Zoals vaker reageerde Frank in eerste instantie mopperend maar liep vervolgens toch naar de entree. Dat was de eerste en de laatste keer in zijn leven dat hij een vrouw zag die rondzwaaide met een lange haarvlecht in haar hand. De vlecht zat niet meer vast aan haar hoofd. Enigszins verbaasd over de setting had hij haar naar een aparte ruimte meegenomen, waarbij ze schreeuwend bleef herhalen dat het vandaag haar haren waren en morgen haar nek! Kokend van woede was ze tegenover hem gaan zitten.
Geduldig nam Frank de tijd, liet haar uitrazen en bood haar een kop koffie aan. Het besef dat Frank haar serieus nam en haar niet zomaar weg zou sturen, deed haar kalmeren en ze begon te vertellen. Haar naam was Louise. Ze was eenentwintig jaar oud en getrouwd met een veel oudere man. Deze man had ze leren kennen via een stageplek, bij het bedrijf waar hij werkzaam was als accountmanager. Gedurende die stage van een jaar waren ze verliefd op elkaar geworden. Na een jaar besloten ze te trouwen. Omdat het aanstaande huwelijk niet gesteund werd door het thuisfront, verbrak Louise het contact met haar ouders. Ze pakte haar spullen en trok bij haar grote liefde in. Haar sociale wereld werd al snel kleiner. In de loop der tijd verbrak ze ook het contact met haar vriendinnen. Op de vraag waarom ze dat had gedaan, had ze haar smalle schouders opgehaald. Haar vriendinnen hadden haar gewaarschuwd voor haar verloofde, maar in haar ogen begrepen die haar en hun situatie niet. Ze waren niets dan jaloers geweest op de man die in een korte tijd de liefde van haar leven was geworden.
Louise had in haar leven altijd maar één ding gewild. En dat was trouwen en een gezin starten. Het liefst zo snel mogelijk. Zorgen voor haar man en eigen gezin had prioriteit en daar kon ze geen weerstand bij gebruiken. De uitgesproken twijfel van familie en vrienden ervoer zij als weerstand.
Louise leefde in die beginperiode op een roze wolk. Haar kersverse echtgenoot was zorgzaam en adoreerde haar. Hij zette haar op een voetstuk en vertelde haar dagelijks hoe mooi ze was, en dat ze het beste was wat hem ooit was overkomen. De nieuwste jurken en mooiste sieraden werden aangeschaft om haar gelukkig te maken. De lieverd wist Louises kleding- en schoenmaat exact. Met trots had ze al zijn dure giften gedragen. Dat was het minste wat ze kon doen. Ze wilde hem laten zien dat hij de enige was voor haar. Soms kon hij wat jaloers zijn, vooral als ze vanwege haar stage op het werk telefonisch contact had gehad met een mannelijke collega. Naïef als ze was, zag ze het als een teken dat hij haar waardeerde en haar niet kwijt wilde.

Kort na hun huwelijk besloten ze, in overleg, dat Louise haar opleiding niet zou afmaken. Hij verdiende immers genoeg. Louises leven bestond vanaf dat moment uit het doen van het huishouden en het verzorgen van haar echtgenoot binnenshuis.
De kentering kwam op een middag toen Louise thuis zijn favoriete maaltijd aan het bereiden was. Bij het zien van haar in de keuken raakte hij volledig over zijn toeren. Zonder aanleiding betichtte hij haar ervan dat ze al haar aandacht schonk aan iedere man die haar passeerde.
Nadat hij de overdonderde Louise compleet had uitgekafferd en haar meerdere malen een slet had genoemd, had hij haar met de vlakke hand in haar gezicht geslagen. Dat was haar nog nooit gebeurd.
‘Ik was zo verbaasd. Ik wist werkelijk niet wat ik had gedaan en vroeg het hem,’ zei Louise tegen Frank. Als antwoord kreeg ze te horen dat ze in een te blote jurk buiten had gelopen en uitdagend had gekeken naar ‘alles met een leuter en een hartslag’.
Het was de eerste keer dat Louise besefte dat haar lieftallige echtgenoot niet alleen haar telefoon bekeek, maar ook haar dagelijkse routine naging. Na de ruzie had ze haar lange blonde krullen ingevlochten en was verdrietig en met gloeiende wang naar bed gegaan. Toen ze in de ochtend wakker werd, kwam ze tot de ontdekking dat haar echtgenoot niet zoals gewoonlijk naast haar in bed lag. Beteuterd was ze opgestaan. Toen ze haar badjas aandeed, voelde haar hoofd lichter aan. Geschokt kwam ze erachter dat hij ‘s nachts haar haren had afgesneden. Haar geamputeerde vlecht lag als een volgevreten slang half onder haar hoofdkussen. Met tranen in haar ogen had ze het stilzwijgende bewijs voor Frank op het bureau neergelegd. Ze was woest en wilde aangifte doen.
Frank had de aangifte zonder enige twijfel opgenomen. De casus was ingewikkeld en er waren geen getuigen van het strafbare feit. Toch was er een lichtpunt aan het eind van de tunnel. Nadat zijn mobiele telefoon in beslag was genomen, bleek dat hij een korte film had gemaakt van een slapende Louise, met de losgesneden vlecht als getuige naast haar. Al fluisterend dat de slet het had verdiend had hij achteruit lopend de slaapkamer verlaten. De echtgenoot werd veroordeeld en jurisprudentie volgde.
Was dit een soortgelijke casus? Frank zag de jonge vrouw in het gras weer voor zich. Hij probeerde de dode en toch priemende ogen, die een plekje in zijn geheugen hadden gevonden, te negeren. Hij moest zich proberen te focussen op de feitelijkheden die hij had gezien. De vrouw in het gras had weliswaar kort haar, maar dat was niet het kenmerk waardoor hij zo geraakt was. De onregelmatige happen in haar haren waren hem opgevallen. De uiteinden langs de oren waren langer dan de haren op het achterhoofd.
De deur naar het kantoor werd geopend en Frank keek op. Leiko hief zijn hand. ‘Frank, hoe gaat het jongen?’
Alle moed zakte Frank in de schoenen. Tot zijn schrik constateerde hij dat van alle mensen in de hele wereld, hij gehoord zou worden door iemand van zijn oude bureau. Iemand aan wie hij ook nog eens een bloedhekel had: Leiko. Een niet veel voorkomende naam die notabene in het Japans ‘arrogant’ betekende. En Leiko deed zijn naam eer aan. Ze hadden ooit samengewerkt aan een complexe zaak, waarbij hij er snel achter kwam dat zij niet op één lijn zaten. Frank was er zeker van dat Leiko zich had verkneukeld toen hij thuis kwam te zitten.

‘Nog niet aan het werk, dus laten we zeggen gematigd goed.’
‘Ja. Ik hoorde dat je nu in een traject zit. Je hoort het vaker de laatste tijd.’ Leiko deed alsof hij nadacht. ‘Ik heb het idee dat het vroeger wat minder voorkwam. Tijden veranderen hè.’
Frank probeerde zijn boosheid en de neiging om hem uit te schelden te beheersen. Je bent net dertig, pisvlek, dacht Frank, terwijl hij wijselijk zijn mond hield. Wat weet jij nou eigenlijk van werken? Snordrukker dat je bent.
‘Het scheelt dat we kunnen praten op niveau en beide kennis van zaken hebben. Je weet waar we het over hebben en welke informatie we nodig hebben.’ Leiko ging aan het bureau zitten en pakte zijn notitieblok. In zijn jas zocht hij kloppend op zijn zakken naar een pen, die hij niet bij zich bleek te hebben. ‘Heb jij misschien nog ergens een pen, Frank?’
Frank hoopte dat zijn ergernis niet op zijn gezicht stond af te lezen. Hij viste een pen uit zijn borstzak en gaf die aan Leiko. Hoe kan een rechercheur niet beschikken over een pen? Domme loempia, dacht hij boos. ‘Ik wil hem graag terug,’ voegde hij er bits aan toe.
‘Tuurlijk, tuurlijk.’ Leiko keek op zijn horloge en schreef de tijd op. ‘Hoe laat was je hier vanmorgen?’
‘Zes uur.’
‘Dat is aardig vroeg, Frank. Hoe laat ben je opgestaan?’
‘Uur of vijf.’
‘En toen?’
Zwijgend keek Frank naar het notitieblok op de tafel voor hem.
Leiko had, buiten het tijdstip waarop dit gesprek begon, alleen een vijf opgeschreven, met een streepje eronder.
Frank deed zijn hoofd wat naar achter en keek naar het plafond. Leiko had blijkbaar geen boodschap aan de zeven goede w’s: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, welke wijze en waarom. Hij besloot uit zichzelf te vertellen hoe zijn ochtend eruit had gezien. Hij liet de informatie dat hij ‘s nachts vaak wakker lag omdat hij veel piekerde achterwege. Ook dat hij de avond ervoor een aantal biertjes had gedronken om in slaap te komen, en daardoor uiteindelijk rond drie uur wakker werd, noemde hij niet. Hij vertelde over de wandeling naar het bos waar hij wekelijks kwam om in de natuur aan het werk te gaan. Hij vertelde over de afgezaagde tak en de afgeknipte bramenstruiken die hij op het pad had gegooid. Over de piepende kruiwagen, wat totaal niet van belang was voor het verhaal, en het moment dat hij uitrustte toen hij beweging in het hoge gras zag. ‘Ik ben naar de plek gelopen om de sporen te bekijken. Ik hoopte op basis van de sporen het dier dat ik vaag had gezien te kunnen identificeren. Ik liep door het hoge gras naar de plek, struikelde in een ondiepe kuil en viel. Toen zag ik de dode vrouw in het gras liggen.’ Het was een lijkvinding in een paar regels. De dood in een notendop.
‘Ben je er nog achteraan gelopen?’ Leiko tikte met Franks pen op zijn notitieblok. Het was nog steeds vrijwel onbeschreven, op wat steekwoorden na. ‘Het dier dat je hebt zien lopen?’
Frank zuchtte diep en betreurde de vraag. ‘Ik denk dat jij net zo goed weet als ik, dat het geen dier is geweest dat op de betreffende plek heeft gelopen. Gezien de afstand en de ochtendschemering heb ik het silhouet verkeerd geïnterpreteerd.’
‘En dan vind jij een dode vrouw in het gras,’ constateerde Leiko met een ongelovige blik.
‘Ja,’ antwoordde Frank. ‘Op basis van het eerste aantreffen, lijkt het erop dat de vrouw er kort daarvoor is neergelegd. Op het lichaam lag geen dauw en haar kleding leek niet vochtig. Ik kan alleen op basis van die informatie inschatten hoe lang de vrouw al dood is.’
‘Dat moet blijken uit de bevindingen van de patholoog-anatoom bij de sectie.’
Frank perste zijn lippen op elkaar van boosheid. O, is dat zo, helder licht?
‘Wie was het?’
‘Wie was het?’ Frank herhaalde de vraag nu zelf ongelovig. ‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Misschien dat je haar eerder hebt gezien of haar kende?’
‘Nee. Ik kende haar niet en ik herkende haar ook niet.’
‘Heb je haar verschoven?’
‘Ik heb haar met geen vinger aangeraakt en heb ook geen sporen beschadigd, als je dat bedoelt.’
‘Goed.’ Leiko schreef op dat het lichaam niet verplaatst was. ‘Dus je hebt geen telefoon of iets dergelijks bij haar weggepakt?’ De kunst om iemand vanaf nul in korte tijd een tien te laten scoren op de boosheidsschijf beheerste hij wel.
‘Wat beweer je nou eigenlijk?’ Boos en met een trillende vinger wees hij in Leiko’s richting. ‘Dat ik haar heb bestolen of bewijs heb achtergehouden op het moment dat ze daar dood in het gras lag? Wat zijn dit voor idiote vragen?! Als je geen telefoon of portemonnee hebt gevonden bij haar, dan is er voor jou werk aan de winkel of niet!’
‘Nou, nou, je hoeft niet zo lichtgeraakt te reageren.’ Leiko schreef portemonnee en telefoon op het notitieblok, zonder verder op Franks uitbarsting te reageren. ‘Het is misschien beter om op het bureau af te spreken. Dat praat makkelijker en het is neutraal terrein.’
Bruusk stond Frank op om het kantoor uit te lopen, om te voorkomen dat hij Leiko naar de strot zou vliegen, toen de deur openging. Giftig keek hij op naar de jonge vrouw in een donkerblauw gilet. Op haar wangen had ze een gezonde blos. Doordat ze haar haren in een lange donkerblonde paardenstaart droeg, leek ze nog jonger dan Leiko. Kwam straks de hele politieschool binnengelopen? Frank legde zijn handen op het tafelblad en staarde knarsetandend naar zijn handen met de zwarte nagels van het klussen. Met samengeperste lippen keek hij nogmaals naar de vrouw en hij zag dat ze onder haar arm een notitieblok met een blauwe pen langs het elastiek droeg.
‘Normaliter zou ik u een goedemorgen wensen, maar daar is de stemming helaas niet naar. Ik ben Marty Willems, rechercheur bij de districtsrecherche. Ik zie dat u al kennis heeft gemaakt met mijn collega Leiko?’
‘Ja, dat klopt,’ antwoordde Frank, ‘Maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik net op het punt stond om te gaan.’ Met moeite perste hij de woorden naar buiten. Weloverwogen, zodat hij niets ongepasts zou zeggen nu hij boos was en de neiging had om Leiko in haar bijzijn volledig af te branden. Die man had werkelijk een totaal gebrek aan competentie voor het politievak.
‘Dat mag,’ Marty legde haar notitieblok naast Leiko op de tafel. ‘Maar als u nog heel even de tijd heeft dan zou ik graag uw observaties en gedachten willen horen. Alles zit op dit moment nog vers in uw geheugen en u heeft nog niemand anders gesproken die...’
‘Mij zou kunnen beïnvloeden.’
‘Precies, Frank.’ Marty knikte en leek zich iets belangrijks te realiseren. ‘Mag ik Frank tegen u zeggen?’
‘Ja dat mag.’
‘Fijn. Daar ben ik erg blij om.’ Marty ging zitten en sloeg haar notitieblok open. De eerste pagina’s van het blok waren beschreven, naar achter gevouwen en vastgezet met een extra bruin elastiek.
Frank las ondersteboven mee. Marty had de locatie in kaart gebracht en ze was begonnen met de datum en een deel van haar bevindingen. Hij kon niet alles lezen, want haar handschrift was niet al te best. Hij vond de hanenpoten en snelle krabbels zelfs uiterst slecht. Eindelijk een goed teken. Het betekende voor Frank dat Marty karakter had. Marty was voor hem een onbekende vrouwelijke rechercheur. Haar natuurlijke charisma en no-nonsense houding maakten hem nieuwsgierig. Ondanks zijn frustratie ging hij weer zitten en negeerde Leiko’s geamuseerde blik. Hij besloot om alsnog te vertrekken als die dombo weer iets onnozels zou zeggen.
Marty keek niet op van haar notitieblok toen ze begon te spreken. ‘Leiko, als jij weer even naar het plaats delict gaat, dan kun je daar de collega overnemen die het logboek aan het invullen is. Bedankt.’ Ze wachtte niet op een antwoord. Het was geen vraag, maar eerder een opdracht, waarop hij schoorvoetend opstond en naar de deur liep.
Dit was een bijzondere wending die Frank niet had zien aankomen. Hij ging ervan uit dat hij door twee man gehoord zou worden. In een fractie van een seconde greep hij zijn kans: ‘Mijn pen,’ zei hij droog, en keek opvallend geamuseerd. Hij genoot van het moment. Vervolgens kreeg hij niet alleen zijn pen aangereikt, maar kreeg hij ook een giftige blik toegeworpen. Het deed hem goed.
Aan de deur die te hard dicht werd gedaan was te merken dat Leiko niet blij was. De man was al vroeg in de ochtend terechtgewezen en werd nu ook nog eens naar buiten gestuurd om een logboek aan te vullen.
Een tik tegen de ruit volgde. Marty en Frank keken tegelijkertijd naar het raam waar een Vlaamse gaai op de vensterbank landde. De bonte vogel pakte de eikel die hij daar had laten vallen op in zijn snavel, leek even naar binnen te gluren en vloog vervolgens weg.
‘Een Vlaamse gaai,’ zeiden ze tegelijkertijd en wisselden een korte blik.
Verrast keek Marty naar Frank. De lichtjes die even in haar ogen verschenen, verdwenen net zo snel als dat ze waren opgekomen. Ze werd weer zakelijk. ‘Goed, Frank,’ ze schudde haar hoofd, alsof alles wat ze ging zeggen overbodig was en hij het toch al wist, ‘allereerst dit. Je naam is geschiedenis.’
Frank keek verbaasd en op zijn gezicht verscheen een fronsrimpel tussen zijn wenkbrauwen.
Marty zweeg een moment en keek Frank aan, wetende dat hij meer zou willen weten.
Ongeduldig wachtte Frank op een vervolg van haar vage betoog.
‘Ik heb niks, maar dan ook helemaal niks negatiefs over jou gehoord. Ik weet van je carrière bij de baas. Mensen hebben het er nog over. Jij stond vooraan in de rij om jurisprudentie te behalen en nam risico’s die een ander niet durfde te nemen. Jij wel. Als collega’s iets heftigs mee hadden gemaakt, was jij degene die hen opbelde, zonder enig belang en alleen om hen te steunen. Jij hebt jongere collega’s gecoacht en er alles aan gedaan om jouw kennis op hen over te dragen. Jij zag hun potentie. Jij bent ruim veertig jaar in dienst zonder onderbrekingen. Je hebt zeer diverse functies vervuld op verschillende afdelingen. Ik noem maar even: jarenlang op de auto, wijkagent, centralist bij het Operationeel Centrum en berucht om je werk als huiselijk-geweldcoördinator.’

Frank snifte. Hij werd een beetje nerveus van de situatie en legde onder tafel zijn handen op zijn knieën.
‘En de laatste jaren bij de recherche.’ Marty ademde in. ‘Werkzaam bij de politie vanaf je zeventiende. Je bent gestart bij het onderhoud van de dienstvoertuigen waar je bleef totdat je de kans kreeg om door te stromen.’ Ze kantelde haar hoofd alsof ze tot een conclusie kwam. ‘En nu ben je hier. Werkzaam bij een stichting voor politiemensen, oud-politiemensen en veteranen, en ben je voortdurend bezig om het onderhoud van dit bos tot een succes te maken en alles netjes te houden. En ook hier steun je weer collega’s.’
Marty wist het mooi te brengen. Collega’s ondersteunen terwijl hij zelf in een soort traject zat omdat hij een wrak was. Het waren vlijende woorden, waar natuurlijk geen klote van waar was. Toch vond hij het knap dat ze alles had uitgesproken, zonder op haar notitieblok te kijken. Marty had snel haar huiswerk gedaan en had zijn dienstjaren beter benoemd dan al zijn voorgaande chefs, die hem veel langer kenden dan zij, maar zijn cv niet konden opnoemen. In het ergste geval klopte een deel niet, waardoor de waardering die je voor die leidinggevende dacht te hebben met elke verkeerde zin verder leek te verdampen.
‘Vanmorgen belde je ons rond zeven uur met jouw ongelukkige vondst,’ ging Marty verder, ‘Je had net een dikke tak weggezaagd en bramenstruiken gesnoeid, toen je aandacht werd getrokken door een beweging ergens tussen het gras. Toen je daar heen liep, vond je een vrouw in het gras, van wie wij de naam nog niet weten.’
Verwonderd bleef Frank naar haar luisteren. In een paar zinnen wist ze samen te vatten wat hij in dat uur had gedaan. ‘Ja, dat klopt en ik weet haar naam ook niet.’
Glimlachend haalde Marty haar schouders op. ‘Daar was ik wel een beetje vanuit gegaan, moet ik eerlijk zeggen. Anders had je dat tijdens het doen van de melding wel verteld, denk ik.’ Ze stond op en liep naar de keuken. Daar pakte ze de halfgevulde koffiepot op, klikte het zwarte deksel omhoog en rook. Goedkeurend pakte ze een schone koffiemok en schonk een beetje in. Ze draaide zich naar Frank en hief de mok. ‘Jij ook?’
Frank knikte dankbaar.
‘Hij is wat bitter, maar het kan nog best.’ Marty schonk een tweede mok vol, spoelde de koffiepot onder de kraan af en gooide de met koffieprut gevulde filter in de prullenbak.
Wie is deze vrouw? Frank was met stomheid geslagen. Marty manoeuvreerde door de kantine alsof het haar eigen woning was en leek helemaal ontspannen in de situatie, en dat beviel hem wel. Ze deed Frank aan iemand denken.
Marty nam een slok van de koffie en terwijl ze de mok in beide handen vasthield, keek ze over de mok weer naar Frank. Ze liet de porseleinen mok iets zakken. Ze was nieuwsgierig, maar geduldig genoeg om de tijd te nemen. ‘Toen ik op de verhoging stond aan de rand van het bos waar je hebt gezeten, snap ik dat je op die afstand en met de opkomende zon, niet goed kon zien wat je in de verte zag bewegen. Ik heb ook de door jou afgelegde route gelopen, zag de filter van je sigaartje en kwam op de open plek waar het slachtoffer lag. Heb jij nog bijzonderheden gezien vanaf dat moment?’
Het was alsof het bewustzijn van Frank in een tunnel van concentratie werd getrokken. Hij staarde roerloos naar het witte tafelblad en sloot zijn ogen, waarachter het zwart werd. Hij voelde een tinteling boven op zijn hoofd. Hij lag nu weer in het vochtige gras en voelde de koele ochtendwind over zijn onderarmen. Voor hem lag ze met de open ogen die hem direct vonden. Het waren die donkere ogen, die ondanks de omhoog gebogen nek recht zijn ziel inkeken en even omvatten. De vreemde yogahouding, terwijl ze daar zo op haar zij lag: de cobrahouding. Daar was de prikkelende geur van zeep weer die diep zijn neusgaten indrong en zijn neushaartjes activeerde. Hij ademde diep in door zijn neus. ‘De zeep.’ De geur deed hem op een of andere manier denken aan schone handen. Ineens wist hij het, dit was de geur van het stuk zeep waarmee hij zijn handen vroeger op school waste. Zijn gedachten brachten hem even terug naar zijn jeugd. Daar, aan de muur bij de wasbak, zat een stalen pin met daaromheen het ovale stuk zeep. Het stuk zeep was geel en werd steeds wat kleiner hoe langer het gebruikt werd. De beelden in zijn hoofd waren nu weer bij de dode vrouw. In een flits zag hij de parels in beide oren, haar voortand die iets naar achteren stond en de oneffenheden in het korte haar. Waarom haar haren eraf knippen? dacht hij.
‘Zeep?’ Marty zette met een klap de mok op de tafel.
Geschrokken van het geluid keerde Frank terug uit zijn gedachten. Zijn blik liet het tafelblad los en verdwaasd keek hij Marty aan. Dit was hem nog nooit overkomen. Hij was niet alleen teruggekeerd in de tijd om de lijkvinding opnieuw te beleven, maar hij had tegelijkertijd ook tegen Marty gesproken. Het woord dat ze uitsprak drong tot hem door. ‘Zeep,’ antwoordde hij bevestigend.
‘Zeep.’ Marty herhaalde het woord nog een keer, als een raadsel waar ze een oplossing voor probeerde te vinden.
‘Ja.’ Frank ving haar blik. ‘Maar dat was niet het meest bijzondere wat mij opviel. Dat waren haar haren, Marty. Het kan onmogelijk haar oorspronkelijke kapsel zijn. Ik weet zeker dat hier meer achter zit, het is afgesneden.’


H oofdstuk 7



‘Nog één slaapmutsje om het af te leren.’ Merel hief haar lege wijnglas. ‘Op de afronding van een succesvolle dag.’
Succesvol was het zeker geweest. De vrachtwagen zat ramvol. Esther moest er nog even niet aan denken om alles morgen uit te laden; bij het idee alleen al voelde zij haar rug. Na hun eerste stop bij Louis waren ze nog langs een aantal kringloopwinkels in Brabant gereden, op zoek naar goed te verkopen tweedehands spullen. Merel leek telkens weer een object te vinden waar ze verliefd op werd. Bij iedere vondst slaakte ze een gilletje van geluk, stak haar duim op naar Esther en rekende, na het onvermijdelijke onderhandelen, af.  

Esther twijfelde, maar ging toch overstag. ‘Goed. Nog eentje, de aller-, allerlaatste.’
Merel wenkte de serveerster en bestelde een kan sangria en een grote portie bitterballen.
Verbaasd en overvallen hoorde Esther de bestelling aan. Haar beeld van één drankje was toch anders. ‘Sabotage Merel. Dit is pure sabotage.’
Met een droog gebaar stuurde Merel de serveerster weg. ‘Dit is er toch één? Eén kan sangria, olé! En deze sangria kun je niet weigeren want het is de beste van heel Brabant. En die smaakt uiteraard het allerbeste in combinatie met bitterballen voorzien van een flinke klodder mosterd. Je moet een goede vetrijke bodem leggen, anders kun je straks niet naar het hotel lopen.’
Grijnzend haalde Esther haar schouders op. ‘Daar gaan die gefrituurde bitterballen écht niet bij helpen ben ik bang.’
Geconcentreerd legde Merel een onderzetter half over de rand van het tafelblad. Ze hield haar rechterhand met de palm naar beneden onder het uitstekende deel van het bierviltje. Snel tikte ze met de bovenkant van haar vingers het viltje omhoog. Tussen vier vingers en haar duim ving ze het karton moeiteloos op. ‘Even een check en zoals ik al dacht: we kunnen deze borrel nog makkelijk aan.’ Trots wees ze naar het onderzettertje in haar hand. ‘En… wat vond je van dit weekend tot nu toe?’
‘Het was leuk,’ klonk het verbaasder dan de bedoeling was. ‘Ik heb het erg naar mijn zin gehad. Bedankt dat je dit rampenplan mee op pad hebt genomen.’
‘Mooi zo,’ zei Merel terwijl ze tevreden knikte. ‘Fijn dat je het leuk vond en daarbij: doe normaal, je bent geen rampenplan. Je hebt een fikse dip en daar kom je echt wel uit. Het is een pittige periode, maar jij gaat je daar doorheen slaan, dat weet ik 100% zeker. Wat staat er voor volgende week op de planning?’
Esther dacht aan komende week, die alweer als een belasting voelde. Morgen zou het zondag zijn en dan kwam ze thuis in een leeg huis. Ze zou soep eten uit blik, met daarin niet meer dan zeventig gram groenten. Daarna zou ze op de bank in slaap vallen. Maandag zou ze opnieuw starten met hardlopen. Dan om tien uur een gesprek met een psycholoog. Vervolgens moest er aandacht besteed worden aan het huishouden, want dat had ze de afgelopen tijd compleet links laten liggen. Haar woonkamer begon steeds meer op een stofnest te lijken en de wasmand zat overvol. Dinsdag om twee uur was het tijd voor EMDR-therapie. Woensdag zat helemaal vol. Eerst een ontspanningsmassage, dan een yogales en dan misschien ook nog naar haar vader die die week nog ergens jarig was. Wat deed ze zichzelf aan met al haar verplichtingen? ‘Therapie, EMDR en nog wat andere zaakjes om er bovenop te komen en dat allemaal het liefst zo snel mogelijk. Zoiets staat er dus op de planning voor volgende week.’
Merel keek haar spottend aan. ‘Hou eens even op. Nu je een beetje positieve energie hebt, dan moet je dat vasthouden. Ga onder de zonnebank, naar de schoonheidsspecialiste of lekker uit eten. Je zit thuis, dus je mag de tijd voor jezelf nemen en egoïstisch zijn. Je moet aan jezelf denken. Het is niet gek dat je na zoveel jaren werken een moment van bezinning kan gebruiken.’
Merel had makkelijk praten. Het label PTSS hing haar niet de rest van haar leven als een molensteen om haar nek. Een aantal maanden geleden besloot ze minder te gaan werken en een antiek- en brocantezaak te starten die, via een zelfgemaakte website en Instagram-account, liep als een tierelier. Haar fulltimebaan als hoofdagente was een pleziertje of hobby geworden waar ze de spanning vond die ze nodig had en de collega’s kon zien die ze liefhad. En daarna trok ze de deur gewoon dicht. Geen dossiers die lagen te wachten, geen verzoekjes, geen stapels e-mails. STOP! Dat was een gemene gedachte. Ze benijdde Merel om wat ze zelf niet goed kon. Loslaten, begrenzen en voor zichzelf kiezen. Ze hoopte dat Merel nooit in haar schoenen zou komen te staan.

Rond twee uur ’s nachts liepen ze gearmd, beneveld en zingend door de overdag zo drukke winkelstraat totdat ze de zijstraat met hun hotel zagen. Esther kon het strak opgemaakte bed al ruiken. Ze was kapot en was wel toe aan een goede nachtrust. Geschrokken en met een ruk draaide ze zich om toen iemand haar bil met zijn of haar hand vastgreep en er vervolgens hard in kneep. ‘Je vroeg er gewoon om,’ lispelde een dronken man, die onverwacht uit een donkere hoek tevoorschijn was gekomen.
‘Wat zeg je nou?’ Verbijsterd keek Esther om naar de man die haar achterwerk ongevraagd had beetgepakt. ‘Donder op man!’ schreeuwde ze. ‘Je moet met je gore poten van me afblijven!’

De straalbezopen man tolde op zijn benen en wees al honend naar haar heupen. ‘Als je zo met dat lekkere kontje draait dan vraag je erom. Dan wil je vastgepakt en geneukt worden. Zo gaat dat met alle vrouwen.’
Niemand raakte haar zomaar aan. Woede borrelde in haar op en explodeerde, als een Mentos in een colafles. Haar zicht werd zwart. Alle geluiden, de winkelpanden en de rest van haar omgeving verdwenen naar de achtergrond. Het enige wat ze nog zag waren de smerige, scheefstaande, gelige tanden van de man die haar zo vernederend had aangesproken. Ze vloog op hem af en sloeg hem met haar gebalde vuist vol tegen zijn kaak.
De man, die al onvast ter been was, sloeg steil achterover en viel met zijn achterhoofd op de straatstenen.
‘Smerige klootzak!’ Als een panter dook Esther boven op de gestrekte man. Ze sloeg hem nogmaals met kracht in zijn gezicht, maar de man was door zijn val tegen de stenen al buiten westen. In de verte hoorde ze Merels geschreeuw en vroeg zich af of dat voor haar was. Terwijl ze met haar benen zijdelings over de heupen van de man zat, werd ze ruw bij haar arm gepakt en naar achteren getrokken. Ze was niet van plan om te stoppen. Hij moest dood, of in ieder geval de rest van zijn leven heel veel pijn hebben.

‘Esther, jeetje wat doe je! Stop! Laat gaan. Laat die man los!’ Merel pakte ook Esthers andere arm beet en rukte haar met inspanning naar achteren. Samen vielen ze achterover en kwamen op de klinkers te zitten.
Beduusd zat Esther op de stenen en keek naar het bewegingloze lichaam van de man voor haar. Onder zijn heupen verscheen een vochtplek van urine die langzaam groter werd. Hij had de controle over zijn blaas verloren.
Toen ze dat zag, besefte Esther plotseling wat ze had gedaan. ‘Hij,’ snikte ze haperend, ‘hij moet gewoon met zijn gore klotepoten van me afblijven!’ Dikke, zoute tranen stroomden over haar wangen, terwijl haar stem hysterische uithalen maakte. Haar boosheid was nog niet volledig verdwenen, maar ging langzaam over in een gevoel van onmacht. Wanhopig staarde ze naar haar trillende handen, die ze had gebruikt om een bezopen idioot te corrigeren.
Merel voelde de verandering in Esthers emoties feilloos aan. Ze hield Esther stevig vast en was niet van plan om haar los te laten. ‘Ja dat moet hij ook,’ zei ze sussend. ‘Hij moet ook van je afblijven. Het is niet eerlijk. Ik snap dat je boos bent. Het is oké, lieverd. Je bent veilig nu, en veilig bij mij.’
Esther liet haar hoofd zakken, draaide zich om naar Merel en begon hysterisch te huilen.
Intussen kreunde de dronkenlap en kronkelde langzaam over de klinkers. Met zijn armen zocht hij steun op de stenen, drukte zichzelf omhoog en stond langzaam op. Hij leek niet te beseffen wat zich even daarvoor had afgespeeld. Hij had er waarschijnlijk ook geen idee van dat hij nu een broek aan had die zowel aan de voor- als achterkant drijfnat was. Zonder hen een blik waardig te gunnen sjokte hij naar een stenen trap en pakte een open fles Jägermeister van een tree. Al slingerend nam hij een flinke slok en verplaatste zich in de richting van de winkelstraat. Esther stopte met huilen en keek hem na.
Ook Merel had hem met haar haviksogen in de gaten gehouden. Haar stevige grip om Esthers schouders verslapte. ‘Kijk eens? Goed nieuws! Hij is in ieder geval niet dood.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Dronkenlappen vallen gelukkig soepel, dat is wetenschappelijk bewezen. Kom, we gaan naar het hotel.’ Ze stond op, pakte Esther bij haar polsen en trok haar overeind. ‘Veeg je tranen weg en probeer nu even normaal te doen. We zijn er bijna.’
Esther liet zich naar het hotel begeleiden. Bij haar kwam maar één vraag op: wat had ze gedaan? Ze had een man aangevlogen. De klap had hij verdiend, dat was oké. Maar ze schrok van haar intentie om zijn hele gezicht te verbouwen tot bloedens toe. Zijn gezicht moest verpulverd worden, en zijn huid en jukbeenderen moesten tussen de voegen van de klinkers verdwijnen. Het was een geluk dat Merel er was, anders was het anders afgelopen. Waar was haar zelfbeheersing gebleven?
Bij het hotel drukte Merel op de bel. Van binnenuit klonk een zoemend geluid, de deur ging open.
De receptioniste van het hotel keek hen kort aan, murmelde een zacht ‘slaap lekker’ en concentreerde zich direct weer op haar telefoon, waarop ze een film aan het kijken was.
Merel ondersteunde Esther op de trap naar de eerste etage. De tweede hotelkamerdeur rechts gaf toegang tot hun kamer. Met haar vrije hand haalde Merel de blauwe plastic kaart door de kaartlezer, wachtte op het piepje en het kleine groene lichtje en opende de deur. Voorzichtig hielp ze Esther naar binnen en liet haar pas los bij het bed. ‘Ga maar liggen, morgen voel je je hoop ik beter. Ik pak een glas water en twee paracetamol voor je.’
Het boxspringmatras met koele lakens was het laatste wat Esther die nacht voelde. Ze viel direct in slaap.

Hoofdstuk 8


‘Had die ouwe nog wat zinnigs te melden?’ Van de manier waarop Leiko het zei droop zijn ergernis jegens Frank en de hele situatie af.
‘Ja,’ antwoordde Marty, ‘hij had zeker interessante dingen.’
‘Tegen mij zei hij niet zo bar veel.’
‘Dat komt misschien door de manier…’ Marty zweeg even vanwege de pijnlijke situatie, zoog lucht langs haar tanden naar binnen en overwoog haar woorden zorgvuldig, ‘… waarop je het vroeg.’ Marty opende met haar dienstpas het hek naar het parkeerterrein van het politiebureau. Eenmaal op het terrein parkeerde ze de auto bij de toegangsdeur, volgens het boekje met de voorkant naar de uitgang, zodat ze in geval van spoed zo snel mogelijk weg kon rijden.
Chagrijnig stapte Leiko aan de passagierskant uit de auto. Nu Marty hem op zijn gesprekstechnieken had aangesproken had hij nog een reden om zich aan haar te ergeren. Leiko pakte zijn jas uit de achterbak en keek demonstratief op zijn horloge. ‘Het is alweer tijd, ik ga zo maar eens naar huis.’
‘Het lijkt me dat je eerst alle informatie moet verwerken, voordat je gaat.’
‘Dat kan morgen toch ook?’
‘Ik denk dat het verstandig is om het nu te doen. Nu zit alles nog vers in je hoofd en morgen gaan we verder aan de hand van de vorderingen. We moeten er nog achter zien te komen wie de aangetroffen vrouw is en wat haar is overkomen. Ze is een slachtoffer en dat heeft de hoogste prioriteit.’ Marty vroeg zich af waarom Leiko dit niet zelf besefte. Waaraan had ze dit egoïstische, luie stuk mens verdiend?
‘Goed,’ Leiko draaide zijn ogen naar boven, ‘dan doe ik dat nog.’
‘Ja, dat lijkt me beter ja.’
Zwijgend liep Leiko mee naar binnen en ging demonstratief aan de andere kant van de afdeling zitten. Daardoor was Marty genoodzaakt om zijn kant op te lopen of hem te mailen als ze een vraag voor hem had. Ze kon de energie niet opbrengen om hem ook hier weer op aan te spreken. Wat een dag en wat een eikel, dacht ze bitter. Wachtend op haar computer, die er ook vandaag weer tergend lang over deed om op te starten, keek ze nog eens naar wat ze had opgeschreven in haar notitieblok. Resumé: er was sprake van een moordzaak waarvan de identiteit van het slachtoffer nog niet bekend was. Het betrof een jonge vrouw met afgeknipt donker haar, dat rook naar zeep. Schone zeep, zonder toegevoegd parfum. Het lichaam was achtergelaten in een soort yogahouding midden in een grasveld. Het kon in deze positie gelegd zijn, maar dat hoefde niet. Er waren geen open verwondingen. Het slachtoffer had op het eerste gezicht geen mobiele telefoon, portemonnee, autosleutels of, belangrijker nog, een legitimatiebewijs bij zich.

Een mooie start voor een onderzoek, maar niet heus. Het slachtoffer was rond de vijfentwintig jaar oud en had geen opvallende, zichtbare tatoeages of piercings. De eerste indruk was een brave burger. ‘Dat denk je nou wel maar dat zegt ook niks. Tegenwoordig kan iedereen er een dubbele agenda op nahouden,’ mompelde ze in zichzelf, terwijl ze dacht aan de documentaire ‘de Tinder Swindler’ waarbij vrouwen zich compleet vergisten in hun ware liefde.
Het probleem voor nu: als het slachtoffer op zichzelf woonde, dan was de kans klein dat er een melding van een vermissing binnenkwam.
Het scherm van Marty’s pc floepte eindelijk aan. Hopend dat de vrouw toch nog bij haar ouders of bij een partner woonde, pakte ze haar telefoon en belde naar het Regionaal Service Centrum om te vragen of er nieuwe vermissingen bekend waren. Ondertussen bekeek ze op haar scherm zelf alle terugbelverzoeken die de afgelopen vierentwintig uur waren binnengekomen. Ze scrolde van boven naar beneden over de lijst meldingen, die met name over overlast door jeugd en of geluid gingen. Toen ze de hele lijst had bekeken, kwam ze tot de conclusie dat ze nog steeds geen nieuwe informatie had.
Bijtend op haar onderlip keek ze naar het plafond. Het zou toch niet zo zijn dat door het gebrek aan informatie het onderzoek zou vastlopen? Hoe zwaar zou de vrouw zijn geweest? Zestig à vijfenzestig kilo? Maximaal. Degene die haar lichaam had verplaatst was dus sterk genoeg geweest om haar op te tillen en te verplaatsen. Diegene had haar waarschijnlijk als een zak aardappelen over zijn schouders heen geworpen. De paar voetstappen die Marty in het gras had zien staan, liepen naar het einde van het grasland. De dader was alleen geweest en had haar duidelijk niet gesleept. ‘Dus. Laten we ervan uitgaan dat het een man was die…’ murmelde ze, ‘niet alleen getraind, sterk en groot is, maar ook vaker met een grote last op zijn schouders heeft gelopen. Tja, het is niet veel maar het is beter dan niets.’
Ondanks dat Marty met een analist van het DRIO, de Dienst Regionale Informatie, had afgesproken dat ze gebeld of gemaild zou worden zodra er meer bekend was, belde ze toch nog een keer voor een update. Er werd nog steeds gezocht in verschillende onderzoeken en in de lopende vermissingen. Tot nu toe had het landelijke speurwerk niets opgeleverd.
Marty maakte zich zorgen. Een stem in haar zei dat dit niet het laatste slachtoffer zou zijn. Het was zo’n expliciete setting. Het afgeknipte haar en de geur van zeep, wat betekende dat? Nog steeds dubbend opende ze het journaal dat ze dagelijks bij zou houden gedurende het onderzoek en typte in wat ze die dag had doorlopen en gedaan.
Een ouderwetse ringtoon rinkelde. Marty schrok, ook al was het haar eigen telefoon. ‘Marty Willems.’
‘Met Linda, RSC.’
‘Hey Linda. Jij bent er ook nog?’
‘Tja. Lange dag of niet?’
‘Dat kun je wel zeggen.’
‘Ik ben bang dat ik het langer ga maken voor je.’
‘Verlos me alsjeblieft van de onwetendheid. Ik zit er klaar voor.’
‘Er komt net een vermissing binnen van een vrouw. De meldster gaf aan dat haar dochter vanmiddag niet is komen opdagen. Omdat de meldster morgen jarig is, zou haar dochter blijven logeren en zouden ze de volgende dag wat leuks gaan doen. Er is op geen enkele wijze contact met haar dochter te krijgen. Ik heb de melding van de lijkvinding van vanmorgen ingelezen. Op basis van het duidelijke signalement…’ Linda ademde in, ze ging duidelijk slecht nieuws brengen, ‘... zou het zomaar de gevonden vrouw kunnen zijn. Ik hoop dat ik het mis heb, maar ik vrees het ergste.’
‘Hmm.’ Marty opende het tabblad van de meldingen waar ze eerder in had gekeken. ‘Bedankt dat je me zo snel belt en mee hebt gekeken. Zet de melding maar op mijn naam. Ik lees hem direct in.
‘Geen dank. Het is mijn werk. Sterkte ermee, meis.’

Hoofdstuk 9



Frank parkeerde zijn auto op de oprit en liep met hangende schouders naar de voordeur. Het enthousiaste getik van nagels op het laminaat kwam hem al tegemoet gesneld nog voordat hij de voordeur helemaal open had. De donkere labrador Max kwispelde opgewonden met zijn dikke staart en begroette Frank door hem bijna omver te lopen en aan zijn hand te likken. In een beweging gooide Frank zijn jas aan de kapstok, schopte zijn schoenen uit op de mat en opende de tussendeur naar de woonkamer.
‘Hey maatje,’ reageerde Frank overdreven vrolijk. ‘Hoe gaat het met jou? Heb je mij gemist?’ De viervoeter was de enige die op hem wachtte en blij was als hij thuiskwam. De verdere stilte en leegte in de woning benauwden Frank. Geen vrouw of kinderen die hem begroetten. Hij was blij dat Max er was en voor wat reuring en gezelschap zorgde.
Franks blik dwaalde af naar de trouwfoto op de schouw. Met een brok in zijn keel liep hij naar de foto en bleef daar staan. Een mooie herinnering achter glas. Om het kille huis aangenamer te maken begon hij de kachel aan te maken. Een ritueel dat hij dagelijks uitvoerde, behalve als het kwik boven de negentien graden kwam. Even een moment terug naar die gelukkige tijd, waar hij lange avonden met zijn vrouw zat te praten bij niks meer dan het knisperende houtvuur en een aantal brandende kaarsen. Ook al was ze er niet meer, dit ritueel maakte de eenzaamheid draaglijker.
Alsof Max wist dat Frank zich slecht voelde, schuurde hij zacht met zijn chocoladebruine kop tegen zijn benen. Het liefkozende gebaar was meer dan welkom. ‘Ik heb zo ook wat voor jou, jongen,’ zei Frank liefdevol, terwijl hij de trouwe viervoeter over zijn bruine kop aaide. Frank maakte geroutineerd van wat dunne stukjes hout een luchtdoorlatend hoopje. Daar stapelde hij de gekloofde blokken hout op- en tegenaan en richtte een klein gasbrandertje op de kleine houtjes. In een mum van tijd waren er kleine vlammen te zien die snel en gulzig aan het hout begonnen te likken. Nee, hij had geen aanmaakblokjes nodig.

In de keuken pakte Frank een appel van de fruitschaal en trok al draaiend het steeltje eruit. Daarna liet hij zijn arm met de appel naar beneden hangen.
Dat was voor Max het sein om de roodgele vrucht voorzichtig met zijn tanden uit Franks hand te pakken en hem mee te nemen naar zijn kussen, waar hij hem in drie smakkende happen verorberde.
Frank aanschouwde de schranspartij. Hij had eerder een hond gehad, maar nog nooit een labrador die zo gek was op appels of wortels. Het overkwam hem vroeger wel eens, dat Max de appels die hij was vergeten uit zijn tas pikte. Max keek hem dan met een schuine kop en grote, schuldbewuste ogen aan. Hij wist dat Frank dan niet meer boos kon worden.
‘Als het goed is, heb jij vandaag lekker gewandeld met het buurmeisje.’
De hond keek op en legde zijn kop meteen weer neer op het kussen. Max wist dat hij voorlopig geen tussendoortje meer zou krijgen.
Sanne, het buurmeisje, kwam een paar keer per week langs om een lang stuk met Max te wandelen. Van pup af aan was ze gek op het beest geweest en zij probeerde hem steeds nieuwe trucjes te leren. De aangeleerde trucs deed Max overigens alleen bij haar en niet bij Frank. Frank had het wel eens geprobeerd, maar zonder succes. De hoop dat Max hem een poot zou geven op commando had hij al lang opgegeven. ‘Doodliggen’ was ook zo’n commando. Terwijl hij dat uitsprak zag hij de gekortwiekte vrouw weer in het gras voor zich liggen. Het was triest dat ze op zo’n jonge leeftijd aan haar einde was gekomen. Na de vondst had hij anderhalf uur lang doelloos rondgereden. Hoe laat was het eigenlijk? Verdwaasd keek Frank naar zijn telefoon. Het was inmiddels bijna zeven uur en hij had nog niet gegeten. Hij had de lunch ook al overgeslagen. Vanuit de vriezer pakte hij een pizza en zette de oven aan. Als hij aan deze moordzaak had gewerkt had hij nu waarschijnlijk ook aan een lauwe pizza of portie chinees gezeten. Hij was dan waarschijnlijk nog aan het werk. Zou Marty nog aan het werk zijn?
Dromerig keek Frank naar Max, die nog steeds met zijn kop op zijn ligkussen lag en aan het indutten was.
Bij het geluid van de hondenbrokken die in zijn stalen voederbak kletterden, schoot Max overeind en gleed tijdens zijn sprint om zo snel mogelijk bij zijn maaltijd te komen een aantal keer uit op de gladde vloer.
‘Zit! Wacht…’ Frank wees op een plek op het laminaat en vulde de waterbak die hij naast de hond op de grond zette. ‘Wacht,’ zei hij wat dwingender.
Ongeduldig sloeg de dikke bruine staart op de planken. Max wachtte kwijlend tot Frank het teken gaf: ‘Kom maar ,jongen.’
Alsof Max in tijden niet had gegeten en daardoor helemaal uitgehongerd was, vloog hij op de brokken af. In no time had hij de voederbak leeg en ging toen door naar de waterbak. Een spoor van waterdruppels tot aan het ligkussen was het enige bewijs dat er in die paar minuten een vreet- en slobberpartij had plaatsgevonden. Max krulde zich tevreden op zijn ligkussen en begon al snel te snurken. Het waterspoor veegde Frank op met een handdoek, waarna hij die op het aanrecht gooide. Het spoor deed hem denken aan de grote voetsporen in het gras. ‘Verdorie.’ Frank schudde zijn hoofd. Hij moest de zaak loslaten. Het was niet zijn zaak en dat ging het ook niet worden. ‘Punt.’
Piep, piep. De snelwarmstand had zijn werk gedaan en de piep gaf aan dat de oven de ingestelde temperatuur had bereikt. Frank legde de pizza op het bruine bakpapier in de oven. Nog even en hij kon gaan eten. Vanavond zou hij proberen om geen bier te drinken. Als hij eenmaal begon, tikte hij het ene flesje na het andere achterover.
Het was behoorlijk gênant geweest toen Frank die week vier kratten met lege bierflessen inleverde bij de lokale supermarkt. De oudere dame die op haar beurt stond te wachten had meelevend naar hem gekeken. Het was overduidelijk dat ze hem zielig vond. Maar dat vond Frank ook van zichzelf. Hij was een zielige oude man met een drankprobleem. Een zuipschuit, een dronkenlap waarbij iets in zijn hersenen steeds een onweerstaanbaar verlangen naar drank activeerde. Kortom, hij was een alcoholist. Ooit had hij zijn leven goed op de rit. Nu niet meer en dat had hij allemaal aan zichzelf te danken.

Hoofdstuk 10



Het liep tegen middernacht. Marty deed de verlichting die ze die ochtend al had ingeschakeld, uit. Morgenvroeg zouden er genoeg werk en nieuwe uitdagingen op haar wachten.

Klokslag zeven uur zou ze weer aanwezig zijn en zou ze versterking krijgen om haar bij deze zaak te ondersteunen. Dat vooruitzicht gaf haar nieuwe hoop en energie. Ze realiseerde zich dat ze er niet alleen voor stond.

Deze dag had Marty gedaan wat ze kon. Ze was zelf naar de ouders van Sophie gegaan om hen het slechte nieuws te brengen.
Sophie, zo had de jonge vrouw geheten.
Met een diepe frons had Marty voor de ouderlijke woning gestaan. Ze wachtte tot de nietsvermoedende ouders de deur zouden openen. Ze zou hun het onvermijdelijke moeten vertellen.
Er was geen mogelijkheid om het slechte nieuws te verdoezelen of te omzeilen. Sophies moeder zag al aan Marty’s uitgestreken gezicht dat er wat gaande was. Nadat Marty haar geïnformeerd had was ze hysterisch in de armen van haar man gevallen, die achter haar in de hal stond.
De vader van Sophie stond daar wit als papier en stilzwijgend. Ook hij was overdonderd door het nieuws. Het was weliswaar nog niet definitief maar het zag er wel naar uit dat hun ergste angst bewaarheid zou worden.
Een mens kan zo verschillend reageren op vreselijk nieuws. Marty had bij het brengen van slecht nieuws mensen horen schaterlachen, watervallen van tranen zien stromen, maar ook ter aarde zien storten of zich aan haar zien vastklampen. Het besef dat geen enkele voorbereiding haar kon wapenen tegen de pijn van anderen was in de jaren gegroeid. Het belangrijkste wat ze kon doen was zorgen dat de naasten direct het nieuws te horen kregen. Zo snel mogelijk en hoe vreselijk ook. Ook deze mensen hadden het recht om te weten dat hun dochter naar alle waarschijnlijkheid was aangetroffen onder verdachte omstandigheden. Onwetendheid was misschien nog wel erger dan het weten. Het gaf geen ruimte voor rouw of verwerking.

Marty had niet alleen naar het adres hoeven gaan. Gerrie, een familierechercheur, was gezien de casus bereid geweest om mee te gaan naar de ouders, die meer nodig hadden dan een mededeling. Zwijgend stond ze naast Marty en wist wat er van haar werd verwacht. Ze zou het gezin ondersteunen waar ze kon en zo lang ze kon. De ouders zouden de confrontatie aan moeten gaan met de ergste vorm van verlies: het verlies van je eigen kind. De echte klap zou komen als ze het stoffelijk overschot van de aangetroffen vrouw zouden kunnen identificeren. De vrouw die op basis van het signalement hun geliefde dochter leek te zijn.
Voordat Marty naar Sophies ouderlijk huis was gegaan, had ze Sophie nog, zoals ze dat noemden, door de politiesystemen gehaald. Ze zag de laatst gemaakte foto van haar rijbewijs en kreeg buikpijn bij het zien van haar jonge, vrolijke gezicht. Ze herkende Sophies gelaatstrekken meteen. Er bestond geen enkele twijfel dat zij het was.

Na de herkenning van Sophie op haar rijbewijs, speurde Marty verder. Uit de beschikbare registraties bleek dat Sophie kortgeleden op het bureau was geweest om melding te doen van stalking. Sophies ex-vriend Melvin bleef haar lastigvallen nadat ze de relatie had verbroken. Melvin was nog geen twee maanden geleden bij haar ingetrokken, toen ze erachter kwam dat hij haar bedonderde met een collega van zijn werk. De vrouw in kwestie had zich zo vrij gevoeld om bij hen aan de deur te komen en Sophie alles in geuren en kleuren te vertellen.
Twijfelen had nooit in Sophies woordenboek gestaan. Daadkrachtig had ze Melvins kleding in vuilniszakken gepropt en buiten de deur gezet. Ook had ze de sloten van de woning laten vervangen, zodat hij haar woning niet meer in kon. Het appartement was haar eigendom en daar had ze keihard voor gewerkt.
De plotselinge breuk kon Melvin niet verwerken en hij bleef contact met haar zoeken. Ze liet daarop ook haar e-mail en telefoonnummer vervangen. Vanaf dat moment begon hij meerdere malen per dag door de straat te rijden en Sophie kreeg meerdere brieven met spijtbetuigingen en boeketten bloemen toegestuurd met het doel om haar terug te krijgen. Zonder resultaat. Sophies vertrouwen was beschaamd, ze weigerde elke vorm van contact.
In die turbulente tijd had Sophie regelmatig telefonisch contact met haar moeder. Ook als Melvin in de straat geparkeerd stond. Haar moeder drong er steeds nadrukkelijk op aan dat ze haar logeerspullen zou pakken en hun kant op zou komen. Ze kon er voor onbepaalde tijd blijven, maar ze bleef weigeren. Ze liet zich door niemand uit haar eigen huis jagen en koos ervoor om een melding te maken bij de politie. Eenmaal op het politiebureau had Sophie het verzoek gekregen om alle contactmomenten vast te leggen, zodat het stalkingsprotocol kon worden opgestart. De wijkagent was na de melding naar Melvin gegaan om een zogenoemd stopgesprek te voeren. Het verzoek was duidelijk. Melvin diende Sophie met rust laten en geen contact meer te zoeken.

Als een zielig hoopje mens had Melvin huilend op de bank gezeten. Hij had spijt van zijn gedrag en het vreemdgaan en zou zich aan de regels houden. Tot nu.

Hoofdstuk 11



De grijzige gevel lichtte op als een spookachtig verschijnsel, maar binnen was het donker. Alleen een enkele lamp op de eerste etage verspreidde een flauw licht. De route naar het geheim daarboven was onzichtbaar uitgestippeld. Esther wist dat ze na binnenkomst naar de eerst verdieping moest. Haar blik bleef even op de smalle trap voor haar hangen, waarna ze de drempel over stapte. De steile trap was zo nauw dat haar armen bijna de muren raakten. Langzaam besteeg ze de treden naar de enige kamer waar licht uit kwam.
Zodra ze boven aan de trap stond, dimde het licht uit de kamer. Het was een slaapkamer. Het rode, hoogpolige kleed waar ze in de gang op stond, ging ook verder de duistere slaapkamer in. Het voelde alsof er een muur stond. Er was geen keus of vrije wil. De droom dwong haar om de kamer in te lopen en gaf haar geen mogelijkheid om rechtdoor verder de gang in te lopen. Nadat Esther de slaapkamer binnen was gegaan, werden haar ogen naar de rechterkant getrokken waar een houten bed stond. Automatisch ging er een lamp aan. Ze voelde haar hart nu bonken. Het gedempte geluid achter haar linkerborst ging steeds sneller en gaf haar een onrustig en opgejaagd gevoel. Op het bed zag ze een dekbed met een beige dekbedovertrek liggen. Het stond bol en bewoog wat, alsof iemand zich vanuit zijn slaaphouding omdraaide. Weifelend stapte ze ernaartoe, terwijl ze ook naar haar handen keek. Ze zag de blauwe plastic handschoenen van het werk die ze droeg. Waar kwamen die nou ineens vandaan? Met beide handen greep ze de bovenkant van het dekbed beet en trok het met kracht opzij. Ze walgde bij de eerste blik op het vrijgekomen matras. Wat ze zag was een panorama van duizenden witte, druk krioelende maden die achter elkaar aan zaten op een bruinige plas in het midden van het ooit zo witte laken.
In een flits realiseerde Esther zich zelfs in deze droom dat er op haar broek nog steeds een koffievlek zat, waarvan de vochtige vorm leek op degene in het matras.

De witte koppen van het ongedierte zochten hongerig naar voedsel en doken als aalscholvers onder in de bruine vlek. Ze verdwenen heel even maar staken daarna als opkomend gras hun kop weer naar boven.

Esther keek op de vloer. Door het wegtrekken van het dekbed waren de al verpopte maden langs haar benen op haar schoenen en veters gevallen.
Vanaf dat moment versnelde de droom. De poppen bleven aan haar schoenen plakken en kleurden zwart. Wetend wat er komen ging stampte Esther wild met haar voeten. Wegvegen had geen zin want ze sloeg dwars door hen heen.
Alsof het volume van een radio harder werd gedraaid, werden de geluiden van de poppen intenser. Er was nu duidelijk een hard krakend geluid te horen. De bovenkant van de pophuid scheurde open en de kleine glimmende kop van een nieuwe vlieg kwam tevoorschijn. Honderden natte vliegen worstelden nu om uit hun harde omhulsel te komen. Met veel gezoem wapperden ze met z’n allen hun slijmerige vleugeltjes droog en vlogen in een donkere, dreigende wolk omhoog.

Het zoemen ging over in een oorverdovend gebrom toen ze opstegen naar Esthers gezicht en daarop landden. De vliegen wisten razendsnel de weg naar haar neus en keel te vinden. Massaal en snel kropen ze naar binnen. Met haar armen sloeg Esther rond haar gezicht om de vliegen op afstand te houden. Haar stem was ijzig stil, schreeuwen kon ze niet, alsof een onzichtbare hand over haar mond lag. Alles werd overstemd door het doordringende gebrom van de vleugels. In paniek keek ze naar de slaapkamerramen.

In de drie ramen zweefden mensen in hun eigen rechthoekige wereld. Jonge en oude mensen met bleke gezichten keken haar zwijgend en met een doodse blik aan. De mensen achter het raam schoten haar niet te hulp maar bleven wel kijken.

Het besef dat ze er alleen voor stond was pijnlijker dan de stroom vliegen die als een waterval haar longen was ingestroomd. In het weerspiegelende glas zag ze haar eigen wanhoop. Ze kon geen hulp verwachten.

Gillend schrok Esther wakker en hoorde een bekende stem op de achtergrond: ‘Het is een droom, Esther. Wakker worden, lieverd, je bent veilig. Je bent niet alleen.’ Merel zat naast haar op het hotelbed en maakte haar voorzichtig wakker, zacht strelend over haar arm. ‘Ik ben het, Merel. Het is maar een droom, het is niet echt.’

Maar een droom? Esthers ademhaling klonk alsof ze stikte, haperig en schokkend. Dit mocht geen droom genoemd worden. Deze donkere wereld was een regelrechte nachtmerrie. Badend in het zweet schoot haar bovenlichaam omhoog. Waar was ze? Waarom had ze haar kleding nog aan? Esther sloeg haar trillende handen voor haar gezicht, veegde over haar wangen en tastte haar neus en mond met haar vingertoppen af. Dwangmatig slikte ze, nog steeds voelend en denkend dat de vliegen in haar keel terecht waren gekomen. De kriebelige pootjes leken alsnog over haar lippen richting haar slokdarm te marcheren. ‘Water,’ vroeg ze met schorre stem, toen ze eindelijk Merels vertrouwde gezicht zag.

‘Ja natuurlijk.’ Merel stond op en liep naar de badkamer, gooide de tandenborstels uit het hotelglas in de wasbak, spoelde het glas grondig af en vulde het met water. Met een bezorgde frons op haar gezicht ging ze naast Esther op het bed zitten en gaf het glas aan. Esthers keel protesteerde toen ze kleine slokjes nam.

‘Gaat het wel?’ Merel nam het glas aan en zette het op het nachtkastje naast het bed.
‘Deze droom is zo echt.’ Esthers stem was nog hees van de paniek. ‘Zo vreselijk echt. Al mijn fucking zintuigen functioneerden gewoon.’
‘Wil je erover vertellen?’

Esther schudde haar hoofd. Niet omdat ze het niet wilde vertellen, maar omdat ze niet wist waar ze moest beginnen. ‘Het mag geen droom genoemd worden. Het is een zieke nachtmerrie die telkens verder lijkt te gaan. Ik voel en ik zie alles. Ik kan op dat specifieke moment helemaal niks doen! Ik sta daar maar en doe alles op de automatische piloot.’ Ze slikte. ‘Die mensen… ze hangen daar in het raam en ik weet echt wel dat ze daar niet kunnen zijn. Alle blikken zijn op mij gericht en ze staan daar maar te staan. En ook al wil ik het niet, ik moet dat dekbed wegtrekken. Ik… ik heb helemaal geen controle. Kun je je dat voorstellen?’ vroeg ze Merel met een wanhopige blik in haar ogen. ‘Helemaal geen zeggenschap over je eigen lijf en wil?’
Merel zweeg en aaide over Esthers wang. ‘Je bent nu weer wakker. Ik ben hier en er kan je niets meer gebeuren. Wil je verder vertellen? Misschien dat het helpt?’

Een rilling liep over Esthers rug. Ze was misselijk, maar wist niet of het van de droom kwam of van de drank van gisteravond. ‘In het begin, toen de nachtmerries begonnen, herinnerde ik mij niks. Ik werd alleen bezweet wakker. Ik was dan zo bang dat ik de rest van de nacht alleen met het licht aan kon slapen.’ De details van de droom verdwenen langzaam op de achtergrond terwijl ze verder vertelde. Het was de eerste keer dat ze de terugkerende droom met iemand anders deelde. Zo ver was ze bij de psycholoog nog niet eens gekomen.

‘Nee joh, wat heftig zeg.’ Merels verbaasde gezicht sprak boekdelen. ‘Ik wist dit niet.’

‘Ik kan er niets anders van maken.’

‘Wie zijn die mensen achter dat glas?’

Esther sloot haar ogen alsof ze het beeld van de zwijgende mensen voor zich haalde. Ze wist het antwoord al. Een aantal van hen herkende ze. ‘Het zijn mensen die ik tijdens het werk heb gezien. Iedere keer als ik in m’n droom naar boven ga, staan er anderen voor het raam.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ze hebben een onderling rouleersysteem.’ Ze dwong zichzelf te glimlachen, omdat het te macaber voor woorden was. ‘Het ergste is dat er ook een aantal zijn die ik niet eens ken. Wie zijn dat en waar zijn de doden gebleven die ik mij zo goed en levendig als de dag van gisteren kan herinneren? Begrijp je me?’

‘Als we dat gaan analyseren hebben we pen en veel papier nodig. Maar eerlijk gezegd denk ik niet dat je psycholoog het zal waarderen als ik indirect invloed op jouw mentale welzijn uit ga oefenen.’

‘Mentale welzijn,’ mompelde Esther sarcastisch. ‘Ik ben er helemaal klaar mee en ik wil ervan af. Het maakt mij niet meer uit wat ik daarvoor moet doen. Ik herken mijzelf niet eens meer. De angst, de woede. Ik leef niet meer.’ Gefrustreerd ging ze met haar vingers door haar haren en keek gepijnigd naar Merel.

‘Al zou het een beetje helpen. Dan is het toch goed?’ De wat-ben-je toch-zielig-blik die op Merels gezicht gedrukt stond, vond Esther vreselijk. Tranen welden op, waardoor haar keel rauw bleef. Huilen deed ze het liefst wanneer ze alleen was. Als iemand de situatie begreep dan was het Merel, maar ze mocht haar niet te veel vermoeien met haar sores. Esther voelde zich waardeloos, beschadigd en onbruikbaar. Ze was een last voor zichzelf en voor anderen. Wie ben je eigenlijk nog? vroeg ze zich af.





"Bedankt voor het lezen! Stuur gerust een reactie, je krijgt bericht terug!"

Hoofdstuk 12



Het was vijf uur in de ochtend en Frank voelde zich echt een man van middelbare leeftijd. Hij hoefde niet in de spiegel te kijken om zijn diepliggende ogen en norse gezichtsuitdrukking te zien. Gehypnotiseerd staarde hij naar de wekker, in de hoop daarmee de tijd een jaar of vijf terug te draaien. Helaas…

Het was hem gisteren weer niet gelukt om te stoppen met drinken, maar hij had minder gedronken dan normaal. Hij had vier bier en een glas rode wijn op voordat hij uiteindelijk in een onrustige slaap viel. Rode wijn zou hij niet meer moeten drinken. Daarvan werd hij baldadig en dan kwamen de domste ideeën in zijn gedachten op. Midden in de nacht gaan autorijden om mensen te bezoeken bijvoorbeeld. Als hij aan dat soort ideeën zou toegeven was het einde zoek. Dan zou hij meer verliezen dan zijn rijbewijs.

Frank draaide zich om om uit bed te stappen. Aan het voeteneind voelde hij een warm, vertrouwd lichaam. Ook Max hield niet van de eenzaamheid in huis en was ’s nachts stilletjes op bed geklommen. Hij had inmiddels een vaste plek op het dekbed. Frank zou dat eigenlijk niet toe moeten staan maar kwam niet verder dan het schudden van zijn hoofd. Ach, wie heeft er in feite last van? Hij niet en Yvon ook niet. Ze was er toch niet meer.

Hij pakte hij een papieren zakdoek uit het plastic pakje dat op zijn nachtkastje lag en snoot zijn neus. Ondanks dat het een vers lijk was geweest, waren er nog steeds ongewenste geuren van de dood in zijn neus aanwezig. Hij kreeg ze er maar niet uitgesnoten. Een diepe zucht volgde. Hij realiseerde zich dat slapen niet meer zou lukken en stapte uit bed.

Vandaag zou Max meegaan naar Franks dagbesteding. Het enthousiaste beest was dol op rondsnuffelen en aandacht. Het zou een mooi uitstapje voor hem zijn. Op blote voeten sleepte Frank zichzelf naar de badkamer en ging voor de spiegel staan. Kreunend haalde hij zijn hand over zijn hals en wangen met de opkomende stoppelbaard. Voor het werk had hij zich altijd moeten scheren. Als hij dat niet deed, werd zijn uiterlijk te ruig. Nu hij niet meer werkte, hoefde hij het niet meer te doen, en hij had er ook geen zin in. Onder de douche waste hij zijn gezicht en lijf terwijl hij een tandenborstel in zijn mond hield. Daarna zette hij de thermostaatkraan uit, want hij vond het nutteloos om te stomen onder de douche. Schoon is schoon.
Max duwde de badkamerdeur met zijn snuit open en liep sloom naar binnen om uit het afvoergootje wat water te drinken. Met een nat, bloot been duwde Frank de hond naar buiten. ‘Bah, wegwezen Max! Hier trek ik de grens, wegwezen!’ Max liet zich naar buiten duwen, waarna Frank de douchedeur dichtdeed. Weer keek Frank naar zichzelf in de spiegel. ‘Daar sta je dan, zonder werk, met je ongeschoren bakkes en je rimpels. Je wordt oud, jongen.’

Aan de andere kant van de deur piepte Max.

‘Ik kom eraan, aandachtvrager.’

Met de labrador dartelend naast zich sjokte Frank terug naar zijn slaapkamer. Uit de kledingkast pakte hij oude werkkleding en gooide die op bed. Toen hij de linker schuifdeur van de kast dichtdeed, haakte er een kledingstuk aan de onderkant vast waardoor de rechterdeur opende. Een bekende geur kwam door de beweging vrij en verspreidde zich door de ruimte. Met gesloten ogen ademde hij het emotioneel geladen parfum diep in. Het beeld van Yvon kwam naar boven.

Geen haar op zijn hoofd die eraan dacht om haar kleding weg te doen. Hij kon het niet eens. Haar truien van mohair en bloezen met schreeuwende prints hingen nog steeds op houten kledinghaken aan de rail. Yvon was gek op het Rochas Absolut parfum, waar ze zichzelf en haar kleding altijd mee besprenkelde. Met een brok in zijn keel pakte Frank een mouw van haar favoriete blauwe trui, met daarop de genaaide roze bloemen afgezet met kralen. Hij aaide teder over de zachte wol. Wat zou hij ervoor over hebben om haar nog één keer de trui te zien dragen, haar mooie glimlach te zien en haar, al was het maar even, te kunnen vasthouden. Zou hij er iemand voor vermoorden?

Van de ene op de andere dag had Yvon hoofdpijn gekregen. De pijn bleef aanhouden en leek erger leek te worden. Soms verplaatste ze zich vergeetachtig door de woning en wist niet meer wat ze van plan was. Als Frank daar dan iets van zei, kon ze scherp of pinnig reageren. Dat gedrag viel op, want het paste niet bij haar karakter. Ze was altijd zo liefdevol en zorgzaam. Altijd. Achteraf had Frank zich afgevraagd hoe lang Yvon al met het zeurende en bonzende gevoel onder haar hersenpan rondliep. Hoe vaak was ze al bijna van de trap gevallen doordat ze uit balans was? Diep in zijn hart wist hij dat ze het hem pas had verteld toen de symptomen erger werden en ze het niet langer meer voor hem kon verbergen.

Als de dag van gisteren herinnerde hij zich dat Yvon stond te koken en zij plotseling de pan, met inhoud en al, vanaf het gasfornuis in de wasbak liet kletteren. Verbijsterd had hij naar haar gekeken. Dat was het begin van de langzame aftakeling van Yvon, waardoor hij haar op bepaalde momenten niet meer als de oude Yvon herkende.

Glimlachend dacht Frank aan hun eerste ontmoeting. Hij was op slag verliefd. Het was een bliksemschicht, een schok door zijn lijf, die gepaard ging met knikkende knieën. Het deed hem denken aan de liefde tussen William Shakespeares Romeo en Julia. Het enige wat hem destijds ontbrak was een schop onder zijn kont en de moed om haar aan te spreken. Met zijn negentien jaar vond hij zichzelf al een hele vent. Vanaf de zijkant van de speelplaats, waar je ongeacht je leeftijd samenkwam, had hij stoer van zich af staan kijken. Yvon zat met haar vier zussen op een van de oudste, en inmiddels afgekeurde, klimrekken uit de buurt.

Zij was een Indische schone met gitzwart haar dat tot ver op haar rug hing. Destijds was ze zeventien jaar oud. Naast de buurtkinderen dartelden ook haar nog heel jonge broertjes om haar heen. Als oudste dochter had ze de taak hen mee op pad te nemen. Vanaf een afstandje leek het net een schoolklas met kinderen van verschillende leeftijden. Ondanks de drukte, zag Frank alleen haar.

Frank was met zijn vier broers op pad. Hij, de derde in de rij, was niet verder gekomen dan onbeholpen naar haar zitten staren. In die periode had hij halflang haar. Dat was vooral leuk om zijn vader dwars te zitten. Nu hij zich er bewust van was dat Yvon hem kon zien schaamde hij zich voor het eerst voor zijn uiterlijk. Hij besefte op dat moment hoe nonchalant hij er uitzag en hoe hij kon overkomen. Een kwajongen die het leven niet serieus nam. Toen zijn jongere broer Ivo aangaf dat hij op de zussen af zou stappen, was Frank snel naar haar toe gesneld en begonnen over het weer. Iets beters kon hij niet bedenken. ‘Lekker weertje hè?’ Hij had opgekeken naar de zon, waarbij hij zichzelf even verblindde en Yvon wazig had gezien. Hij had het gegrinnik gehoord. Met één dichtgeknepen oog had hij er vast onnozel uitgezien.  
‘Ja. Heel erg,’ had Yvon geantwoord. Giebelend had Yvon tussen haar zussen gezeten, die haar om de beurt aanstootten. Alle vier hadden ze lang haar, maar hun gezichten hadden elk hun eigen unieke, oosterse trekjes. Een fotograaf had het tafereel ongetwijfeld op de gevoelige plaat vast willen leggen. Vier tropische meiden in een stuk bos met een afgekeurde speeltuin tussen een aantal blonde boerenkinderen.

‘Hoe heet je?’

‘Yvon.’

Verlegen had ze haar handen in haar schoot gelegd, waardoor haar rok langs haar been een stuk omhoogschoof. Meteen zag Frank haar beschadigde knieën, die onder de krassen en korsten zaten. Om haar linkerknie zat strak een stuk stof gebonden. ‘Wat heb je gedaan?’ vroeg hij geschrokken.
Met het schaamrood op haar kaken vertelde ze dat een boerderijhond haar onderweg omver had gelopen. Het had flink gebloed en met een afgescheurd stuk van haar onderrok had ze het verbonden.
De jongste zus Coletta was nog geen één meter zestig lang, maar ze had wel het hoogste woord. ‘Weet je wat het echt was? Vonnie dacht dat ze langs de boerderij kon rennen en sneller was dan de hond. Ze had dik verloren.’ Het kleine brutaaltje van een jaar of negen wees op haar borst. ‘Ik zag het zelf!’
Yvon maakte geen verdere woorden vuil aan Coletta’s uitleg en haalde haar schouders op. ‘Gewoon een beetje pech.’
‘Mag ik?’ vroeg Frank, terwijl hij op één knie voor haar op de grond was gaan zitten. Twijfelend was Yvon wat achteruitgeschoven. Frank snapte het wel. Als een vreemde, met lang blond haar en een paarse broek met wijd uitlopende pijpen zou vragen om naar zijn gewonde knie te kijken, zou hijzelf ook hebben getwijfeld.
Toch liet ze het toe. ‘Ik denk het?’
Frank had de met bloed bevuilde lap voorzichtig losgeknoopt. Een brede snee werd zichtbaar. De wond had iets open gestaan en was gekarteld langs de randen, waardoor het wel pijn moest doen. Yvon gaf geen kik. Voorzichtig depte hij het vuil weg en pakte een grote schone zakdoek, die hij die ochtend van zijn moeder had gekregen. Hij vouwde de zakdoek een aantal keer dubbel. Vervolgens scheurde hij een nog schone strook stof van Yvons deels vuile lap af en vouwde die behendig in het midden van de zakdoek. Het dikke verband bond hij weer om haar knie.
‘Lelijke plek,’ had Frank gezegd, terwijl hij met een grimas op haar been had gewezen. ‘Wel goed schoonmaken thuis.’
‘Ja.’ Yvon knikte kort en licht. ‘Dank je wel.’ Een sprankeling verscheen in haar amandelvormige ogen, waarbij ze hem nieuwsgierig van dichtbij bekeek. ‘Hoe heet je?’ ‘Frank.’
‘Frank,’ herhaalde Yvon zacht, terwijl ze verlegen naar hem lachte.
Toen Frank ’s avonds in zijn bed lag, zag hij die lach telkens weer voor zich. Hij kon er niet van slapen en hij wilde die lach het liefst de rest van zijn leven zien. Dat zeventienjarige meisje was de vrouw met wie hij de rest van zijn leven gelukkig samen wilde zijn. Vonnie.

Hoofdstuk 13




De vieze nasmaak van het weekend bleef hangen, als losgelaten haar in een doucheputje. De terugreis naar huis verliep vooral zwijgend. Nadat Esther haar hart had uitgestort bij Merel was ze leeg. Ze had niet de behoefte om nog verder over haar persoonlijke wel en wee te praten. Ze reden eerst naar Merels magazijn, waar Esther haar hielp met het uitladen van de meubels. Daarna reed Merel haar naar haar eigen huis. Ze kroop nog rillend van de spanning meteen in bed om daar voorlopig niet meer uit te komen.
In de ochtend was er werk aan de winkel. Als ze terug wilde naar een neutrale en stabielere basis, moest ze zorgen dat ze de dag gezond begon. Om zich geestelijk en fysiek moe te maken stond ze vroeg op. Na een snelle douche nam ze haar kom yoghurt met door haar zelf samengestelde muesli. Vervolgens ging ze hardlopen. In plaats van de standaard zeven kilometer liep ze er tien. Na de drie bonuskilometers finishte ze over een denkbeeldige lijn. Haar lichaam en geest waren nu rustiger en beter in balans. Voor vandaag was het voldoende. Ze had eruit gehaald wat erin zat.
Haar afspraak met de psycholoog had ze op het laatste moment afgezegd. Aan het scherpe randje in haar stem en de korte antwoorden van de psycholoog hoorde ze dat die het er eigenlijk niet mee eens was. En terecht. Esther had een smoes over een besmettelijke griep met koorts bedacht, maar ze voelde dat de psycholoog haar niet geloofde. Ze kon het echter op dit moment niet opbrengen om te gaan. In de afgelopen nacht was de nachtmerrie, hevig als altijd, teruggekomen. Weer had de angst haar wakker gehouden. Toch was het deze keer anders, want ze had zich op de droom voorbereid. Voordat ze in slaap was gevallen had ze met zichzelf afgesproken om op de details te letten en deze te onthouden als ze wakker werd. Ze wilde ze zo gedetailleerd mogelijk opschrijven. Het was deels gelukt: dit keer had Esther zich bij het naar boven lopen in haar droom gefocust op de zwijgende mensen in de ramen. De eerste drie herkende ze al voordat haar handen naar het bed werden getrokken om het dekbed vast te grijpen.
De eerste persoon die ze herkende in het raam was de man van de allereerste lijkvinding die ze tijdens haar politiewerk had gehad. Het slachtoffer was een student die was gevonden door zijn drie huisgenoten. Beneveld na een avondje stappen waren de drie thuisgekomen en hadden hem ontkleed aan de trap zien hangen.
Hou oud was ze toen geweest? Een jaar of negentien? Esther was nog geen jaar bezig met de opleiding, toen ze als groentje de smalle trap van de maisonnette op werd gestuurd. Zenuwachtig was ze omhooggelopen, niet wetend wat haar te wachten stand. Ze had het levenloze lichaam van de man pas gezien, toen ze na een tree of zeven naar rechts keek. Het hangende lichaam, op nog geen halve meter van haar vandaan, had door de tocht van een openstaand raam langzaam bewogen. Van schrik greep ze zich vast aan de plakkerige trapleuning en kon zo maar net voorkomen dat ze achterover naar beneden viel. Zwijgend was ze naar beneden gelopen en had gedaan alsof er niets aan de hand was. Gierend van het lachen hadden haar collega’s beneden gestaan. Aan haar ogen was echter te zien dat ze geschokt was. Dat had ze niet kunnen verbloemen.
Het was Esthers eerste ervaring met een zielloos, naakt lichaam. Ook was het een confronterende kennismaking met de zwartgallige, scherpe, politiehumor. Humor als verwerkingsmechanisme, die zich gedurende de jaren ook bij haar als een tweede natuur zou gaan ontwikkelen.

Ze kende zijn naam weliswaar niet, maar hij was haar eerste en stond zodoende voor altijd in haar geheugen gegrift.
De tweede die zij in het raam had herkend was een vrouw van in de veertig die al sinds haar puberteit depressief was geweest. Al in haar jeugd had ze meerdere pogingen tot zelfdoding gedaan. Uit het leven stappen leek voor haar de enige ontsnappingsmogelijkheid. Tot dan toe was iedere poging door tussenkomst van een bekende of politie voorkomen.
Op de dag dat het haar lukte, had haar moeder de politie gebeld. Ze kon de woning van haar dochter niet in komen. De huissleutel zat aan de binnenkant van de voordeur in het slot. Na meerdere keren op de bel te hebben gedrukt, door de brievenbus te hebben geroepen en wat wrikken aan de deur had ze het opgegeven. Ze wist dat ze de woning niet zomaar zou binnenkomen én haar dochter niet meer levend zou zien. Als moeder voelde ze, op het moment dat ze de politie belde, al intuïtief aan dat haar dochter dood zou zijn.
Aanrijdend naar de melding had de collega met wie Esther een late dienst had, aangegeven dat hij ruim honderd lijkvindingen had gehad. Hij vond het geen probleem om via de schutting naar het balkon omhoog te klimmen, ook niet als hij dan een lichaam aantrof. Soepel had hij zichzelf als een ervaren inbreker omhoog geslingerd en was naar binnen gegaan. De treurige blik die hij vervolgens naar Esther wierp sprak boekdelen: ze waren te laat.
De jonge vrouw had een zak om haar hoofd gebonden en een touw dat haar gewicht kon dragen om haar nek gelegd. Na veertien pogingen in haar jonge leven was het haar nu eindelijk gelukt. Een tweede koppel collega’s kwam ter plaatse. Ongemakkelijk hadden ze met vier man om haar hangende lichaam heen gestaan. Omdat het lichaam nog warm was, overlegden ze snel of ze haar nog moesten reanimeren. Ook al wisten ze dat het geen zin zou hebben en de vrouw het zelf ook niet had gewild, toch besloten ze unaniem dat ze het zouden proberen.
Nadat ze haar voorzichtig uit haar eigengemaakte strop hadden gehaald en op de grond hadden gelegd, waren ze begonnen met de reanimatie. Esther deed de hartmassage en het geluid van de brekende rib onder haar handen ging haar door merg en been. Op de achtergrond gaf de monotone vrouwenstem van de AED steeds weer hetzelfde bericht: ‘afstand houden, geen schok geadviseerd, ga door met reanimeren.’ Het was frustrerend, ze wist dat het geen zin meer had.
Het redden van levens was ook een deel van het werk van een diender, maar deze vrouw wilde niet meer… hoelang moesten ze doorgaan met reanimeren? Hadden ze genoeg gedaan? Al snel verschenen er twee ambulances en de verpleegkundigen namen de reanimatie over. Het mocht niet baten.
Nog steeds in het huis van de dochter moest Esther het slechtnieuwsgesprek voeren. Ze nam plaats op de bank tegenover de moeder op wiens gezicht alleen rust te lezen was. De kleine, fijne lijntjes van stress leken door Esthers aanwezigheid uit haar gezicht te trekken.
‘Uw dochter is helaas overleden, gecondoleerd. Wij vinden het heel erg voor u. Kunnen we misschien iemand voor uw bellen om u bij te staan?’
‘Nee, jullie hebben jullie best gedaan. Bedankt voor alles, het is goed zo.’ Haar hele leven had de moeder zich om het welzijn van haar dochter bekommerd. Haar dochter was al heel lang geestelijk ziek. Al haar moederlijke zorgen en inzet hadden niet mogen baten. Na het horen van het slechte nieuws maakte de vrouw zich vooral zorgen om de dieren die haar dochter achterliet. Twee grijze roodstaartpapegaaien, drie poezen met obesitas en een kwijlende boxer. De hond presteerde het om in Esthers bijzijn voortdurend stinkende scheten te laten.
Destijds kon Esther er prima mee omgaan dat de reanimatie niet gelukt was, omdat ze wist dat het slachtoffer na een lange lijdensweg van depressie nu rust had gevonden. En nu was ze ineens teruggekeerd. In Esthers dromen.
De derde persoon in het raam lag op het puntje van haar tong, maar ze kon de man van middelbare leeftijd niet plaatsen. Dat schoot haar vast gedurende de dag te binnen. ‘Die honderd doden,’ mompelde ze, terwijl ze in gedachten probeerde een voorstelling te maken van het aantal lijkvindingen dat haar collega had gedaan. Voor de beeldvorming plaatste ze de slachtoffers allemaal naast elkaar in een vliegtuig. Zelf was ze ook de tel kwijtgeraakt hoeveel ze er had gezien. De meesten kregen een plekje ergens op de achtergrond en sommigen staken net als de gulzige maden hun kop weer op. Zou dat het zijn? Stonden de maden voor het aantal doden? Of stonden de vliegen voor wat zij en haar collega’s dagelijks meemaakten? Misschien.


Nu had ze besloten om haar zinnen te verzetten met een nieuwe uitdaging. Ze daagde zichzelf uit, pepte zichzelf op. ‘Ha! Probeer het maar! Makkelijk zal het niet gaan meid, maar je moet doorzetten,’ zei Esther, gewapend met een schaar en een schroevendraaier. Op de vloer voor haar stond de antieke fauteuil die ze met Merel uit België had gehaald. Wat had ze zichzelf nu weer op de hals gehaald? Waarom had ze zich in hemelsnaam deze stoel aan laten smeren? Ja, hij was gratis met mooi houtsnijwerk, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Ze had geen idee waar ze moest beginnen.
De anderhalfzitter met negen stoffen knopen leek haar treiterend toe te roepen: je kan het niet, je durft niet, je gaat falen!
‘Dat dacht jij! Maar ik laat me niet op de kop zitten door een gedateerd, uit elkaar vallend meubelstuk. Ik zal je eerst even laag voor laag uit elkaar halen.’ Van de bank pakte Esther een zitkussen en legde de rugleuning van de zware stoel erop. Met de platte schroevendraaier wrikte ze de meubelnagels er voorzichtig uit. Na de vierde nagel schoot ze uit. Met de punt van de schroevendraaier stak ze zichzelf in haar linkerhand, die ze tegen het hout had gedrukt om extra kracht te zetten. ‘Bliksem, de tandjes!’ De kleine snee bloedde meteen maar was gelukkig oppervlakkig. ‘Lekker lomp. Goed, daar moet ik dus voor oppassen.’ Nadenkend keek ze haar woonkamer rond. Het moest makkelijker kunnen, zonder dat straks haar hele hand onbruikbaar was omdat die vol sneeën zou zitten. Gepijnigd stak Esther de zijkant van haar bloedende hand in haar mond. Ze hoopte dat ze geen honderd jaar oude bacteriën zou oplopen en een vinger langzaam af zou sterven.
In de woonkamer stond een zwart tv-meubel met een la, die ze gebruikte voor alle kleine spullen die in huis rondslingerden en snel opgeborgen moesten worden. De la klemde en maakte een weerbarstig geluid toen ze hem opentrok. De geur van metaal en geolied hout kwam vrij. Het gereedschap dat ze had geleend van haar vader, omdat ze dat ooit nodig had gehad, lage al lange tijd onaangeroerd in het donker. Ze rommelde met haar handen in de la en bekeek wat erin lag. Ze was verrast: ze had meer gereedschap dan ze dacht. Met een nijptang en een kniptang moest het lukken om de klus te klaren. Mocht het niet lukken, dan moest ze naar een bouwmarkt voor extra gereedschap.
‘Goed, daar gaan we.’ Voorzichtig knipte Esther met de kniptang om de roestige meubelnagels heen en wrikte ze stuk voor stuk uit het geoliede hout. De nagels waren groen uitgeslagen, verweerd en krom aan de onderkant. Die zou ze niet kunnen hergebruiken. Om haar heen verscheen langzaamaan een berg met nagels, nietjes, stof en vulling. Laag voor laag pelde ze de stoel verder af als een ui, tot er van het zitvlak niets meer over was dan het kale, houten geraamte. Ook de spijkers van de singels hadden hun beste tijd gehad en waren deels vergaan. Als kroepoek braken ze in haar handen af op het moment dat ze ze losmaakte. Ze pakte een van de verroeste veren en drukte die tussen haar handen samen. Van de veerkracht was weinig over. Esther tuitte haar lippen. Ze realiseerde zich dat dit nog maar het makkelijkste gedeelte van de make-over was. Ze had geluk dat de rugleuning van jute nog zodanig stevig was dat ze die niet hoefde te vervangen en ze daarop verder kon stofferen. ‘En nu?’ Ze had geen idee. ‘Eerst research.’ Ze schonk zichzelf een glas groene thee in en ging met haar telefoon op de grond tegen de bank zitten. Met haar duim toetste ze ‘oude stoel opknappen ambacht’ in. Direct verschenen de zoekresultaten in beeld. Ze begreep wat ze nodig had: singels, zes nieuwe veren, kaaskatoen, een nieuw stofje, vulling en als laatste nieuwe nagels of afwerkband. De hele bestelling gooide ze in het online winkelwagentje. ‘Hoeveel stof heb ik nodig?’ Ze had nu alleen nog maar een frame. Alles moest opnieuw gestoffeerd worden.
De fauteuil stond met smart te wachten op nieuwe leuningen, zitting, rugleuning en achterzijde. Zou zeven meter genoeg zijn? Door met gespreide armen naast het meubel te gaan staan maakte Esther een ruwe schatting van de afmetingen,. Ze verdubbelde de som van het aantal gespreide armen dat ze verticaal, horizontaal en geknield had geteld. Gewoon voor het geval dat. Ze voegde ook nog jute en karton toe aan de bestellijst en keek vervolgens geschokt naar het totaalbedrag wat op haar scherm verscheen: zesennegentig euro! ‘Wat een geld en dan moet ik het nog zelf maken ook. Meid, waar ben je aan begonnen?’ Vermoeid leunde ze achterover tegen de zitting van de bank en slobberde haar hete thee luid naar binnen. Marktplaats! Geconcentreerd liep ze het winkelwagentje van de website na en zocht dezelfde artikelen nogmaals op via de zoekmodule van deze app. Stof en veren werden daar ook aangeboden. Ze klikte op een foto waarbij ze twintig meubelveren achter elkaar zag staan. De veren stonden te koop voor twee euro per stuk in plaats van drie. Grijnzend klikte ze door naar de overige advertenties van de verkoper. De andere artikelen die ze nodig had kwamen in beeld. Omdat het veertig euro scheelde, besloot Esther om daar haar bestelling te doen. Als het opgehaald kon worden was het dertig minuten rijden en kon ze van het geld dat ze bespaarde gaan lunchen. Als ze dat durfde. Snel tikte Esther een bericht aan de verkoper, waarbij ze alle spullen bestelde en vroeg of alles nog op voorraad was.

Het groene vinkje lichte op. Het bericht was direct gelezen.

Esther wachtte ongeduldig.
Wilt u het ophalen of zal ik het verzenden?
Blij verrast tikte ze een bericht terug: Ophalen als dat kan. Misschien wat kort dag, maar zou het vandaag kunnen?
Geen probleem. Ik ben de hele dag thuis.
Goed. Als u een adres doorgeeft, dan kom ik er zo aan.
Betaling graag contant. Het is totaal 50 euro. Ik geef veertig centimeter groen velours extra aan je mee. Daar heb ik niks meer aan. Die is dan op.
Wat fijn! Ik ga contant geld regelen. Bedankt, tot zo.

Hoofdstuk 14



Honden hebben geen ochtendhumeur en ook geen koffie nodig om te functioneren. Het was de keiharde waarheid. Dolenthousiast sprong Max uit de auto, ging met zijn poten door de houtsnippers en de drassige grond om vervolgens iedereen te begroeten die aandacht voor hem had. Hij probeerde een aai te krijgen van degenen die hem negeerden. Blaffen deed hij gewoonweg niet, dat had hij nog nooit gedaan. Max vond alles leuk en genoot in stilte. Alles was goed als hij maar kon autorijden, appels eten en aan nieuwe mensen en plekken kon snuffelen.
‘Goedemorgen allemaal.’
De mensen aan de houten 6-persoons picknicktafel keken onderzoekend naar Frank, die achter Max aankwam. Aan de gespannen gezichten zag Frank dat ze geen van allen durfden te beginnen over zijn vondst van de dag ervoor.
Frits, die aan de kop van de tafel zat, doorbrak de pijnlijke stilte. ‘Goedemorgen, de koffie is al gezet. Pak een bakkie en kom erbij zitten. Je hebt aardig wat te vertellen volgens mij.’
Was het echt pas gisteren dat hij het lijk had gevonden in het gras? Niet zo gek dus dat de anderen nerveus waren om Frank aan te spreken. Maar waarom voelde deze situatie zo onwennig voor hém? Misschien omdat het de eerste keer was dat hij iets echt persoonlijks zou gaan vertellen aan deze mensen, die met hetzelfde kampten als hij. ‘Ik kom eraan. Als de anderen het oké vinden dan wil ik wel wat delen over gisteren.’
Het initiatief van twee collega’s, die deze manier van samenkomen waren gestart, was in zijn ogen geweldig, maar als er nieuwe mensen bij kwamen vond hij het altijd spannend. Vreemd eigenlijk, want hij kon zich geen veiligere omgeving voorstellen en kon hier zichzelf zijn. Niks was te gek en alles was in het werk gesteld om weer mens te worden en senang met zichzelf. ‘Senang,’ ook weer een door Yvon regelmatig gebruikt woord dat hij had overgenomen.

Als een fata morgana doemde Yvons sierlijke verschijning voor hem op. Ze zat op de houten veranda die hij eigenhandig voor haar had gebouwd. Hij deed alles om haar gelukkig te maken en te zien lachen. Hij zag haar voor zich, met opgetrokken knieën half onder een deken met een kop koffie op een van de stoelen. Keer op keer dezelfde woorden: ‘Lekker hè, lieverd? Zo gezellig, zo samen.’
Het volgende moment zag Frank haar voor de ovale spiegel, waar ze zorgvuldig met een kohlpotlood een lijntje boven haar bruine, amandelvormige ogen trok. Het was de enige make-up die ze dagelijks gebruikte, al vond hij dat ze die met haar natuurlijke schoonheid helemaal niet nodig had.
Yvons silhouet vervaagde en kwam in een andere scene weer tot leven. Dit keer zag hij haar uitbundig dansen op muziek in de keuken. Daarna zag hij die keer voor zich dat hij gekraak had gehoord en het geluid naar de garage was gevolgd. Daar betrapte hij Yvon, terwijl ze in haar eentje een zak met rempeyek leeg zat te snoepen. Ze was dol op lekkernijen en ze had de pittige, met pinda’s bezaaide Indonesische crackers dan ook niet kunnen weerstaan toen ze boodschappen deed. En toen zat ze dus al te snoepen uit de zak. ‘Frank, het is zo lekker om die pinda’s eraf te knabbelen. Ik heb nog een stukje over? Wil jij dat? Neem maar.’

Van die gewone, simpele, dagelijkse dingen waren nu zo belangrijk voor hem geworden. Waarom had hij zich dat nooit eerder gerealiseerd? Dan had hij er meer van genoten en die tijd bewuster gekoesterd.
Vandaag wilde hij aan Frits en de anderen voorstellen om een keer Indonesisch voor hen te koken. Dan zou hij over Yvon kunnen vertellen en misschien ook hoe erg hij haar miste. Elke dag weer, dacht hij triest. Met de mok in zijn hand sloot hij zijn ogen en zag haar weer. In de keuken stond ze te koken, in het kookschort dat ze voor haar verjaardag had gekregen. Ook al was het jaren geleden, hij rook nog steeds de geur van gebakken knoflook, zelfgemaakte pittige sambal, rijst en de stinkende trassi die onmisbaar waren voor haar Indonesische keuken. Het huis vulde zich binnen een mum van tijd met de geuren van haar geboorteland. Een andere wereld, die Frank dankzij haar leerde kennen. Na hun huwelijk had Yvon haar kapsel korter geknipt, maar haar haar was nog lang genoeg om er iedere ochtend een knot van te draaien die ze laag of hoog op haar hoofd droeg. Al flirtend draaide ze zich naar hem om en knipoogde, ‘Daar krijg je trek van hè? Nog even geduld. Niet uit de pan pikken hoor.’
Natuurlijk kon Frank het toch niet laten om uit de pan te snoepen. ‘Ik kan er niets aan doen. Het ziet er heerlijk uit en het eten ook.’

Giechelend zwaaide Yvon dan de houten spatel door de lucht en rende naar Frank toe alsof ze hem een tik zou geven. ‘Een boef ben je. Hup, uit mijn keuken jij!’
Die mooie tijden waren nu voorbij. Het enige wat hem geruststelde, was dat er ooit een moment zou komen dat ze weer samen zouden zijn. Yvon geloofde daar heilig in, net zoals zij geloofde in de geesten of engelen die haar zo nu en dan bezochten, zoals ze zei.
Frank had er geen beeld bij. Als nuchtere Hollander vond hij het zogezegd quatsch, zelfs als de vrouw van zijn leven hierover sprak. Totdat er in huis een aantal dingen gebeurden, waar zelfs hij geen verklaring voor had.
Dan zat Yvon bijvoorbeeld te lezen, keek rustig op van haar boek en knikte. Als vervolgens de lampen spontaan begonnen te knipperen, vond ze zijn verbaasde blik en keek ze liefdevol naar hem. ‘Niks aan de hand schat. Het is goed. We krijgen even de groeten.’
Frank hoorde het haar nog zeggen, maar de herinnering werd onduidelijker hoe meer de tijd verstreek. Haar stem vervormde in zijn hoofd en ook haar gezicht vervaagde. Op zulke momenten pakte hij een foto van haar om zijn geheugen op te frissen en luisterde naar haar voicemail. Dan hoorde hij weer haar zachte zijden stem. Haar telefoonabonnement hield hij aan, want er mocht niks van haar leven verloren gaan.
Het was pijnlijk. Frank had een teken van haar verwacht nadat ze overleed. Niks. Hij had verwacht dat ook nu de lichten zouden knipperen of dat er vlinders op het raam zouden neerstrijken, zoals vaker gebeurde toen ze leefde. Een teken dat ze goed terecht was gekomen en hij zich niet zou blijven afvragen of ze senang was op de plek waar ze nu was.
‘Frank, ben je de pot leeg aan het drinken? Kom naar buiten, jongen, het is lekker weer en we mogen zo aan de slag.’
‘Je hebt gelijk. Ik ga met je mee.’
Frits was een van de eersten die bij de stichting was gekomen. Nadat hij werkzaam was geweest bij de Koninklijke Marechaussee had hij jarenlang bij de politie gewerkt. Het was voor hem een logische overstap geweest. Maar nog steeds sprak hij lovend over de tijd bij de KMAR, die Frank zelf vroeger gekscherend ‘Gods eigen wapen’ noemde. Tijdens zijn militaire diensttijd was Frits een aantal keren een half jaar of langer uitgezonden geweest. Over die uitzendingen sprak hij niet veel.
Frank herkende bij Frits dezelfde trekjes die hij ook had. Soms leken ook Frits’ gedachten af te dwalen naar een andere tijd ergens in het verleden. Frank zag de wijze en soms emotieloze ogen die te veel hadden gezien en meegemaakt.
De laatste keer hadden ze hier op de boerderij samengewerkt aan een project waarbij een kabouterhuisje gebouwd moest worden. Frits was een verhaal uit zijn verleden begonnen, maar halverwege brak hij het verhaal af. Hij kreeg het met geen mogelijkheid verder over zijn lippen.
Frank had een arm om hem heen geslagen en alleen maar gezegd dat het oké was.
‘Stapels doden, echt stapels Frank. Ik kon mijn ogen niet geloven,’ had Frits gezegd. De rest van de dag had hij alleen maar met zijn hoofd geschud en niet meer gesproken.
De woorden van Frits waren herkenbaar voor Frank. Hij had ze eerder gehoord.
Zijn vader sprak sporadisch over het zien van stapels lijken. Zijn vader was tijdens de Tweede Wereldoorlog tewerkgesteld in Duitsland. Na het einde van de oorlog was hij vanuit het werkkamp in Duitsland naar huis gelopen. Die periode had een flinke uitwerking op zijn geestelijke toestand gehad. Hij ging aan de drank en bij het geluid van een laag overvliegend vliegtuig kroop hij in paniek onder de eettafel. Frank wist niet wat zijn vader nog meer had gezien in die tijd, maar het moesten vreselijke dingen zijn geweest.
Frank begon zich zo langzamerhand af te vragen of PTSS ook genetisch bepaald was. Als zijn vader het zou hebben, en hij nu, zou hij dan ook de basis hiervan hebben doorgegeven aan zijn eigen kind?
‘Gaat het?’ vroeg Frits vriendelijk, toen ze naar buiten liepen.
‘Ja, laten we het erop houden dat het een bijzondere setting was gisteren.’
‘Wil je er wat over kwijt?’
‘Ik denk toch niet dat ik wil. Vooral omdat we het hier zo goed hebben en ik deze plek niet wil associëren met negativiteit. We willen mooie dingen creëren en hebben allemaal onze portie al gehad. We kunnen niet altijd stilstaan bij alle ellende.’
‘Zo had ik er nog niet over nagedacht,’ reageerde Frits.
Frank glimlachte en nam een slok koffie. ‘Om je eerlijk te zeggen was ik wel van plan om wat te zeggen, maar deze ingeving werd mij net ingefluisterd.’
De overige aanwezigen zwegen. Niemand wist wat te zeggen. Daarop klapte Frits in zijn handen en zei: ‘Heren, dame en hond, laten we dan maar aan de slag gaan. Het is een mooie dag.’

Hoofdstuk 15



Het was rustig op de snelweg en de kilometerteller liep lekker op. Esther genoot van de snelheid die de motor een suizend geluid gaf. Niemand op de weg, dus ze kon best wat harder rijden dan de toegestane 100 kilometer per uur. De snelheid gaf haar het gevoel dat ze vrij was en echt leefde. Terwijl ze het gaspedaal nog een klein stukje verder indrukte, zag ze een mobiele flitser over het hoofd. ‘Kut, kut, kut,’ zei ze hardop, terwijl ze op het stuur sloeg.
Het was maar goed dat haar moeder haar niet hoorde. Die had haar dan gemeend maar ook liefdevol een tik gegeven. De laatste keren stonden haar nog vers in het geheugen gegrift.
‘Vloeken staat niet netjes voor een meisje en loop nou niet zo snel, je lijkt wel een boerin met klompen soms.’ De andere keer zei ze: ‘Deze dingen leer je zeker van je vader hè? Die man is zo lief, maar die vuilpraterij krijg ik er maar niet uit.’
Haar moeder was altijd lief en nooit echt boos. Na zo’n terechtwijzing kon ze het volgende moment alweer passioneel vertellen over de avonturen die ze die dag had beleefd. Over haar groentetuin en de dieren die erin rondliepen of over familieleden, zoals tante Juul, die altijd over zichzelf sprak in de derde persoon. De helft van die verhalen was ongetwijfeld verzonnen, aangedikt en soms zelfs eng, maar ze waren zo beeldend dat ze eigenlijk gebundeld hadden moeten worden.
Vroeger, toen Esther nog thuis woonde, genoot ze van die verzonnen gebeurtenissen en liet zich gewillig meezuigen in de verhaallijnen. Om haar moeder aan het vertellen te krijgen, gedroeg ze zich zo braaf als ze kon en deed kleine klusjes. Die klusjes moesten natuurlijk niet te lang duren. Een heitje voor een verhaaltje. Een populair klusje was het sorteren van de sokken uit de wasmand. Haar moeder spaarde de sokken altijd op tot ze minimaal een halve mand vol had. Misschien deed haar moeder het wel expres, omdat ze het ook wel gezellig vond om samen met haar dochter de sokken paar voor paar uit te sorteren. Dat kon bijna niet anders.
De afslag eindigde in een scherpe bocht naar rechts. Daarna kwam ze bij de verkeerslichten en dan was het nog een minuut of vier rijden. Ze volgde nu een lange, soms slingerende weg door de groene, uitgestrekte landerijen. Hier moest ze haar snelheid meer dan halveren.
Esther was nieuwsgierig naar de verkoper waarmee ze alleen via haar smartphone contact had gehad. Als hij net zo vriendelijk was als Louis, dan zou het gezellig kunnen worden en kon ze een nieuwe aankoop en een goed gesprek verwachten. Ze hoopte er stiekem op. Dit was de eerste keer dat ze iets tweedehands kocht en ophaalde via Marktplaats. Ze had wel spulletjes verkocht via de site en ze had zich elke keer weer verbaasd dat iemand ze nog wilde hebben. Nog twee minuten te gaan. Haar eindbestemming bevond zich ergens links, volgens de navigatie.

Aan het begin van de oprit stond een brievenbus met daarop het huisnummer. Het kon niet missen, hier moest ze in. Esther reed de oprit op en zag de kleine boerderij. Net als bij Louis kwam er een oude man naar buiten gelopen. Hij stak zijn hand op.
Esther parkeerde de auto bij de deur en stapte uit.
‘Marktplaats?’ bromde de man.
‘Ja.’
‘Wacht.’ Hij liep naar binnen en kwam terug met een grote kartonnen doos die aan de bovenkant in elkaar was gevouwen. Het pakket was kennelijk zwaar, want hij sjokte voorovergebogen naar haar toe.
‘Kan ik u misschien helpen?’

‘Nee. Achterklep!’
Overdonderd opende Esther de achterbak. Deze man leek in de verste verte niet op Louis.
Met een plof liet de man de doos in de auto vallen. ‘Wil je het zien?’
‘Ik ga ervan uit dat het klopt.’
‘Niet slim, dame. Openmaken en kijken.’
‘Ik ben Esther trouwens.’
‘Mooi.’ Ongeduldig wees hij met zijn vinger op de doos. ‘Openmaken.’
Esther opende de doos, tilde de velours stof op en zag de veren, de singels en de overige spullen die ze had besteld in de doos zitten. ‘Bedankt. Volgens mij klopt het inderdaad. Ik ben er heel blij mee. Ik ben een antieke stoel aan het stofferen,’ ratelde ze ongemakkelijk. ‘Zo zonde wat mensen tegenwoordig bij de stort willen zetten. Het is toch een stuk cultuur uit de negentiende eeuw dat zomaar verdwijnt.’
Het norse gezicht van de man lichtte op toen ze dat vertelde.
Esther had de ballen verstand van antieke meubels, maar ze voelde dat ze een snaar had geraakt.
‘Meent u dat?’ Hoewel ze duidelijk een jaartje of veertig jonger was, sprak hij haar met respect aan als zijn gelijke.
‘Ja. Het is wel spannend moet ik zeggen, maar ik ga mijn best doen om de stoel weer in een goede staat te krijgen.’
‘Wat geweldig dat u dat doet. Dat zouden meer mensen moeten doen. Niet zomaar mooie bruikbare spullen weggooien. Dan rest mij nog één ding te doen en dat is u veel succes te wensen. En bedankt voor uw aankoop. Als u nog wat nodig heeft, ik heb een zolder vol.’
Het was een gesprek van nog geen twee minuten. Esther rekende zoals afgesproken contant bij de man af en reed via de oprijlaan terug naar de provinciale weg en richting huis. Ze voelde zich goed en had energie genoeg om aan de slag te gaan met haar nieuwe aankopen. Deze taak zou ze volbrengen.




 

Hoofdstuk 16


Het maakte Marty niet uit of ze nu om tien uur of om zeven uur begon. De dagen waren altijd vol en het werk was nooit af. Ze was haar dienst om zeven uur gestart en was gelijk met Leiko binnengekomen. Op haar verzoek was hij meteen gestart om te kijken of er vorderingen waren gemaakt bij het onderzoek naar het telefoonnummer van Sophie. De telefoon zelf was zoek, maar het was voor de opsporingsdiensten wel mogelijk om via het telefoonnummer gegevens te verzamelen. Ze wilden zowel de historische gegevens als de activiteiten die na haar dood op het nummer hadden plaatsgevonden weten. Zo zouden ze zicht krijgen op Sophies contacten. Op haar telefoonnummer was met voorrang een tap aangesloten om de gesprekken, de tekstberichten en al het internetverkeer dat via het imei-nummer van de telefoon en het telefoonnummer zou plaatsvinden, vast te leggen. Tot nu toe was er geen activiteit op het telefoonnummer. Dat de telefoon uit stond, was geen verrassing.
Marty was blij dat ze meer dan alleen de telefoon hadden om te onderzoeken.
Sophie had sinds een jaar ook een personenauto op haar naam staan. Een witte Twingo uit 2010 die ergens in het land geparkeerd stond, of net als de vermiste telefoon vermoedelijk in de plomp lag. Tot nog toe had niemand van het blauw in de regio de auto of de telefoon aangetroffen.
Tevreden keek Marty naar Leiko’s processen-verbaal. Hij bleek over een goed geheugen te beschikken en zijn bevindingen waren nagenoeg foutloos. De gevraagde informatie kwam snel retour.
Omdat bekend was met welke gsm-mast de telefoon van Sophie het laatst contact had gelegd, werd het zoekgebied voor de Twingo hopelijk kleiner. Het gebied bestond uit een x-aantal telefoonmasten waar Sophie tijdens haar laatste telefoongesprekken was uitgepeild. Het was afwachten of ze de auto zouden vinden.
Marty kneep en wreef in haar pijnlijke nek. Zodra ze aan een complexe zaak werkte, ontstond er snel een zeurende pijn die vanaf het begin tot einde aanhield. Zeker in de belangrijkste weken van het onderzoek zouden haar nek en schouders hiervan te lijden hebben. Het was een terugkerende pijn die zich openbaarde door stress, de aanhoudende werkdruk en de drang om een onderzoek perfect uit te voeren. Een ander effect was dat ze niet goed zou slapen, doordat ze ’s avonds eindeloos in bed lag te piekeren. Marty vond het niet erg. Ze was jong en flexibel en het hoorde nu eenmaal bij het werk dat ze graag deed.

Nogmaals las ze de verklaring door die Sophies ouders hadden afgelegd. Was de tekst volledig? Kon ze wat met de informatie?
Sophie was een jonge, slimme vrouw geweest. Na de havo was ze gaan studeren aan de Hogeschool Utrecht, waar ze na een jaar haar propedeuse haalde. Zonder vertraging had ze haar hbo succesvol afgerond. Ze had een grote kennissen- en vriendenkring, maar had die vrienden vanwege de drukte op haar werk de laatste tijd minder gezien. Ze had het niet alleen druk met werk. Ze was ook sportief en ging trouw drie keer in de week naar de sportschool, waar ze diverse groepslessen volgde. Ook had ze zich ingeschreven bij een dansschool voor een salsacursus, die over een maand zou beginnen. Een deel van de contributie had ze bij haar inschrijving betaald, de tweede helft zou ze bij de eerste les voldoen. Er waren geen antecedenten over haar bekend. Het enige wat in de systemen kon worden achterhaald was de melding van stalking door haar ex. Deze ex zou eind van de middag als getuige worden gehoord.
Marty schatte in dat ze ook toestemming zou krijgen om op zijn telefoonnummer een tap aan te sluiten. Hij had immers een motief.
Morgen zou ze naar Sophies werk gaan, om iedereen aan de tand te voelen die er verdacht uitzag. Vandaag niet. Ze zat te veel in haar gedachten en kon zich niet goed voorbereiden op haar normaliter scherpe vragen. Vandaag een verklaring opnemen op Sophies oude werk zou niet het juiste en gewenste resultaat opleveren.
Peinzend leunde Marty achterover in haar bureaustoel. Ze dacht aan de schedel van Sophie, waar de haren onregelmatig van verwijderd waren. Marty vond het lastig om zich voor te stellen hoe de haren verwijderd waren. De haren van een vrouw zijn als een sieraad, een teken van schoonheid. Als ze voor zichzelf sprak, waren haar haren een van de mooiste uiterlijke kenmerken die ze bezat. Als iemand haar lange haren zou kortwieken, zou ze dat vreselijk vinden.
Toen haar telefoon afging, rolde Marty van schrik bijna van haar bureaustoel af. Ze plukte nog eenmaal aan haar eigen haar, voordat ze het telefoonnummer, dat ze niet herkende, opnam. ‘Marty, recherche.’
‘Marty?’
‘Jazeker, zegt u het maar.’
‘Ik heb je telefoonnummer via de meldkamer, met Frank spreek je.’
Verbaasd ging Marty rechtop zitten. Frank? Hij was de laatste die ze aan de lijn had verwacht. ‘Hey, hoe gaat het met je?’
‘Ik moet zeggen, ik ken betere weken.’ Een diep gekreun klonk door de telefoon.
‘Ja,’ zuchtte ze, ‘dat geloof ik.’ En dat geldt ook voor mij, dacht ze.
‘Ik bel niet voor niets. Start het hele circus maar op en kom direct hierheen. Jij bent de eerste en de laatste die ik bel. Ik ben bang dat ik er nog een heb gevonden.’

Hoofdstuk 17


Een uur eerder…

 

In het wandelgebied stond een klein speelhuisje waar in het weekend veel gebruik van werd gemaakt door kinderen. Je merkte aan de kinderen dat ze het maar wat spannend vonden om het huisje en het omliggende terrein te ontdekken. Frank had gezien dat een van de houten planken op het dak los zat en wilde die vandaag weer vastzetten.

Frits zou hem helpen.

Het vastzetten van de plank was een klusje dat Frank makkelijk alleen had kunnen doen, maar hij vond het gezellig dat Frits met hem meeging. Het was ook makkelijk dat ze samen de ladder en het blik met beits konden dragen. Ze zouden ook de buitenwanden van het huisje in de beits zetten en het paar secure handen van Frits was meer dan welkom.
Voor beitsen of schilderwerk was Frank te ongeduldig. Onder supervisie van Frits zou hij de planken nu netjes afwerken. Als hij alleen was geweest had hij het blik met beits er waarschijnlijk in één keer overheen gegooid.

‘Gaat het echt wel, na die vondst van gisteren?’ vroeg Frits toen hij de ladder tegen het houten huisje zette.

‘Ja, het gaat wel. Weet je, ik voel me eigenlijk niet anders dan normaal. De dagen zijn oké maar de avonden en de nachten zijn nog steeds klote.’

‘Hmm, ik herken dat wel ja.’

Met een schuin oog keek Frank naar Max die met een houten tak speelde, die hij op het pad had gevonden. Liggend op de halfverteerde bladeren en ander groen kauwde hij de stukjes die uitstaken van de tak af, sprong op en rende om de tak heen. Hij vond zijn eigen spel fantastisch. Max vermaakte zich wel. In zijn vacht hingen al de eerste kleine, plakkerige bolletjes van een struik; die mocht Frank er straks allemaal uit borstelen. Een leuke taak voor de avond.
Frank droeg een leren gereedschapsriem, waar Frits vol bewondering naar keek. Frank had deze een aantal jaren geleden voor Vaderdag gekregen. Hij had er vandaag een klauwhamer, een moniertang en een flinke hoeveelheid spijkers in gedaan. De spijkers sloeg hij, ondanks dat hij een vaste hand had, nog wel eens krom. Hij kon ze er dan met de langbenige nijptang weer uittrekken.

‘Heb je eigenlijk kinderen?’ Frits stelde de vraag die Frank al veel eerder had verwacht.

‘Ja. Een meisje.’

‘Je praat nooit over haar.’

Frank dacht aan zijn dochter, die hij eigenlijk geen meisje meer mocht noemen. Ze was inmiddels al een volwassen vrouw van dertig jaar. Het klopte wat Frits zei, hij sprak nooit over haar. Hij vond het een privéaangelegenheid en ervoer het als roddelen als hij over haar sprak. Zijn dochter was net als hij stronteigenwijs, en dat kon soms leiden tot felle discussies. Het kwam voor dat die uiteindelijk escaleerden, waarna ze elkaar soms dagen niet spraken. Haar felle karakter had ze van hem. Qua uiterlijk beangstigde het hem regelmatig hoeveel ze op Yvon leek. Een regelrecht carbonnetje. Als hij naar haar keek dan had ze dezelfde Indische neus, de iets uitstaande oren en de volle lippen. Net Yvon, maar dan in een lichtere en jongere verpakking.

‘Ik heb haar al even niet gezien.’

‘Waarom niet?’

‘Ja, waarom niet? Uhm…’ Frank twijfelde. Hij had hier geen zin in. ‘Ik vind het wat lastig om over te hebben. Misschien later, kerel.’

Nadenkend over de simpele vraag van Frits, beklom hij de trap. Op het dak legde hij de scheefliggende plank weer recht. De loszittende spijkers staken een beetje uit en kon hij er zo met de klauw van zijn hamer uittrekken. Hij bekeek de lengte van de uitgetrokken stalen nagels. De voorgaande klusser had niet goed opgelet en te korte spijkers gebruikt, waardoor de plank was losgeschoten. Oh, die vorige klusser was hij zelf. Destijds had hij deze plank als laatste vastgemaakt met een paar te korte spijkers die hij overhad. Nu had hij langere gevonden. Met beide voeten op de een-na-laatste trede van de trap sloeg hij de eerste spijker recht in de plank. ‘En jij?’ vroeg hij toen de plank deels vastzat.

‘Twee, ook dochters.’ Langzaam keek Frits naar hem op. ‘Ik zie ze ook niet meer.’

‘Oh. Dat klinkt erg definitief. Klote.’ Frank besloot geen verdere woorden vuil te maken aan hun schrijnende gezinsleven en pakte een tweede spijker, die hij tussen zijn linker duim en wijsvinger vasthield. Terwijl hij dacht aan de laatste ruzie die hij met zijn dochter had gehad, sloeg hij met een harde klap op de rand van zijn duim. De scherpe pijn schoot naar zijn stembanden en hij vloekte. Boos keek Frank naar Frits, die onder aan het huisje stond en een grijns niet kon onderdrukken.

‘Ik hoor het alweer, ik kan nog een hoop van jouw uitgebreide vocabulaire leren. Je moet ook slaan met die hamer en niet aaien, daarom sla je op je duim,’ zei Frits, nog steeds breed grijnzend.

‘Ha, ha, heel grappig.’ Hij keek naar zijn duim, die ongetwijfeld blauw zou worden. De pijn negerend sloeg Frank de spijker er verder in. De spijker eindigde krom en het hout begon deels te splijten. ‘Jammer dan,’ mompelde Frank geïrriteerd. Met een laatste klap sloeg hij de omgeslagen kop van de spijker overdwars het hout in. De plank zat vast en zou het voorlopig wel weer uithouden.

Vanaf de grond klonk nerveus gepiep, dat Franks aandacht trok. Hij keek schuin over zijn schouder naar beneden en zag Max. Dat piepen, samen met het krommen van zijn rug en trappelen van zijn voorpoten deed hij normaal alleen bij het zien van een bal.
Het was duidelijk dat iets Max’ interesse had getrokken. De hond liet zijn stok voor wat die was, sprong de struiken in en rende weg.

Frits lachte en keek de hond na. ‘Misschien komt hij straks wel terug met een konijn voor de barbecue.’

Max was geen jager maar wel een nieuwsgierige hond. Hij zou niet snel met een prooi terugkomen, maar wilde wel alles zien. Frank klom van de ladder af en keek naar de plek waar Max uit het zicht was verdwenen. Hij floot op zijn vingers. Geen Max. Schouderophalend wendde hij zich tot Frits. ‘Jij had toch de kwasten?’

‘Yep.’ Frits klikte met een schroevendraaier het deksel van het blik af. Hij pakte een staafje en roerde daarmee in het blik totdat het bruin van de beits naar boven kwam en het goed door de rest van de lijnolie gemengd was. ‘Wil je beginnen? Of zullen we eerst de hond op gaan halen? Je zit zo naar die bosjes te staren.’

‘Ik loop er wel even heen, straks ligt hij ergens in de stront te rollen.’ Frank haalde zijn neus op. ‘Ik moet hem straks nog meenemen in de auto. Daar zit ik echt niet op te wachten.’

‘Nee, snap ik, ik loop wel effe mee.’ Voortdurend fluitend en Max roepend liepen ze achter elkaar aan het pad af. Weer hoorde Frank een specht tegen een van de bomen tikken.

‘Koekie Max, koekie,’ riep Frits richting de zwijgende bomen die hem, als ze hem konden verstaan, maar wat komisch hadden gevonden. Aan zijn inzet lag het niet.

‘Mijn hond eet bijna alleen appels.’

‘Dat meen je?’ Frits keek hem verbaasd aan. ‘Ik heb nog wel een exemplaar met beurse plekken in mijn tas. Die kunnen we gebruiken om hem te lokken. Maar ik ga geen “appel” roepen als je het niet erg vindt.’

‘Je mag het van mij proberen hoor,’ lachte Frank. ‘Die mafkees luistert daar echt wel naar.’

Er klonk geritsel tussen de bladeren en een opgewonden Max kwam aangerend. Euforisch om wat hij had gevonden dartelde hij om Frank heen.

‘Rustig, jongen,’ zei Frank tegen het dier, terwijl hij hem over zijn kop aaide. ‘Wat is er aan de hand?’ Frank bekeek de hond nauwlettend.

De enige hond die daadwerkelijk heel duidelijk iets probeerde duidelijk te maken zou Lassie zijn. Max was slim, maar zeker geen Lassie uit de oude kinderserie. Als antwoord brieste Max, waarbij er zand en nattigheid uit zijn neusgaten kwam. Hij haalde zijn lange tong langs zijn bek.

Fronsend keek Frank naar de bevuilde snuit. Hij had hem vaker enthousiast gezien. Vooral als hij een dood beest of wat anders smerigs had gevonden. Hij wist niet of hij blij zou worden van Max’ vondst. Hij pakte de hond onder zijn snuit en tilde hem omhoog om goed te kunnen kijken. De vacht zat onder het zand en klonten modder. Frank rook niks vreemds aan de hond. Bedachtzaam keek hij naar zijn hand. Waar kwam dit onbehaaglijke gevoel vandaan? Wilde hij weten waar Max was geweest? Het antwoord bedenken duurde twee seconden: natuurlijk. ‘Ga maar jongen, wij gaan mee.’

Frits, die geen idee had wat er ging gebeuren, liep geduldig achter hen aan.

Ze weken verder van het reguliere pad af en liepen over het natuurlijke bladerdek. Het gekraak van takken en geritsel van bladeren onder zijn voeten was luid. Frank moest moeite doen om zich op Max te focussen. De hond hield het niet meer en ging er als een speer vandoor. Ze moesten flink doorstappen om hem bij te houden.
Max piepte in de verte. Dat moest betekenen dat ze in de buurt waren. Frank luisterde aandachtig om het geluid te traceren, maar dat was lastig door de bomen die het weerkaatsten. Een hond die wel zou blaffen was nu handig geweest. ‘Net zo handig als een hondenriem,’ mompelde hij zacht. Nadat Frank een aantal takken opzij drukte, zag hij zijn trouwe viervoeter. Max rende rondjes om een met bladeren gevulde kuil. Hij maakte een komisch sprongetje, rende nogmaals om de kuil heen en bewoog zijn kop verlangend in de richting van de bladeren. Het was hetzelfde spelletje dat hij in zijn eentje eerder met de tak uitvoerde.

‘Zijn we er?’

‘Ik denk het.’ Frank keek op een afstand naar de kuil. Alle aandacht van Max ging naar wat er in de kuil lag. Het vreemde en onbehaaglijke gevoel dat Frank eerder bekroop werd sterker. Hij kreeg een vermoeden wat er in de kuil zou kunnen liggen. Hij hoopte dat hij ongelijk had, maar wendde zich voor de zekerheid toch tot Frits. ‘Misschien moet je hier blijven.’

Frits kwam naast hem staan en keek naar Max, die inmiddels was gaan liggen.

Frank pakte een kleine appel uit zijn vest en lokte Max naar zich toe.

‘Serieus? Je had al een appel?’

‘Voor nood, Frits. Dit is nood.’

Met een angstige blik staarde Frits naar de kuil en vroeg vol afgrijzen: ‘Nood? Wat bedoel je? Je denkt toch niet…?’

‘Ik weet het niet.’ Frank bekeek de ligging van de kuil, die zich op een plek bevond waar minder bomen stonden. Het gat leek ondiep en had wat weg van een oude kikkerpoel, maar hij moest niet uitgaan van wat zijn ogen zagen. Dit soort natuurlijke waterreservoirs konden verraderlijk diep zijn. De zijkanten leken langzaam af te lopen tot ze samenkwamen in het midden van de kuil. Daar werd het drassig en er lag een laag water op de bladeren. Hij zag geen wandelpad dat terug naar de officiële wandelroutes leidde. Als er wel een pad was geweest, hadden de bladeren het goed verborgen gehouden.

Frits doorbrak de stilte. ‘Ja, ik blijf hier wel staan.’

‘Goed.’ Frank pakte een lange tak van ongeveer drie centimeter dik, brak de zijtakken af en stapte dichterbij. Hij keek nauwlettend naar waar hij zijn voeten op de grond plaatste. Bij de kuil zou hij de tak gebruiken om grond, bladeren en andere zaken te verplaatsen.

Speels grommend sprong Max op en kwispelde.
‘Blijf, Max, BLIJF!’ Zijn baas negerend, nam Max een korte aanloop en sprong in de kuil. Met zijn goed ontwikkelde neus rook hij tussen het afval en de prut totdat hij wist waar hij moest zoeken. Hij duwde zijn kop een stuk tussen de bladeren en trots als een pauw klom hij de kuil uit en liep naar Frank. Hij legde zijn gevonden trofee met de zool omhoog voor de voeten van Frank neer.
Shit. Het was een schoen. Franks adem stokte en hij boog zich voorover om de schoen beter te kunnen zien. Het was een kleine sportschoen of sneaker. Hij schatte de maat op basis van de zool. Maat 38, smal model. Shit, hij zou van een vrouw kunnen zijn. Frank wilde hier niet zijn. Hij wilde naar huis. Dan kon hij de vondst vergeten en doen alsof de schoen een hersenspinsel was. Hij knipperde met zijn ogen. De realiteit was anders. Het bewijs lag voor hem. Hij moest nu door. Hij kon Marty niet bellen voor een schoen. ‘Zorg dat dat mormel niets meer stuk kan maken, Frits.’

Nerveus keek Fris naar de schoen. Zijn schouders verkrampten van spanning. ‘Zouden we dit wel doen?’
Frank kreunde, hij wist dat Frits een punt had. ‘Welke opties hebben we? Weglopen en het vergeten? Of de boel opschalen voor een schoen?’

‘Nee,’ piepte Frits, terwijl hij het bloed langzaam uit zijn wangen voelde trekken. ‘Je hebt gelijk, maar dit bevalt me helemaal niet.’ Blij dat hij een taak kreeg, waarbij hij niet naar de kuil hoefde te lopen, pakte hij Max bij zijn halsband en bleef als een standbeeld naast hem staan.
Frank nam een diepe teug adem en zette zijn voeten stevig neer, zich bewust van de grond die onder zijn gewicht inzakte. De drassige grond maakte de kanten van de kuil ongemakkelijk en onvoorspelbaar. Voorzichtig bewoog hij zich naar de rand van de poel. Hij zette een stap terug op zoek naar stevigere grond. Zijn ogen weken geen moment af van het troebele water dat voor hem lag. Met een aarzelende beweging stak hij de stok naar voren en liet deze voorzichtig in de bladeren zinken. Hij voelde de weerstand van de zachte, modderige textuur toen hij zorgvuldig door de bladeren bewoog. Niets. Frank deed vijf stappen opzij, wierp een blik op Frits die met uitgestreken gezicht bij de schoen stond, biddend dat Frank geen gelijk had. Hij drukte de stok weer tussen de bladeren. Zijn hart klopte sneller terwijl hij hoopte op een teken, een aanwijzing van wat er onder het oppervlak verborgen kon liggen. Weer niks, zou het dan toch loos alarm zijn? Frank veegde nu met de stok de bladeren die onder op de kuil lagen, opzij. Een bruine brei van muf ruikende blubber kwam omhoog. Hij tilde de stok omhoog en voelde aan de onderkant. De stok zou stevig genoeg moeten zijn. Geconcentreerd of hij onderweg naar de diepte blokkades voelde, drukte Frank de stok dieper de stinkende prut in. Hij ging rechtop staan en bekeek de stok nogmaals. Aan de nattigheid kon hij zien hoe diep hij de stok naar beneden had gestoken. Hij deed een stap opzij en stond nu in een drassiger gedeelte. Voorzichtig drukte hij het hout voor de laatste keer in de modderige massa. Halverwege de diepte tot waar hij de eerste keer de stok naar beneden had gedrukt, schrok hij op.

Frits had voor de afleiding zijn telefoon gepakt en Max had van de gelegenheid gebruikgemaakt om zich luid piepend los te rukken. De hond trok een sprint en sprong met beide voorpoten tegen Franks onderrug.

Door het plotselinge gewicht zakte Frank tot aan zijn enkels in het drassige zand en viel met uitgestoken handen voorover in de kuil. De stok, die tot halverwege in de modder stak, brak. In paniek greep Frank om zich heen naar een vast punt. Toen dat niet lukte, kroop hij kokhalzend op de kant.

Op het moment dat Frank vaste grond onder zich voelde, kon hij uit de kuil kruipen. Frits draaide zijn hoofd weg vanwege de misselijkmakende lijkengeur die Frank daarbij verspreidde. Al braakgeluiden makend, sloeg hij zijn arm, met zijn telefoon nog in zijn hand, voor zijn neus en mond.
Alsof hij in brand stond, rukte Frank zijn vest van zijn lichaam en smeet het op de grond. De laatste stinkende bladeren wreef hij met een stok van zijn armen af. Wat hij al vermoedde, wist hij nu honderd procent zeker.

Die zekerheid was in de paar seconden die de val duurde op een gruwelijke manier tot hem doorgedrongen. Terwijl zijn naar voren uitgestoken armen langzaam in de zachte grond wegzakten, voelde hij eerst de levenloze hand en de vingers langs zijn eigen vingertoppen strijken. Daarna voelde hij de glibberige, in ontbinding zijnde arm in zijn hand.


Hoofdstuk 18


Esther tilde de zware doos de woonkamer in en gooide de inhoud ondersteboven op de grond. Op het internet speurde ze naar het duidelijkste DIY-filmpje dat ze kon vinden. Ze zocht instructies hoe ze singels strak over de zitting van een fauteuil kon spannen. Na het gevonden filmpje twee keer bekeken te hebben, begon ze zelf met het spannen en vastspijkeren van de singels op het houten frame. Het lukte. Trots en voldaan bekeek Esther het resultaat.

Op YouTube vond ze een filmpje waar ook stap voor stap het plaatsen en het stellen van de veren werd uitgelegd. Met een ruw stuk touw dat ze nog had liggen, ging ze aan de slag om de stevige veren in te drukken tot de juiste hoogte. Het touw was echter niet sterk genoeg en brak steeds af. Nu pakte ze een langer stuk touw en sloeg dat dubbel voor een nieuwe poging. Weer lukte het niet. Ze had niet het juiste materiaal om verder te gaan. Teleurgesteld en boos gaf ze op en ging op de bank liggen. De blijdschap die ze had ervaren na het stellen en vastzetten van de singels was helemaal verdwenen.

Zuchtend keek Esther in de digitale agenda op haar telefoon. Haar vader Frank was zaterdag jarig. Het was alweer een aantal weken geleden dat ze hem had gezien of gesproken. De laatste keer dat ze bij hem langs was gegaan, had hij te diep in het glaasje gekeken en was er geen zinnig woord uit hem gekomen. Boos was ze uit haar ouderlijk huis gebeend.

Ze tikte net een tekstbericht in om bij hem langs te gaan, toen haar telefoon ging. De naam van Gwen verscheen in het beeldscherm. Glimlachend nam Esther op.

‘Hoi chica.’

‘Ben je thuis?’

‘Ja?’

‘Zin om ergens wat te gaan eten?’

‘Gezellig.’

‘Mooi. Ik ben in de buurt, dan pik ik je op. Dan pakken we ergens een terrasje. Ik ben er met tien minuten.’

‘Gezellig, tot zo.’ Esther keek naar de tijd. Ze moest zich haasten als ze met tien minuten klaar moest staan. Ze trok een andere broek en shirt aan en snelde naar de badkamer. Daar spoot ze deodorant onder haar oksels en een geurtje op haar nek. Tot slot bracht ze mascara aan op haar wimpers. Tevreden keek ze naar zichzelf in de spiegel. Het was geen romantisch diner dus het kon er prima mee door. Na een minuut of zeven ging de bel. Ze pakte haar jas en liep naar buiten.
Gwen stond in een grijze joggingbroek voor de deur. ‘Ik zie dat je je best voor me hebt gedaan,’ grapte Esther.

Grijnzend haalde Gwen haar schouders op. ‘Meid, ik ben al getrouwd met m’n werk.’ ‘Lekkere stabiele relatie heb je dan.’

‘Ja toch? Het brengt me vreugde en een bak gezeik tegelijk. Een echte “bad romance”.’ Ze gaven elkaar een innige knuffel en liepen al pratend naar Gwens auto. ‘Ik ken een leuk tentje, erg gezellig en goed eten. Zullen we daar heen gaan?’

‘Ik vind het helemaal goed, ik lust wel wat.’

Het was goed dat Esther eruit ging. Normaal gesproken vermeed ze het liefst de drukte van de stad. Als ze ergens binnenkwam, was ze zich continue van haar omgeving bewust. Op een dwangmatige manier móést ze observeren wat mensen aan het doen waren.

Ook hoe ze een plek in een restaurant of club uitkoos was niet normaal meer. Het begon ermee dat ze vanaf haar zitplaats volledig overzicht over de zaak moest hebben. Daarna moest het voor haar duidelijk zijn waar de uitgang of vluchtroute bij noodsituaties zich bevond.

Dit obsessieve gedrag gaf haar te veel prikkels en dat wist ze. Alleen thuis voelde ze zich momenteel nog volledig veilig en ontspannen.
Bij aankomst in het nieuwe restaurant zag Esther een kleine tafel achterin op het terras waar een ouder stel net opstond om te vertrekken.

Gwen zag dezelfde tafel en liep vlug die kant op. Ze wees op de twee stoelen voor haar. ‘Waar wil je zitten?’
‘Achterin.’

‘Dan ga ik naast je zitten. Beter overzicht.’

‘Prima.’ Esther glimlachte om de opmerking van Gwen. Ze bleken dezelfde blijvende handicap te hebben.
Gwen verzette de stoelen, waardoor ze net als Esther tegen de muur kwam te zitten. Ze hadden nu samen zicht over het volledige terras, een stuk van de gracht en de straat. Ook Gwen hield graag de controle en wilde niets missen van wat er om haar heen gebeurde. Haar scherpe blik gleed via de mensen op het terras naar de straat waar het winkelend publiek langzaam passeerde. Haar ogen vonden iets waar de anderen geen aandacht voor hadden: een man die een oude fiets overnam van een ander. Nadat de koper een bedrag overhandigde, liep hij met de fiets een smal steegje in. Gwen schudde haar hoofd. Het was waarschijnlijk een gestolen fiets, die voor een schijntje werd doorverkocht. Ze keek bewust de andere kant op, bang dat ze anders nog drie gevallen van heling zou zien.
Esther gaf Gwen een lunchkaart aan, die ze uit een houten blok op de tafel had gehaald. Ze keken naar de verschillende broodjes en maaltijden die erop beschreven stonden. Een verstandig mens neemt een salade voor de vitaminen en mineralen, maar Gwen koos een witte baguette met warm vlees, satésaus, champignons en gebakken uitjes. ‘Een broodje warm vlees. Dat is echt lang geleden.’

‘Doe er maar twee, ik dacht precies hetzelfde. En een spa rood en een zwarte koffie.’ De serveerster nam hun bestelling op. Geërgerd keek ze over het water, waar ze een boot met harde muziek hoorde aankomen.
Esther volgde haar blik. Ze zag de romp van een boot met lallende vrijgezellen de bocht om komen varen. De herrie zaaide onrust in Esthers brein. Haar ogen flitsen van de boot met hardcore muziek naar een gekleurde vlaggenlijn die boven het water was gespannen. De vlaggen fladderden door de wind hevig heen en weer. Haar focus werd vervolgens verlegd naar de kade langs de gracht, waar een peuter zijn zin niet kreeg en krijsend in het midden van de straat ging liggen. Zijn moeder pakte zijn arm beet en probeerde hem omhoog te trekken. Op dat moment kwam een bestelauto door de bocht, die claxonneerde naar de vrouw en het huilende kind. Met haar ene hand sleepte de vrouw het schreeuwende knulletje buiten bereik van de bestelauto, terwijl ze in de andere hand een goed gevulde boodschappentas vasthield. Een hond begon hevig te blaffen in de verte en kreeg keffend antwoord van een tweede. Op de boot met schreeuwende vrijgezellen werd hard op een toeter geblazen en als klap op de vuurpijl raakte een dienblad uit evenwicht, waardoor de glazen een voor een met veel kabaal op de grond kapot vielen. Het luide glasgerinkel zorgde ervoor dat het overvolle terras begon te juichen en te klappen.
Voor Esther was het alsof ze werd aangevallen door een zwerm wespen. Ze kreeg te veel prikkels in één keer binnen. Haar hart klopte sneller en krachtiger en haar handen begonnen te trillen en te zweten. Ze moest weg van het terras, NU! Haar ademhaling haperde en er kwam geen zuurstof meer in haar longen. Een klep leek haar keel af te sluiten. Ze wapperde met haar handen voor haar gezicht. Ging ze dood? Zonder vooraankondiging stond ze op en snelde van het terras de lunchroom in. Nog steeds in paniek ging ze op zoek naar de toiletten. Zonder om zich heen te kijken of er iemand op zijn of haar beurt stond te wachten, rende ze bij het eerste het beste toilet met een openstaande deur naar binnen. Met een klap trok ze de deur dicht en draaide hem op slot. Met trillende handen duwde ze de klep van de wc naar beneden en ging daar met haar broek nog aan op zitten. Haar lijf beefde onophoudelijk. Paniek en angst vloeiden door haar ledematen. Ze had geen controle meer over haar lichaam en gedachten. Het voelde echt alsof ze doodging. ‘Ademen, gewoon rustig ademen,’ zei ze tegen zichzelf. Dat was makkelijk gezegd, maar de praktijk was moeilijker. Ze wilde de wc nooit meer uit, maar daar blijven was geen optie. Ze moest uit de zwarte tunnel zien te komen en probeerde zich op iets anders te focussen. Moeizaam probeerde ze de vulgaire teksten die op en in de toiletdeur waren gekrast, te ontcijferen. Het lukte niet. In een poging haar ademhaling onder controle te krijgen, sloot ze haar ogen en inhaleerde diep. Haar hartslag moest echt dalen. Waarom daalde hij niet? Dwangmatig probeerde ze aan iets vrolijks te denken. Waarom lukte het niet? Ze huilde en legde haar gezicht in haar handen en ademde in haar handpalmen. Ze had geen idee hoe lang ze op de bril had gezeten toen er op de deur werd geklopt.

‘Esther, zit je hier?’ De vertrouwde stem van Gwen klonk bezorgd.

‘Ja.’

‘Gaat het wel?’

‘Beetje.’

‘Je zit al ruim twintig minuten op de wc.’

‘Nog eventjes.’ Esther hoorde geschuifel en een plof op de grond. Aan de andere kant van de deur was Gwen op de grond gaan zitten. Het bleef even stil. Ze herkende de situatie vast van een eerdere paniekaanval.

‘Aan de linkerkant van de deur staat het mooiste versje van allemaal,’ zei Gwen. ‘Het doet me denken aan onze vakantie naar Thailand. Natuurlijk een van de vetste vakanties ooit.’

Esther zocht naar de tekst met een indicatie dat het over Thailand ging. Toen ze het woord ‘wok’ zag, wist ze dat ze hem had gevonden.

‘Als je hem hebt gevonden, moet je hem voorlezen, heel langzaam. De woorden moeten voor mij duidelijk te horen zijn.’ Esther haalde zo diep als ze kon adem en begon haperend met het eerste woord. ‘Thailand,’ zei ze langzaam. ‘Uit eten bij de wok. Verleidelijk gefriemel. Mijn hand onder jouw rok. En dan voel ik je piemel.’ Toen de woorden tot haar doordrongen proestte ze het uit. Het langzaam uitspreken van de woorden zorgde ervoor dat ze zichzelf beter begon te voelen en haar ademhaling en hartslag weer enigszins onder controle begon te krijgen.

‘Mike Swollen was toen niet meer zo gezwollen denk ik,’ gierde Gwen het uit. ‘Weet je nog dat we op Ko Phangan zaten in een restaurant met zicht op die suppers die ondertussen yoga deden in de zee? Wij zaten daar met lek gestoken benen omdat we de avond ervoor vergeten waren om ons in te smeren met Deet.’ Er klonk verwondering in haar stem toen ze zich realiseerde wat ze zich nog allemaal herinnerde. ‘De zonsondergang en zicht op het heldere water. De geur van kruiden en wierook. Die lieve Thai. De geweldige Thaise oliemassages! Ik heb toen de beste Pad Thai van mijn leven gegeten. En die pasteitjes, de garnalen en de vis waren ook goed en het ijs natuurlijk. Oh en die cocktail met ananas, weet je nog, Es?’
Natuurlijk wist Esther alles nog. Gwen wist dat ze gek was op eten. Dat had ook zij van haar moeder, ze lustte in feite alles. Ieder jaar probeerden Gwen en zij samen een vakantie of lang weekend te boeken. Daar had ze dan maandenlang trouw voor gespaard. Thailand was hun bestemming waar Esther de beste herinneringen aan had. Ze was na die reis volledig ontspannen thuisgekomen. Het luieren in combinatie met het bezoeken van bezienswaardigheden had haar goed gedaan en ze was helemaal rustig geworden en bijgekomen.
De eerste week van die reis, na maanden zonder vakantie en aan één stuk door werken, had ze alleen maar geslapen. Ze sliep bijna de hele heenreis in het vliegtuig, in iedere ritje met de taxi of bus, op het strand en in de avond nadat ze zich hadden volgegeten met de lekkerste gerechten. Na twee weken was ze pas weer een beetje opgeladen en was het tot haar doorgedrongen hoe lichamelijk uitgeput ze eigenlijk was. Daarna kon ze pas echt genieten van het prachtige land.

‘Je komt hier doorheen, ook dit keer. Je bent sterk en je staat er niet alleen voor. Ik ben er, Merel is er en Sara komt snel weer terug uit Australië. We zijn er voor je en we zullen er altijd voor je zijn. Ben je er klaar voor?’

‘Ja.’ Esther hoorde Gwen opstaan en afstand nemen van de deur. Nog eenmaal ademde ze diep in en toen opende ze haar veilige schuilplaats. Ze wist dat Gwen aan de andere kant van de deur voor haar klaarstond. Een van haar vertrouwelingen en een rots in de branding. Het was fijn om haar vertrouwde gezicht te zien, wetend dat ze er niet alleen voor stond en haar vrienden haar onvoorwaardelijk zouden steunen.
Gwen opende haar armen waar ze dankbaar in viel. Zo bleven ze even staan. ‘Het is een moeilijke weg, maar het komt goed. Echt. Je komt hier doorheen en je vindt voor jezelf een nieuwe weg. Alles gebeurt met een reden. Komt het goed, dan is het goed, komt het niet goed, dan is het ook goed.’
De serveerster kwam de toiletruimte binnen. ‘Ik heb alles voor je ingepakt hoor. Het staat bij de bar met je naam erop.’
‘Super, bedankt voor de moeite.’
‘Geen probleem.’ De serveerster vertrok.
Gwen wendde zich weer naar Esther.

‘De doggybag is ingepakt, meis. We gaan lekker naar jouw huis. Eten we daar rustig het eten op en kun je even bijkomen.’
‘Ja, dat is beter, laten we dat doen.’


Hoofdstuk 19


Een rotte-eierenlucht was geen goede omschrijving van wat hij bedoelde. Het was anders, uniek, herkenbaar. De lijkengeur was modderig, zoet en penetrant. De indringende lucht was achter gesloten deuren nog te herkennen als de geur van de dood.

Nadat Frank weer in de kantine was, ging hij meteen naar de toiletruimte waar hij zijn handen, armen en gezicht grondig waste. Gelukkig had hij in de auto al een aantal weken een schoon T-shirt en een schone trui liggen. Speciaal voor zware en smerige klussen. ‘Dat deze klus smerig was, is een understatement,’ mopperde hij terwijl hij zijn schone kleding aantrok. De vieze en stinkende kleding stopte hij in een grijze vuilniszak, die hij meteen dichtknoopte. Als iemand van de recherche de inhoud zou willen hebben, wenste hij diegene er veel plezier mee. Hij hoefde de kleren niet meer, dus ze mochten die met alle liefde houden. Bij hem zou alles linea recta de kliko ingaan, want ook al zou hij de kleding laten stomen, dan nog zou hij de geur blijven ruiken. Deze lucht was hardnekkiger dan de metaalgeur van bloed.

Zijn gedachten dwaalden af naar het lijk dat ze ooit hadden gevonden in een nieuwbouwwoning. De woningcorporatie die eigenaar en beheerder was van de woning, was door verschillende buren gebeld dat er al dagen een vieze stank in het trappenhuis hing. Toen ze op verzoek van de woningcorporatie de woning binnentraden, werden ze verwelkomd door een enorme wolk van vliegen. Het stoffelijk overschot dat ze vervolgens vonden, lag er al een tijdje en was in vergaande staat van ontbinding. Later kregen ze van de woningcorporatie te horen dat het het door hen ingehuurde professionele schoonmaakbedrijf niet gelukt was om de lijkvlekken en de stank uit de betonvloer te krijgen. Ten einde raad hadden ze toen een aannemer ingehuurd om het betreffende deel van de vloer er met een breekhamer uit te hakken en er een nieuw stuk vloer in te plaatsen. Nee, dacht Frank, in mijn huis komt geen kleding met een lijkenlucht naar binnen.

Frank zette de vuilniszak naast de prullenbak in de keuken van de kantine en keek door het raam naar buiten. Een team met forensisch medewerkers en rechercheurs was gearriveerd. Ze zouden zich spoedig omkleden om in witte pakken weer tevoorschijn te komen.

De eerste twee eenheden van de blauwe dienst waren door Frank opgevangen en voorzien van de belangrijkste informatie. Zij bewaakten nu het plaats delict waar de recherche en specialisten aan het werk zouden gaan. Het werd een rotklus, omdat ze met het gevonden materiaal door het drassige bos zouden moeten lopen. Een voordeel was wel dat er geen pottenkijkers zouden zijn.
Frank herkende de voertuigen van de hondengeleiders met hun speurhonden. Hij was blij dat ze er al waren. Als er dieren waren die sporen zouden kunnen oppikken, dan waren zij het wel. Nog steeds zat hij in zijn oude rol en keek het terrein rond, waarbij hij zich afvroeg of hij met deze mensen een moordonderzoek zou kunnen draaien. Was iedereen aanwezig? Hij had Marty nog niet gezien. Hij bedacht zat zij op de achtergrond waarschijnlijk van alles aan het regelen was. Frank had haar direct gebeld, nadat hij een kotsende Frits met een glas water aan de picknicktafel had gezet. Terwijl hij Marty aan de telefoon had, was hij naar de schuur gelopen om een rol touw te pakken. Daarmee zou hij het laatste gedeelte van de gelopen route markeren. Hoewel hij wist dat het niet verstandig was om de route nogmaals te lopen, zou het de rechercheurs duidelijkheid geven tot aan de laatste boom bij de poel. Als hij alles op voorhand zorgvuldig afzette, waren verdere vragen over de route overbodig en er hoefden geen sporen stukgemaakt te worden. Hij kende het nieuwsgierige type genaamd werkstudent, dat maar wat graag ter lering en vermaak voortijdig onder een lintje door dook.  

De geur van ontbindend vlees kleefde nog als een onzichtbare pleister aan zijn arm. Het was voor hem meteen duidelijk geweest dat er een mens in de kuil lag te ontbinden. Dieren droegen immers geen sportschoenen en hadden ook geen vingers.
Frank wilde het liefst een snelle bevestiging. De onwetendheid over de vondst maakte hem onzeker en nerveus. Had het te maken met de eerder gevonden vrouw?
Er klonk een luide beltoon uit zijn linker broekzak. Ervan uitgaand dat hij Marty aan de lijn kreeg, nam hij op.
‘Pap?’ Geen Marty. Het was Esther, zijn dochter.
‘Hey schat.’
‘Alles goed?’
‘Ja, het gaat zijn gangetje.’ Inmiddels hadden zich op de binnenplaats veertig man en een hond verzameld. Ze waren aan het wachten op instructies over hun taak en rolverdeling op het plaats delict. Hij zou Esther niet vertellen waar hij stond. Via de tamtam zou ze snel genoeg horen dat er een zaak speelde en dat hij daar zijdelings bij betrokken was. Het was beter om haar de details te vertellen als hij haar zag en niet via de telefoon. Ze moest zich niet onnodig zorgen maken.
Het waren ook voor Frank nu essentiële uren. Als er geen lichaam in de modderbrij zou liggen, zou hij zijn laatste geloofwaardigheid verliezen en daar zou ook zijn dochter mee geconfronteerd worden.
‘Mooi,’ klonk het timide aan de andere kant van de lijn.
‘En met jou?’
‘Stabiel pa, stabiel.’
Frank herkende de intonatie van haar stem en wist wat dat betekende. Ze zou weinig woorden vuil maken aan dit onderwerp. Maar ook al zeiden ze weinig, Esther was net als hij zelfs met weinig woorden een slechte leugenaar. Als ze voor hem had gestaan, had hij gezien dat er iets gaande was. Wat zei stabiel nou eigenlijk? Dat zei net zo weinig als ‘het gaat zijn gangetje’ of ‘oh, best.’ Esther doorbrak de stilte die als een zware last tussen hen in hing. ‘Ben je zaterdag thuis?’
‘Ja.’ Frank was liever niet thuis geweest. Hij was zaterdag jarig en hij had een hekel aan verjaardagen, die van hemzelf incluis. In zijn hoofd vulde hij zijn bevestiging aan met: maar ik heb dit jaar geen wilde plannen. Hij hield zijn gedachten wijselijk voor zich om te voorkomen dat Esther geïrriteerd zou raken en het gesprek zou beëindigen.
‘Ik kom eten,’ deelde Esther aan hem mee, ‘en jij betaalt. We eten sushi. Ik ben er rond zes uur.’ Zonder gedag te zeggen verbrak ze de verbinding.

Zijn dochter was een raadsel maar Frank wist wel dat het heel wat was dat Esther hem belde na de laatste keer toen ze kwaad bij hem was vertrokken. Hij realiseerde zich dat de drempel hoog was om hem te bellen. Schuldgevoel maakte zich van hem meester. Hij had de eerste stap moeten zetten en haar moeten bellen om haar uit te nodigen. Maar had dat zin gehad? Terwijl hij naar zichzelf keek in de weerspiegeling van het raam, schudde hij meewarig zijn hoofd. Wat maakte hij zichzelf wijs, natuurlijk had dat niet geholpen. Esther was zo koppig als een ezel en liet zich niet dwingen. Zijn dochter had weliswaar het uiterlijk van zijn overleden vrouw maar wat betreft haar karakter was het alsof Frank in een spiegel keek. ‘En dan sushi, gatverdamme,’ gromde hij zacht. Dat deed ze alleen om hem dwars te zitten. Ze wist dondersgoed dat hij niet met de houten stokjes overweg kon en dat hij de combinatie van rijst met stukjes rauwe vis niet kon waarderen. Hij glimlachte, zijn dochter was een boef, maar hij hield wel van haar.
Op het moment dat Frank zich bedacht dat de eerste opvang voor de melder – dat was hij zelf in dit geval – niet geregeld was, verscheen Leiko op de binnenplaats. Alsof die alle wijsheid in pacht had stond hij te praten met de hondengeleiders bij de auto met speurhonden.
Zijn arrogante uitdrukking was voor Frank een reden om hem te smeren voordat hij met Leiko in gesprek zou moeten gaan. Hij draaide zich om en keek naar de oude pc met printer. In feite was hij nog steeds een beëdigd diender, ook al was zijn hoofd niet meer in goede balans met zijn lijf. Hij zette de computer aan en zocht naar het icoontje waar hij het Word tekstverwerkingsprogramma mee kon opstarten. Hoeveel processen-verbaal van bevindingen had hij wel niet getikt bij de politie? Honderden? Misschien wel duizenden voordat hij hier belandde. Hij ging zitten en begon in het witte document te typen, zoals hij altijd had gedaan.
Een coördinator, officier van justitie of rechter moest aan de hand van zijn proces-verbaal weten wat er was gebeurd en welke bevindingen door hem waren vastgesteld. Hij wist dat hij een van de besten was in het vastleggen van informatie. Dat was geen arrogantie maar gewoon een feit. Het leidde ertoe dat veroordelingen volgden. Hij typte het eerste woord: AANLEIDING. Hierachter moest hij opschrijven wat de reden was dat hij zich op de plaats delict bevond. Daarna kwam het kopje: BEVINDINGEN TER PLAATSE. Dat was het moeilijkste gedeelte. Bevindingen moesten bestaan uit feitelijkheden die hij had gezien en gehoord. Wie, waar, wat, wanneer, waarmee, welke wijze en vooral waarom? Hij begon met het omschrijven van alles wat hij zich herinnerde en eindigde met wat hij voelde en rook op het moment dat hij voorover in de poel was beland. ‘Ik rook op mijn eigen ledematen de geur van rottend vlees’ of woorden van gelijke strekking.

Op een los A4-papier schetste hij uit de losse pols een plattegrond van de locatie. Hij markeerde waar hij met Frits had gelopen. Hij gaf ook aan waar hij de markering met touw had gemaakt. Hij benoemde op de plattegrond en in het proces-verbaal expliciet dat hij het pad een tweede maal had gelopen om de route te markeren en gaf als reden daarvoor dat het anders onmogelijk was om de route terug te vinden zonder eventuele sporen te vernietigen. Hij keek op de kompasfunctie van zijn telefoon en tekende de noordpijl op de schets zodat de exacte ligging duidelijk was. Als laatste schetste hij de plek waar Max de schoen had gevonden en had neergelegd. Hij printte zijn proces-verbaal van bevindingen tweemaal uit, zette zijn handtekening onder een van de stukken en stopte die samen met de plattegrond in een grote envelop. Op de enveloppe schreef hij met grote en duidelijke letters: MARTY. Het tweede exemplaar vouwde hij op en stopte hij in zijn broekzak. Op het moment dat hij de envelop dichtdeed, kwam Leiko de ruimte binnen.
Elke porie van Leiko’s lijf ademde irritatie. De toon van zijn stem kwam overeen met zijn starre lichaamshouding. ‘Jij weer,’ verzuchtte hij.
‘Goedemorgen, lekker uitgeslapen? Ik had je hier eerder verwacht, voor zonsopgang. Mooi dat je vandaag geen werk hoeft te zoeken, toch?’ zei Frank overdreven vriendelijk.
De trekken van Leiko’s zure gezicht en samengeknepen lippen werden met elke ontmoeting duidelijker. Hij kon Franks bloed wel drinken en Frank wist niet vanaf welk moment dat was ontstaan.
‘Je moet zo gehoord worden.’
‘Nee hoor, ik ga zo naar huis en neem Frits mee.’
‘Dat denk ik niet. Er moet van alles op papier gezet worden en er is iemand onderweg om jou te horen. Je kan niet zomaar bellen en dan vanaf een plaats delict verdwijnen.’
Voor Frank was deze dag begonnen met het trainen van zijn mentale welzijn. Nu werd ook zijn zelfbeheersing flink op de proef gesteld. ‘Ik denk dat jij voor je beurt spreekt en even je mond moet houden. Geef deze maar aan Marty. Volgens mij heeft zij de leiding.’
Leiko pakte de envelop aan en draaide hem om. Hij zag dat de envelop dichtgeplakt was. Een kleine maar belangrijke handeling die Frank had uitgevoerd op het moment dat Leiko binnenkwam.

‘Wat zit erin?’
‘Dat is voor Marty en reeds met haar besproken. Ze leest hem zo wel door, ik ga er vandoor.’ Het was een klein leugentje, waar hij wel mee weg zou komen, maar dan moest hij  Marty snel te pakken krijgen. Terwijl Frank naar buiten stapte, zijn telefoon pakte en het nummer van Marty aanklikte, hoorde hij Leiko binnen hardop vloeken. Frank grijnsde gemeen: lekker voor je.
Marty nam op, nadat de kiestoon twee keer was overgegaan. ‘Hey Frank. Gaat het een beetje? Het was een flinke opstart, maar ik ben nu naar je onderweg.’
‘Luister. Ik heb alles wat ik heb gedaan en gezien vastgelegd in een proces-verbaal. Leiko heeft de envelop met het pv en er zit ook een situatietekening in. Ik ga hier nu weg en neem Frits met me mee. Hij zit er helemaal doorheen en dat gaat voor.’ Frank zweeg even. ‘Ik hoop dat je het begrijpt. Ik kan morgen langskomen en ben ook telefonisch bereikbaar voor verdere vragen of onduidelijkheden. Eerste opvang van Frits is nu essentieel.’
‘Hmm.’ Marty wist dat de situatie niet ideaal was. Als ze menselijk genoeg was dan zou ze het begrijpen en het welzijn van Frits voor laten gaan. ‘Ik twijfel er geen moment aan dat het pv klopt en ik snap dat dit voor gaat. Ik lees het meteen bij aankomst, dan weet ik waar we mee kunnen werken.’
‘Goed, bedankt.’ Nadat Frank de verbinding verbrak, knoopte hij Max, die al die tijd met een touw aan een paal was vastgemaakt, los. In hondenjaren had de eenzaamheid van nog geen uur kennelijk lang geduurd. Max kwispelde en piepte enthousiast. Het afgelopen uur had hij zijn baasje niet gezien en duidelijk gemist.

Al was Frank blind geweest, dan nog had hij gevoeld hoe de groep mensen op een afstand naar hem staarde alsof hijzelf iemand had omgelegd. Gezien de situatie was het te verwachten en hij keerde hen rustig de rug toe. Hij had wel iets beters te doen dan de vragende blikken te beantwoorden of te weerleggen.
Aan de picknicktafel zat Frits moederziel alleen, voorovergebogen met zijn gezicht in zijn handen. Het was een totaal ander mens dan de enthousiaste man die hem vanmorgen begroette. Naast Frits lag op het houten blad een onaangeroerd notitieblok met een pen.
Waarom lieten ze Frits hier alleen zitten? Ze wisten toch wel wat hij in het verleden allemaal had meegemaakt? Frank legde een hand op zijn schouder. ‘Tijd om te gaan. Ga je mee?’
‘We kunnen niet weg, Frank. Ze verwachten dat we blijven. Ik sprak die rechercheur net.’
‘Hmm, ik heb er net ook één gesproken. Ze verwachten helemaal niks, je hebt genoeg gedaan de afgelopen jaren. Je mag voor jezelf kiezen, Frits. Kom, opstaan en meekomen.’
Frits schudde zijn hoofd en bleef zitten. ‘We verstoren het onderzoek als we niet blijven. Als er echt iemand ligt, zoals je zei, dan móéten we blijven.’
Die godvergeten loyaliteit ook altijd. ‘Ik heb de onderzoeksleider al gesproken en een proces-verbaal opgemaakt. Daarin ben jij ook als verbalisant en bewaker van de schoen genoemd. Voor nu hebben we hier niks meer te zoeken. Ze kunnen heel goed verder met het onderzoek zonder ons. Pak je tas en je notitieblok, we gaan naar mijn huis en pakken een biertje.’

Met lood in zijn schoenen pakte Frits zijn tas en stond op.
Frank draaide zijn hoofd om en keek naar de ingang van het pand. Hij vreesde dat Leiko elk moment zou kunnen komen aanlopen om hen tegen te houden. Frits was dan zeker gebleven; zijn trouw was lovend maar ook om ziek van te worden. Deze vorm van trouw had hem ook ziek gemaakt.
Samen liepen ze naar de auto die aan het eind van de parkeerplaats geparkeerd stond. Ze stapten in en reden weg van de drukte.


Hoofdstuk 20


Marty had het telefoontje van haar leidinggevende wel verwacht, maar niet op zo’n korte termijn. Het lijk lag zelfs nog deels in de modder. Ze kreeg de boodschap kort en zakelijk te horen: ‘Je onderzoek wordt na vandaag overgenomen door het Team Grootschalige Opsporing.’ De besluiten waren zonder enig overleg met haar genomen en ook al verder gecommuniceerd. Ze kreeg niet eens de kans om te zeggen: ‘Ho! Misschien moeten jullie eerst naar mijn bevindingen als specialist luisteren voordat jullie eenzijdige keuzes maken?’

Ze vond het volkomen logisch dat bij een complexe moordzaak zoals deze er een specialistische afdeling mee verder zou gaan. Er was sprake van meerdere gevonden lichamen en mogelijk hadden de zaken met elkaar te maken.
De leidinggevende van de afdeling was zo coulant om bij haar op het bureau een onderzoekskamer in te laten richten. De ruimte was afsluitbaar en kon ook door Marty gebruikt worden. Ze kon daar de afrondende zaken doen en was het eerste aanspreekpunt bij nieuwe lijkvindingen, als die overeenkomsten zouden hebben met deze zaak. Zo bleef ze zijdelings bij de zaak betrokken en bleef haar rol vanwege haar ervaring en de opstart van de eerdere onderzoeken behouden. Toch was ze er ziek van. Ze ging van onderzoeks- of zaakcoördinator naar rechercheur; dat voelde als degradatie en was een klap in haar gezicht. Ze werkte harder dan ieder ander.

Zou ze straks belangrijke onderzoeksresultaten missen? Tuurlijk. Het zou een embargo-onderzoek worden en niemand, naast de leden van het onderzoeksteam, zou spreken over de voortgang. Het afbreukrisico was te groot en het onderzoek kwetsbaar.
Of zou de korpsleiding de keus om haar van het coördinerende werk te halen gebaseerd hebben op haar keuzes en inzet in deze zaak? Marty dacht aan Frank. Ze had de Officier van Dienst geïnformeerd over de eerdere lijkvinding en hem verteld dat er vermoedelijk nog een slachtoffer in de poel lag. Was het allemaal te voorbarig, het hele circus optuigen op basis van Franks kennis, bevindingen en vermoedens? Samengevat en feitelijk was er niet meer dan een lijkenlucht en was er een schoen gevonden.
Al was het misschien een gok geweest, Frank had uiteindelijk wel gelijk gehad. Feit: er lag wederom een lijk op hetzelfde terrein. Vonden ze haar te wispelturig? Was dat het? Nee! Feit: haar collega-rechercheur had kennis en ervaring en dus veel expertise.
‘Willems?!’
Alsof er een ballon naast Marty werd stukgeprikt, knalde ze weer terug in de realiteit. Ze keek langs de pomp die gebruikt werd om het overtollige grondwater uit de kuil weg te pompen. Ze zag een collega in een wit pak twee blauw gehandschoende vingers opsteken. Ontdaan kopieerde ze het gebaar en kreeg bevestiging: de witte collega knikte traag en herhaalde het gebaar.
De werkelijkheid drong tot haar door: in de poel lagen niet een maar twee lichamen. Ontredderd keek Marty op naar het bladerdek in de bomen boven haar. Frank, waar ben je in beland? Ze zag de twee ringen van afzetlint die direct na aankomst door de eerste collega’s waren gemaakt. Die ringen schermden het plaats delict af en creëerden werkruimte voor de politie en overige diensten. Marty was niet tevreden over de plaatsing van de tweede ring. De werkruimte moest vergroot worden. Een reden om dat te doen was dat er te weinig bekend was over de twee lichamen. Dat moest voor de buitenwereld ook zo lang mogelijk zo blijven. Vroegtijdige publiciteit kon dodelijk zijn voor het vervolgonderzoek.
Ze had het nog niet gedacht of een collega riep: ‘Er rende een journalist onder het lint door!’

‘Daar heb je het gelazer al.’ Draaiend op haar hakken speurde Marty rond naar beweging vanaf de openbare weg. Het doel van de journalist was haar duidelijk. Die wilde naar de tent in de hoop de perfecte eerste foto te kunnen maken. Toen zag ze de journaliste, die zich met haar camera soepel maar doelgericht tussen de dikke, met mos begroeide boomstammen door manoeuvreerde.
Marty snelde naar haar toe.

De journaliste zag Marty, rukte haar perskaart van haar borst en begon ermee te wapperen.  Door Marty’s gezichtsuitdrukking wist ze dat ze over de grens was gegaan.
‘Ik mag hier zijn,’ zei de journaliste, voordat Marty iets had kunnen zeggen.
‘Dat lint hang er niet voor niets en dat geldt ook voor journalisten met een perskaart.’
‘Het is belangrijk dat er verslaglegging wordt gedaan.’
‘Het is belangrijker dat jij geen sporen kapotmaakt en dat je het onderzoek niet belemmert,’ ketste Marty terug.
‘Dus er is wel degelijk wat gaande.’
Marty verwonderde zich over de brutaliteit en schaamteloosheid van de journaliste. Ze ademde diep in om te voorkomen dat ze de camera uit haar handen zou rukken en de lens zou breken. Ze was gefrustreerd over het gedrag en de respectloosheid van de vrouw. Deze vrouw moest weg van het terrein en als het nodig was onder dwang.
De aandacht van de vrouw werd getrokken naar een beweging bij de tent. Er werd een zwarte lijkzak verplaatst.
‘Is het een lijk? Wie is het?’
‘Meen je dit nou serieus? Heb een beetje respect! Stel je eens voor dat het een familielid van jou is. Of moet ik dan ook iedere collega van jou door het bos laten stampen?’ Marty wenkte naar twee politiemannen die ze eerder had geïnstrueerd om extra werkruimte te creëren. Ze kregen een nieuwe opdracht: de nieuwsgierige journaliste verwijderen van het terrein.

Het duurde niet lang totdat Marty zich realiseerde dat ze het gezicht van de blonde sensatiezoeker kende. Een aantal weken geleden was deze journaliste ook op onderzoek uit gegaan. Ze had informatie gekregen over een drugslab in de buurt. Een klokkenluider had aangegeven dat er na zes weken nog steeds niemand vanuit een overheidsinstelling naar het pand was gegaan. Ze had de ballen gehad om vanuit haar personenauto foto’s van het terrein te maken. Iemand op het terrein had haar betrapt en ze was met een sjofel van de weg gedrukt. Een paar mannen eisten haar camera met de gemaakte foto’s. Overdwars geparkeerd in de sloot belde ze de centrale meldkamer, die direct de politie erheen stuurde. De journaliste had gelijk gehad, er zat een drugslab waar methamfetamine, beter bekend als crystal meth, werd geproduceerd. Dankzij haar konden er vier mannen worden aangehouden. Ze kon zelfs informatie geven die het onderzoeksteam niet had geweten en gaf daarna ook nog voldoende aanknopingspunten voor een aantal andere drugspanden. ‘Fabiola?’
De perskaart en de camera zakten naar beneden. ‘Hoe weet jij dat?’ vroeg Fabiola achterdochtig, terwijl ze even om zich heen keek.
‘Een aantal weken geleden stonden we ook samen in de blubber.’
Fabiola grijnsde breed. ‘Verdomd, rechercheur Willems.’
‘Hoe gaat het met je?’ vroeg Marty.
‘Zoals je ziet ben ik niet bij de pakken neer gaan zitten.’ Dat klopte. Ze was blijkbaar weer aan het werk gegaan na de doodsbedreigingen die ze naar haar hoofd geslingerd had gekregen. Als eerste journaliste ter plaatse bewees ze dat ze nog helemaal ‘up and running’ was.
‘Heb je een kaartje?’
‘Ja.’
Marty wist dondersgoed wie ze was en het zou haar geen moeite kosten om haar gegevens te achterhalen. Daar ging het niet om. Het ging erom dat de vrouw weg zou gaan van dit perceel, dan zou Marty haar later een keer bellen.
‘Ga gewoon net als de anderen naar de zijkant. Daar is ook een lint gespannen en kun je beter foto’s maken. Als er wat bijzonders is, dan gebeurt het daar.’

Fabiola gaf haar kaartje aan Marty en twijfelde. Ze wist dat ze werd afgewimpeld. Ze keek naar de politiemannen achter Marty die een kop groter en hoogstwaarschijnlijk sneller waren dan dat zij was. Ze schatte haar kansen in. Als ze bleef staan, was ze haar perskaart kwijt en dat wilde ze ook niet riskeren. Ze koos eieren voor haar geld en liep terug naar waar ze vandaan kwam.
Marty keek haar na totdat ze uit het zicht was verdwenen.
‘Bedankt voor de ondersteuning jongens, helaas geen spektakel voor haar vandaag. Zouden jullie nu eerst even de tweede afzetting willen verplaatsen alsjeblieft?’
De politiemannen lachten en verplaatsten de tweede ring.
Marty liep via het gemarkeerde pad naar de witte tent van de forensische opsporing. Ondertussen vroeg ze via de portofoon wie de dombo was die journalisten had doorgelaten. ‘Het mag duidelijk zijn dat er geen journalisten door de afzetting mogen komen. Alle journalisten moeten zich melden achter het lint op de verzamelplaats. Als ze wat willen weten, dan verwijs je ze door naar Communicatie. Wij vertellen helemaal niks en we beantwoorden helemaal niks. Dus vertel ook niet aan knappe dames hoe laat en wat je vanmorgen hebt gegeten.’ De laatste zin zou blijven hangen. Fabiola was een leuke vrouw om te zien en politiemensen waren ook niet blind of ongevoelig voor charmes.
‘Willems, kom even hier, er ligt een pak voor je klaar.’
‘Ja, ik kom eraan.’ Een andere onderzoeker van de Forensische Opsporing gaf haar een setje neuspluggen en de witte overall die ze over haar kleding aan moest trekken. ‘Bedankt.’ Nadat ze de overall had aangetrokken stak ze de blauwe pluggen in haar neus en liep naar de rand van de tent. Een frisse mentholgeur trok door haar neus. Ze hoopte maar dat het voldoende was.
‘Je zult ze nodig hebben. De laatste foto’s zijn gemaakt. We gaan zo de lichamen verplaatsen, dus nu kun je de situatie nog zien zoals wij hem aantroffen.’
En daar stond ze weer. Het was de zoveelste lijkvinding waar ze bij betrokken was maar het wende nooit. Staande bij de bruine, stinkende smurrie ademde ze diep in. Niet vanwege de stank die ging komen, maar om de focus op te roepen die ze nodig had om alles te onthouden wat ze ging zien. Geconcentreerd ging ze de tent binnen en zag het trieste schouwspel: twee vrouwen achtergelaten in het bos en overgeleverd aan de dieren. Marty keek naar de twee lichamen, die als het ware troostend met het gezicht naar elkaar toe gekeerd lagen. Beide lichamen waren deels vergaan. Het ene was op het oog in een verdere staat van ontbinding dan het andere. De bevuilde, maar verder nog intacte dameskleding maakte het aannemelijk dat het om twee vrouwen ging. Marty hield nadenkend haar hoofd schuin. De vrouw links droeg opvallende bovenkleding: een tot de nek dichtgeknoopte bloes met op sommige plaatsen opgestikt kant. De bloes was van nature licht van kleur geweest, maar nu door de bladeren bruingroen gekleurd.
‘Eerder heb je aangegeven dat het haar van het slachtoffer dat gisteren is aangetroffen kort en onregelmatig afgeknipt was.’
‘Ja. Klopt.’
‘Dan heb je er nu drie in dezelfde categorie.’
‘Drie stoffelijke overschotten met kort gekipt haar?’ Ze keek naar de groen uitgeslagen gezichten van de slachtoffers met hun gesloten ogen. Ze lagen daar met hun verkleurde vingers die in elkaar gevouwen waren. Het was alsof ze tijdens de laatste minuten van hun leven nog hadden gebeden. ‘Wat is dat? Bij het linker slachtoffer?’
De onderzoeker keek waarnaar Marty wees. Hij boog voorover in zijn witte pak en zag de samengevouwen handen van de vrouw, met aan een van de vingers een ring met een bruine steen. ‘Daar is een foto van gemaakt.’
‘Kun je mij die foto straks mailen?’
‘Ja. Maar dit vind je ook interessant denk ik. Kom, vanaf jouw kant kun je het niet goed zien. Kom maar een stap naar deze kant, je maakt niks stuk als je mij volgt.’
Marty volgde de aanwijzingen en bekeek de slachtoffers nu van een andere kant. Ze wachtte tot de onderzoeker haar zou laten zien wat er zo interessant zou moeten zijn.
‘Kijk eens, de dame met de ring heeft nog iets opvallends: ze mist een deel van haar middelvinger aan haar rechterhand. Als je de middelvinger in drie delen zou opdelen, mist ze een derde van haar vinger.’

‘Klinkt het morbide als ik zeg dat ik hier heel erg blij mee ben?’ vroeg Marty voorzichtig.
‘Nee, dat is zelfs volkomen logisch. Het is een stap dichter bij een identificatie en een naam.’

‘De vinger, is dat gebeurd tijdens…?’
‘De eerste indruk is oud littekenweefsel. Als je een vermiste vrouw zoekt, zul je moeten zoeken naar een vrouw van een jaar of vijftig, met donker haar, die een stuk van haar vinger mist. De andere vrouw is zodanig vergaan dat ze eerst verder onderzocht zal moeten worden.’

Marty klom weer omhoog naar de hardere ondergrond. Om de stoffelijke overschotten niet verder te beschadigen of bewijsmateriaal te vernietigen, zouden ze hen voorzichtig moeten vervoeren. Ze vermoedde dat ze eerst in lijkzakken geplaatst zouden worden en pas daarna in luchtdichte bakken. Zo zou voorkomen worden dat de veranderende atmosfeer tot verdere ontbinding van de lichamen zou leiden. Nadenkend keek Marty op haar horloge. Voor het einde van de middag zouden ze nog aankomen bij het Nederlands Forensisch Instituut. Daar zouden de lichamen verder onderzocht worden.


Hoofdstuk 21


De schroevendraaier en het overige gereedschap lagen al twee dagen op de vloer. Na de dramatische lunchafspraak had Esther geen energie meer om het restaureren van de stoel voor te zetten. Meerdere malen per dag passeerde ze het kale frame of stapte hoofdschuddend over het verzamelde afval heen.

‘Vandaag is het zover.’ Esther keek met haar armen over elkaar naar de stoel. Het was tijd om zichzelf te herpakken en een nieuwe poging te wagen. ‘Je kan het, Esther,’ zei ze motiverend tegen zichzelf, terwijl ze haar handpalmen stevig tegen elkaar aan wreef. ‘Het stellen van de veren is appeltje-eitje voor jou!’
Ze liep naar de stoel toe en ging op haar knieën ernaast zitten. Geconcentreerd bekeek ze de singelbanden die ze de vorige keer zorgvuldig had vastgezet. Ze had het instructiefilmpje op de juiste manier gevolgd en ze kruislings op de juiste plek vastgemaakt en over elkaar heen tot een ruit gevormd. Ze pakte de grote stalen veren van de grond en zette ze boven op de singels. Tevreden knikte ze, toen ze voor allemaal een plek had gevonden op de basis van het zitkussen. ‘Ja, dat is mooi… mooi.. mooi man…’ zong ze lachend voor zichzelf. Met een grijns trok ze de ronde bovenkant van de veer waarmee ze zou beginnen een stuk opzij, waardoor hij terugveerde. ‘Goed zo, en dan gaan we de veren nu op de juiste hoogte stellen.’

Esther rolde een lang stuk jutetouw af en sloeg het dubbel. Ze hield er rekening mee dat ze de veren meerdere malen moest knopen om ze naar beneden te trekken en op de juiste hoogte te zetten. Toen ze zeker wist dat ze voldoende touw had, zette ze een nette knoop aan het uiteinde en sloeg het touw met een kram vast aan het houten frame. Nadat het zitkussen eroverheen zou gaan, zou de kram niet meer zichtbaar zijn.

Met kracht duwde Esther de veer naar beneden en draaide het touw onder de veer door. Op de juiste hoogte maakte ze een knoop en bracht het touw een veer verder. Het koste een flinke dosis inschattingsvermogen en kracht om de veren op de juiste hoogte te houden en te stellen. Nadat ze vier veren aan elkaar had gekoppeld bekeek ze het resultaat. Nadenkend krabde ze op haar achterhoofd. De veren leken onder haar blik hun eigen wil te hebben en als een polonaise opzij te willen bewegen. Het was totaal niet zoals Esther het in gedachten had gehad of op internet had gezien.
Aan één kant zag Esther het touw onder de vastgeslagen kram alweer rafelen. ‘Hier klopt geen bal van,’ mopperde ze. ‘Nog één keer dan. Als het dan niet lukt, kap ik ermee,’ om er vervolgens met een wijzende vinger aan toe te voegen: ‘En dan steek ik je hoogstpersoonlijk in de fik.’ Ze twijnde het jutetouw tot het dikker en sterker was. De knoop die dikker werd, zette ze vast met een tweede kram, en zo timmerde ze verder rondom het frame. Ze had de veren nog maar nauwelijks naar beneden gedrukt en met het amateuristisch getwijnde touw aangespannen, of het touw begon wederom te rafelen. Het touw was gewoonweg niet geschikt. Teleurgesteld keek ze naar de zitting. ‘Kop op, schouders eronder. Probeer dan maar wat anders.’
Esther stond en liep naar de voorraadkast. Bij de geopende deur keek ze via de voorraadstelling naar de bovenste plank. Balancerend op haar tenen trok ze aan het onderste tuinkussen zodat de stapel naar beneden viel. Ze pakte het grootste verkleurde kussen dat ze kon vinden en knipte die op maat voor de rugleuning. Op de plekken waar oorspronkelijk knopen hadden gezeten, tekende ze met een pen rondjes en knipte ze daarna uit. Nadat ze de juiste knoopsgaten en grootte van de rugleuning had gevonden, pakte ze haar tacker en schoot de nietjes door de stof op het frame vast. Ze glimlachte. ‘Dat gaat een stuk beter. Vooruitgang mensen!’ Ze pakte de aangekochte stof en rolde die uit. Nadat ze een ruime hoeveelheid had afgeknipt, vouwde ze de rand om en zette deze met de tacker aan de bovenkant van de rugleuning vast. De rest niette ze op zo’n manier vast, dat ze er zeker van was dat de meubelnagels de nietjes bij de afwerking zouden bedekken. Zorgvuldig trok ze de stof over de vulling. ‘Dat ziet er goed uit,’ mompelde ze tevreden. Uit haar naaikoffer pakte ze garen en de langste naald die ze kon vinden. Ze pakte een dik stuk garen en stopte het uiteinde in haar mond. Met een oog dichtgeknepen kreeg ze het voor elkaar om het touw door het oog van de naald te laten kruipen. Voor haar op de grond lagen de twaalf glimmende knopen, die zie weer schuin onder elkaar wilde capitonneren. Vanaf de achterkant van het kussen drukte ze geconcentreerd de naald door de stof en de vulling, om tot de conclusie te komen dat de naald te kort was om aan de andere kant aan te pakken. ‘Serieus? Het wordt mij niet gegund hè? Ik ben er klaar mee.’

Met een dramatisch gebaar liet Esther zich achterover op het tapijt vallen en staarde naar het plafond. Het was dom geweest om de stoel mee te nemen. Hoe had ze kunnen denken dat ze een antieke stoel zou kunnen stofferen? Laat staan capitonneren. Ze stelde zichzelf de vraag of ze zou blijven zeuren, of dat ze zich weer zou oppeppen en een nieuwe poging zou wagen. Ze was niet iemand die makkelijk opgaf. ‘Mooi niet,’ zei ze hardop, terwijl ze haar vinger belerend opstak. ‘Je gaat nu niet opgeven! Doorzetten met die hap!’ Ze rolde zich op haar buik en pakte haar telefoon. In de app van marktplaats stond nog het gesprek met de man waar ze laatst spullen had opgehaald. Ze stuurde hem nogmaals een bericht:

Goedemiddag, ik ben laatst bij u geweest om stoffeerders spullen bij u op te halen. Heeft u knopentouw en een lange naald om de knopen vast te zetten? Ik zoek ook stevig touw om de veren te stellen. Ik hoop dat u mij kunt helpen.

Dit keer antwoordde hij niet meteen. Teleurgesteld draaide ze zich terug op haar rug. Over een klein uur had ze een afspraak met de psycholoog en ze kon die niet weer afzeggen. Het was nu van belang om trouw naar elke afspraak te gaan, maar ze had er totaal geen zin in. De gesprekken met de psycholoog waren voor haar te persoonlijk. Haar emotionele blokkade was nog te hoog, terwijl haar muur van vertrouwen en veiligheid nog opgemetseld en gevoegd moest worden. De laatste keer had de psychologe haar doorgezaagd over de paniekaanvallen die ze met regelmaat in het openbaar had. Daarbij had Esther de meest recente op het terras met Gwen voor zich gehouden. Ze was zelf over haar paniekaanvallen begonnen bij de psychologe, maar had meteen al spijt gehad. Op elk woord dat ze uitsprak werd direct ingehaakt en alles werd minutieus ontleed en besproken. Het voelde als een woordelijke sectie, alsof ze woord voor woord werd ontleed tot er bijna niets meer van haar over was. Laagje voor laagje werd ze verder afgepeld en het werd steeds pijnlijker. Aan het einde van het laatste consult had Esther huiswerk meegekregen. De psycholoog vroeg haar om alle positieve en negatieve karaktereigenschappen van haar ouders op te schrijven. Wat had ze daar nou aan? Wat zou dat nou helpen om de positie waarin ze zat te verbeteren?

Toch pakte Esther nu haar notitieblok, dat ze ook gebruikte voor de uitwerking en analyse van haar terugkerende nachtmerries. Ze draaide een bladzijde om zodat ze nu naar een onbeschreven bovenste blad keek. Ze moest er maar op vertrouwen dat haar psych capabel genoeg was en wist wat ze deed door dit soort opdrachten te geven. Ze besloot de opdracht serieus te nemen en zou proberen zich open te stellen.
‘Oké, aan de slag. Dit moet te doen zijn.’ Bovenaan het vel papier schreef ze het eerste woord in hoofdletters op: ‘PAPA.’ Daaronder verdeelde ze het blad verticaal in tweeën door middel van een blauwe penstreep, boven de linker kolom schreef ze ‘POSITIEF’ en boven de rechter kolom ‘NEGATIEF’.

Zacht murmelde ze de tekst mee die ze opschreef in de positieve kolom. ‘Mijn vader is intelligent en een perfectionist. Hij denkt dat je door hard werken je doel in het leven bereikt en dat dat harde werken uiteindelijk beloond wordt.’

Ze haalde de balpen van het papier, dacht na en ging verder. ‘Mijn vader is er altijd als ik hem nodig heb en geeft vaak goede raad. Tussen haakjes: ik luister niet altijd naar zijn goede raad, want hij kan ook wel eens betweterig zijn en daar kan ik niet tegen.’ Haar pen zweefde nu naar de negatieve kolom, nu werd het moeilijker.

Tja, negatief, daar stond ze wat minder vaak bij stil en negatieve zaken noteren voelde als verraad. ‘Mijn vader,’ haar pen stokte en ze hield hem weer boven het papier. Ja en nu? Ze kon haar vader niet afkraken want ze werd geblokkeerd door de loyaliteit die ze had naar haar ouders. Wat was dit confronterend en moeilijk. ‘Mijn vader denkt dat hij altijd gelijk heeft en is eigenwijs. Hij vindt het moeilijk om over zijn gevoel te praten en…’ De woorden stokten terwijl ze haar lippen tuitte en roerloos voor zich uit staarde. Ze zag haar vader voor zich. Ze schudde even met haar hoofd om het beeld te verdrijven. Wacht eens. Dat had ze toch al opgeschreven bij de vorige kolom? ‘Hè jakkes.’ Ze zette een accolade achter het betreffende stukje tekst en trok daarvandaan nijdig een pijl naar de negatieve kolom.

Esther schreef het volgende woord op: ‘Hij…’. Op dat moment realiseerde ze zich dat ze het puntje van haar tong uit haar mond stak bij het schrijven. Als kind deed Esther dit al als ze zich concentreerde en ze trok snel haar tong naar binnen en sloot haar mond.  Ze schreef verder: ‘…vindt het moeilijk om complimenten te geven.’ Haar vaders overmatige alcoholgebruik van de laatste tijd liet Esther achterwege. Ze wist dat verslaving ook in haar genen voorkwam en daar schaamde ze zich voor. De behoefte om dat bespreekbaar te maken had ze niet.

‘Zo, dat was dat. Nu mama.’ Het was lang geleden dat Esther dat vierletterwoord hardop had uitgesproken. Er was ook geen reden meer om dat te doen. ‘Mama,’ probeerde ze nogmaals. Verdrietig kneep ze haar ogen samen en haalde een diepe teug adem om de tranen die zij voelde opwellen weg te drukken. Ze pakte het leren telefoonhoesje dat ze altijd bij zich droeg en haalde daar de laatste foto van hen samen uit. ‘Oh mama,’ snikte ze en liet haar tranen de vrije loop. Ze zou er zóveel voor over hebben om een knuffel van haar moeder te krijgen of om even kort met haar te kunnen praten. Al zou het maar heel even zijn. Met tranen in haar ogen dacht ze aan de tijd dat ze samen onder de veranda zaten met een kop koffie of een glas rode wijn. Meestal was er dan een plastic bakje met een snack als katjang pedis, kroepoek of een lemper. Uiteraard had haar moeder de sambaldip zelf gemaakt. Giebelend aten ze dat dan samen leeg. Het was haar ook heel wat waard om daarna haar vader te horen mopperen dat hij niks had gehad omdat hij boodschappen deed. Ze hoefde haar moeder maar quasi-schuldig aan te kijken om het dan samen uit te gieren.

De momenten dat Esther het moeilijk had en haar moeder Yvon alleen maar naar haar luisterde, knikte en zei dat altijd alles goed zou komen, koesterde ze. Hun tijd samen was te kort geweest en dat was niet eerlijk. Haar moeder was nooit veroordelend, kwaad of gemeen tegen anderen. Dat was ook een van de redenen waarom ze haar alles kon vertellen. Ja, ze waren elkaars tegenpolen. Zo rustig en nadenkend als haar moeder was, zo impulsief en druk was Esther. ‘Kijk, prima dit, Esther. Een beetje janken en dan heb je je antwoorden voor de psych: zorgzaam, niet veroordelend, grappig, een luisterend oor en een verhalenverteller. Hoppakee, en nu negatief.’ Ze keek naar de lege kolom. ‘Negatief klinkt zo negatief, kan dat niet anders genoemd worden? Wat waren mama’s valkuilen? Over de doden niks dan goeds, dan kan ik toch niks negatiefs zeggen? Oh, wat is dit vermoeiend.’ Toen ze wist wat ze op zou schrijven, deed het haar meer pijn dan ooit. Toch zette ze de woorden op het witte papier om ze niet alleen definitief vast te leggen maar ook duidelijk voor zich te zien. ‘Mijn moeder nam nooit een risico.’ Als haar moeder eerder had verteld over de misselijkheid, duizeligheid of de hoofdpijn, dan waren ze op tijd geweest. Dan had Esther haar het hele land door gebracht naar elk wetenschappelijk onderzoek dat artsen of wetenschappers waren opgestart. Esther had elk homeopathisch middeltje vanuit de Chinese geneeskunde gekocht, al had ze daarvoor naar China af moeten reizen en daar als betaling driemaal over de Chinese muur moeten rennen. Ze had een nier, tachtig procent van haar lever, een long, álles afgestaan om haar moeder te helpen, maar haar moeder wilde niets. Geen operaties of bestraling of andere risicovolle behandeling. ‘Waarom niet, ma?’

Esther nam, in tegenstelling tot haar moeder, genoeg risico’s. Als ze voor elk risico dat ze had genomen een druppel water had gekregen had ze er met gemak een tweepersoons badkuip mee kunnen vullen. Haar moeder daarentegen hoefde ook geen risico’s te nemen want ze was altijd tevreden. In welke situatie ze ook zat. Zo ook het leven wat zij met haar vader leidde. Ze genoot ervan om samen met hem voor de kachel of op de veranda te zitten. Een simpel maar goed leven waarbij ze genoeg hadden aan elkaar.
Esther was meer een ongeleid projectiel. Zij kon bijvoorbeeld soms dagen achter elkaar gaan stappen. Ze kwam dan vaak beschonken thuis. Van zichzelf moest en zou ze minimaal één keer per jaar met Gwen op vakantie gaan. Ze vrat als een bootwerker zonder gevoel van verzadiging en had een gat in haar hand als ze eenmaal begon te winkelen. Ze handelde eerst en dacht daarna pas na. Naderhand trok ze vaak dezelfde conclusie: dat ze niet zo verstandig was geweest. Van schade en schande word je immers wijs, niet?

Hoe konden moeder en dochter zo verschillend zijn? En waarom was juist zij degene die altijd onrustig en zoekende was? Waar ging haar weg naartoe?
Esther keek naar de tijd. Als ze nu zou vertrekken dan kon ze nog langs de toko rijden. Dan kon ze een zak rempejek en katjang pedis kopen, die ze zaterdag kon meenemen voor haar vader. Ze gniffelde. Ze had sushi voorgesteld maar ze wist dat haar vader niet met stokjes kon eten. Zelfs met een opgevouwen stukje papier ertussen en een elastiekje eromheen zat hij nog te hannesen. Ten einde raad en met het schaamrood op zijn kaken zou hij dan om een vork vragen. Het idee dat hij op voorhand al zat te zweten deed haar goed. Het was onschuldige voorpret want uiteindelijk zou ze hem sparen. Als een goede dochter zou ze avondeten voor hen maken. Hij was immers jarig en als zij er niet bij stil zou staan, dan zou niemand het doen. Haar vader wilde zijn verjaardag en het ouder worden nooit vieren. Taart en slingers vond hij zonde van het geld en visite vond hij ruk. Hij had een uitspraak: ‘Bezoek brengt altijd vreugde aan, is het niet bij het komen, dan wel bij het gaan.’ Misschien moet ik dat op een Delftsblauw tegeltje laten zetten en dat geven als verjaardagscadeau dacht Esther. Ze liep de keuken in om uit een kastje een boodschappentas te pakken.
Esther voelde een korte trilling tegen haar been, veroorzaakt door de telefoon in haar broekzak. Ze pakte de telefoon tevoorschijn, keek op het scherm en zag dat ze een reactie van de stoffeerder had gekregen. Rond vier uur kon ze bij hem terecht. Dat kwam goed uit. Dan had ze na het gesprek met de psycholoog een gericht doel en meteen wat afleiding.
Uiteindelijk moest Esther immers weer leren om zelfstandig in de wereld te staan. Meteen tikte ze een bericht terug: Prima! Super! Tot straks!


Hoofdstuk 22



Het was een spreekruimte met groene, tropische planten die weinig water of onderhoud nodig hadden. Een sansevieria, die zichzelf al volop stekte in zijn eigen bruine pot, drie kleine cactussen en een beaucarnea waaraan je kon zien waarom hij ook wel olifantspoot werd genoemd. In de verte stond nog een witte orchidee met dusdanig spierwitte bloemen dat Esther er zeker van was dat hij nep was. De muren gesausd met rustige, lichte aardetinten en in de houten kast met zes brede schappen stonden vooral veel boeken. Natuurlijk veel boeken over psychologie en de psyche van de mens, want dat staat lekker slim. Op een sidetable stond een glas water met daarnaast een halfvolle glazen kan. ‘Of moet ik in mijn toestand halfleeg zeggen?’ vroeg Esther zich glimlachend af. Ze keek naar het glas. Ze voelde dat ze te veel koffie had gedronken en te weinig water. Ze had een smaak in haar mond alsof er een hamster in haar mond had liggen baren. Vertwijfeld vroeg ze zich af of het vreemd zou zijn om het glas spraakwater in één teug leeg te drinken.
‘Is dit wat je vindt van je ouders?’
‘Ja.’

‘Wat vind je daarvan?’

Esther las de tekst op haar notitieblok nogmaals door. ‘Ik vind daar helemaal niks van, het is zoals het is.’

Psychologe dr. A.C.W.M. van Berkel-Hoff, maar Esther mocht Anita zeggen, zat voor haar met haar eigen notitieboek. De leesbril die ze droeg, zakte zo nu en dan van haar neusbrug. Naar het glas starend vroeg Esther zich af of ze de bril alleen opdeed om er interessant uit te zien, terwijl het stiekem een goedkoop model was zonder versterkte glazen.

‘Laat ik het anders zeggen,’ zei Anita. ‘Wat voel je hierbij als je dit voor je ziet?’

‘Ik voel hier niks bij. Ik zie alleen dat mijn ouders heel verschillend waren en dat zij elkaar op miraculeuze wijze leken aan te vullen. Het was liefde op het eerste gezicht en ik denk dat ze daarom zo lang bij elkaar zijn geweest.’

‘Waarom spreek je in de verleden tijd?’

‘Omdat mijn moeder dood is.’

Met een blik van medeleven keek Anita naar Esther. Maar Esther vertrouwde Anita niet en van een veilige patiënt-psycholoogrelatie was wat haar betreft geen sprake. Als Esther ook zo’n uurtarief zou krijgen als zij per consult verdiende, zou ze naar de grootste pannenkoek  nog meelevend kijken. Misschien zou ze zelfs een trage traan over haar wang laten glijden als dat zou helpen.

‘Wat naar om te horen, heftig.’

Esther frunnikte aan de ritssluiting van haar vest. Over de paniekaanvallen wilde ze het niet hebben en over de dood van haar moeder al helemaal niet. Het bleef angstvallig stil. Esther kon niet tegen stilte en doorbrak die, hoewel ze wist dat ze niet goed had nagedacht over de woorden die al op haar lippen lagen. ‘Het is nog naarder als je er zelf middenin zit.’

‘Zit je er middenin?’

‘Verlies slijt nooit.’

‘Ik kan me voorstellen dat je zo denkt en dat het nu zo voelt,’ zei Anita. Ze knikte een beetje met haar hoofd, dat ze een beetje schuin hield. ‘Was je als kind wel eens eenzaam?’

‘Nee.’

‘Nee?’
‘Nee, mijn moeder was er altijd en ging pas toen ik naar de basisschool ging in de ochtenden werken. Als ik dan uit school thuiskwam, was zij alweer thuis en stond ze klaar met iets te drinken en wat lekkers. Mijn vader was altijd aan het werk.’

Anita liet een kort Rogeriaans hummetje horen en stelde de volgende vraag.

‘Hoe was dat voor je? Dat je vader altijd werkte.’

‘Er moest brood op de plank komen, dus dat is meer dan logisch en hoort erbij. Vooral voor die tijd, toen het bijna vanzelfsprekend was dat de man werkte om geld te verdienen en de vrouw thuis was om voor de kinderen en het huishouden te zorgen. Rekeningen dienen immers betaald te worden.’

‘Had je als kind veel vrienden?’

‘Ik heb altijd vrienden gehad. Maar zoals het in je leven gaat: soms komen ze op je pad en blijven ze, maar vaker gaan ze weer weg. Ik zit nu in een fase waarbij een deel van mijn vriendschappen overgaat in kennissen en er maar een handjevol blijvend zijn. Zij zijn mijn échte vrienden, mijn leven en mijn gekozen familie. De rest stapt uit de trein. Degene die hetzelfde abonnement hebben als ik reizen mee. Kunt u daar wat mee?’

Wat had Esther toch een hekel aan dat doorzagen, dat zogenaamd stimulerende gehum en die steeds maar terugkerende vraag: ‘Hoe is dat voor jou’. Vreselijk, dat ontleden van de menselijke psyche. Aan alles wat ze zou gaan zeggen zou een label gehangen worden. Dat beangstigde haar.

‘Hmmmm, dat klinkt heel zwaar. Maar het is volkomen logisch en hoort bij de levensfase waar je nu in zit. Je wordt ouder en kiest bewuster. Het is iets goeds om kritisch te kijken naar vriendschappen. De belangrijkste vriendschappen zijn de vriendschappen die je energie geven.’ Anita knikte en keek vervolgens naar haar notitieblok, terwijl ze bleef knikken. Ze was kennelijk tevreden met haar onderbouwing, alleen een schuine glimlach ontbrak nog. ‘Voel je je wel eens anders?’

‘Anders?’ Die vraag had Esther niet verwacht. Daar had ze nog nooit over nagedacht. Ze had gemerkt dat haar persoonlijkheid was veranderd sinds ze bij de politie was gaan werken, maar dacht dat dat te maken had met het volwassen worden. Vrienden die ze kende vanuit haar jeugd hadden zich anders ontwikkeld dan zij. Daar was ze zich inmiddels pijnlijk van bewust omdat niemand begreep wat ze doormaakte. De luchtigheid van sommige vriendschappen leek te veranderen. Ze was door haar werk zelf cynischer en harder geworden. Dat was haar manier om zichzelf te beschermen. Op een verjaardag was er altijd wel iemand aanwezig die wilde weten wat het ergste was wat ze had meegemaakt. Tja, dat waren wel momenten dat ze zich anders en een vreemde eend in de bijt voelde. Het gros had nooit een stoffelijk overschot gezien of iemand moeten reanimeren. Wat ze allemaal had meegemaakt, was vergeleken met de dingen die anderen meemaakten niet normaal. Toch voelde het gaandeweg wel zo.

En als ze dan een keertje uitsprak dat ze sommige dingen best wel heftig vond, was er altijd nog wel iemand die het nodig vond om ook een duit in het zakje te doen. ‘Het is toch een keuze om bij de politie te gaan,’ hoorde ze dan. Maar dat klopte wel. Ze had er bewust en met haar volle verstand voor gekozen en had er de eerste vijftien jaar ook geen spijt van gehad. Maar was het dan wel goed voor je om elke dag geconfronteerd te worden met de meest uiteenlopende ellende, waar je vaak niets tegen kon doen? Ze had het vak toch juist gekozen om het goede te doen en de wereld wat beter te maken? Het was ook lang niet altijd dankbaar werk. Het was wel het overgrote deel van de dienst keihard werken. Zouden meer collega’s dit idee hebben? Of was dit vooral gelieerd aan de stad waarin ze zelf werkte? Ze vond het lastig om antwoord te geven op de vraag van Anita en stelde een tegenvraag: ‘Wat bedoel je met anders? Want ik denk dat ik de vraag niet goed begrijp.’

‘Als je refereert naar je werk, voelde je je daar wel eens anders?’

‘Is dit een standaardvraag die je aan iedereen stelt? Want ik vind hem nogal raar.’

Esther antwoordde nog niet maar vroeg zich af of ze zich op het werk wel eens anders had gevoeld. Tuurlijk wel. Ze was een van de weinige vrouwen in een mannenteam. Door niet in het bezit te zijn van een piemel was ze alleen al fysiek anders. Paste ze binnen de groep? Ja, dat zeker. De mannen waarmee ze werkte waren rechtdoorzee en minder complex dan de vriendinnen die ze kende. Ze voelde zich goed bij haar team. Na een dienst spraken ze regelmatig af om een borrel te doen en dan voelde ze zich geaccepteerd. Geslacht maakte niet uit. Voor werkgerelateerde zaken hadden ze altijd een luisterend oor en ze stonden ook open voor haar vernieuwende ideeën met betrekking tot het werk. Ze konden daarover goed sparren. Ze werd gesteund en stuk voor stuk stonden haar mannelijke collega’s altijd klaar op het moment dat het op straat nodig was. Sommigen hadden zelfs klappen uitgedeeld om haar te beschermen. Dat maakte de situatie zo vreselijk lastig. Op het werk voelde ze zich meer thuis dan in haar eigen huis. Op het moment dat ze haar politie-uniform uittrok en na een dienst naar huis ging, miste ze iets. Ze miste haar mensen en ze voelde zich daarom juist nu anders. Fuck! Reality check, dacht ze met opengesperde ogen.

Het duurde Anita te lang voordat Esther antwoord gaf. ‘Ik zou willen dat je hier de komende week over na gaat denken. Ik krijg een bepaald gevoel bij jou, maar ik wil je geen antwoorden in de mond leggen. Sta deze week een aantal keren bij de vraag stil en schrijf alles wat er door je hoofd is geschoten op. Je brein maakt overuren. Je hoeft heus niet alles te bespreken, maar voor jezelf is het echt goed om het op te schrijven. Oké, goed?’

Hier kon Esther niks mee maar ze zweeg.

‘Ook wil ik dat je aan je beide ouders een brief schrijft.’

‘Een brief?’ Esther hoopte dat Anita het sarcasme in haar vraag niet hoorde en niet zag dat ze ook nog eens haar neus had opgetrokken alsof ze bedorven mosselen te eten kreeg.

‘Ja, een brief waarbij je je focust op de negatieve punten die je van de week hebt opgeschreven. Je gaat proberen te voelen wat hun negatieve punten tijdens je jeugd met jou hebben gedaan. Die brieven neem je volgende week mee.’

Esthers schreef op wat ze als huiswerk meekreeg. Huiswerk had ze nooit leuk gevonden en het ellendige bij dit huiswerk was, dat er helemaal niemand was van wie ze iets kon overschrijven.

‘Hoe slaap je?’

‘Niet zo best.’

‘Lig je veel wakker?’

‘Ik ben de hele dag zo moe als een hond en ’s nachts heb ik ook wel eens een nachtmerrie.’ Eigenlijk zou door deze leugen haar neus nu spontaan moeten gaan groeien. Ook wel eens? Zeg maar gerust bijna elke nacht, dacht Esther zuur.

‘Wel eens of elke nacht?’

Verbaasd en wat ontredderd keek Esther naar Anita. Leerden ze bij psychologie ook gedachten lezen of zo? ‘Oké. Misschien wel iets vaker.’

‘Niet afzwakken of wegwuiven, Esther. Ik ben hier om je te helpen. Ik snap dat het niet leuk is, maar wil je mij vertellen waar het over gaat?’

‘Liever niet.’

‘Ik hoor geen duidelijke nee. Wil je het proberen?’

‘Nou, goed dan.’ Mokkend als een klein kind draaide Esther haar notitieblok om en las met horten en stoten de opgeschreven nachtmerrie voor.

Anita luisterde aandachtig en onderbrak haar niet; er klonk zelfs geen klein stimulerend hummetje. ‘Zo zeg, dat is intens. Ik snap dat dit erg beangstigend is. Even naar het moment dat de vliegen in je keel kruipen, word je dan wakker?’
‘Ja.’

‘Ben je de droom voor jezelf aan het analyseren?’

‘Ja.’

‘Welke elementen heb je eruit gehaald en wat wil je nog meer weten?’

Dit gesprek kreeg weer een heel andere wending. Terwijl ze met haar vinger van boven naar beneden over het papier ging keek ze op haar lijstje. ‘Wie zijn de dode mensen? Wat is de locatie? Informatie over de maden en de vliegen. Ik bedoel: wat betekenen die maden en die vliegen? Misschien de trap naar boven of de muur van duisternis waar ik niet in kan lopen. En vooral: hoe krijg ik invloed op het moment voordat ik wakker word?’

‘Ik zou dit misschien niet moeten zeggen omdat het wellicht wat zweverig in je oren klinkt, maar zoek ook eens op het internet naar verklaringen voor de elementen uit je droom. Ik ben er zeker van dat je wat over de vliegen, de maden of de trap kunt vinden. Het kan je helpen om de droom te duiden. Dromen zijn er om zaken te verwerken, maar je weet nooit van tevoren wat dromen je nog meer kunnen brengen.’

‘Oké, is goed, ik zal gaan zoeken.’ Esther trok twijfelachtig haar wenkbrauw op. ‘Bedankt voor je hulp en advies bedoel ik.’

Anita sloeg op haar bovenbenen. ‘Nou Esther, het is alweer tijd. Ik ben blij dat je bent gekomen. Probeer je het rustig aan te doen de komende tijd?’

Hoofdstuk 23




Op het politiebureau probeerde Marty zich te concentreren op de aantekeningen die ze op de vindplaats had gemaakt. Het kostte haar moeite, omdat haar gedachten af en toe afdwaalden naar de sectie die vanmiddag plaats zou vinden.

‘Misschien is het die ouwe zelf wel,’ zei Leiko plotseling vanachter zijn bureau.

Wat zei hij nou? Had ze dit nou goed gehoord? ‘Wat bedoel je?’

‘Dat die ouwe die vrouwen heeft omgelegd. Het is toch wel heel frappant dat hij binnen een week drie lijken vindt. Moet je horen. Ik heb een theorie…’
‘Hoor je zelf wel eens wat voor idioterie er soms uit jouw strot komt?’ Voor ze het wist waren de woorden Marty’s mond uitgefloept. Het was niet haar stijl om zo bits te reageren, laat staan om haar stem te verheffen. Leiko’s opmerking was niet gebaseerd op feiten. Hij mocht Frank niet, maar dat was geen reden om dit soort vermoedens zomaar uit te spreken. Geschrokken van zichzelf en van Leiko’s ondoordachte opmerking keek ze de afdeling rond om te zien of iemand op hun gesprek reageerde. Als dit soort roddels hier rondgebazuind werden, was Franks leven kapot.

Leiko staarde haar aan alsof hij water zag branden.
‘Je kunt niet zomaar iemand beschuldigen van moord zonder dat je dat kan aantonen,’ zei Marty vervolgens, terwijl ze met haar wijsvinger op de zijkant van haar hoofd tikte. ‘Dat je het denkt is al erg genoeg. De enige theorie die ik wil horen van jou, is eentje die je hebt verkregen op de manier die je hebt geleerd op de politieacademie. Hou jij je nou maar bezig met het vergaren van bewijs. Heb je de taplijn van die ex van Sophie bijvoorbeeld al bijgewerkt?’

‘Ja,’ antwoordde Leiko schouderophalend. ‘Het lijkt erop dat hij de afgelopen weken in het buitenland is geweest met een nieuw vrouwtje. Hij heeft non-stop gesprekken met zijn nieuwe scharrel over hun drieweekse vakantie naar de Nederlandse Antillen. Ze zijn er nog steeds niet uit of ze een “Nemo” hadden gespot of niet. Volgens mij komen anemoonvissen daar helemaal niet voor, maar goed. En…’ Leo maakte zijn zin niet af, want al zijn aandacht ging uit naar een knappe en piepjonge studente die langs liep en iedere aanwezige koffie aanbood. Marty slaakte een diepe zucht.

Als de ex van Sophie inderdaad in het buitenland was, kon hij haar onmogelijk vermoord en gedumpt hebben. En wat zou dan het verband zijn tussen hem en de andere twee vrouwen? Dit spoor zou uiteindelijk doodlopen.

Marty opende haar mailbox en klikte de foto aan die Forensische Opsporing naar haar had gemaild. Ze keek weer naar de opvallende ring aan de hand van het slachtoffer. Het was een ring van bijna één centimeter breed. Aan de bovenkant was door een zilversmid of sieradenmaker zorgvuldig een ovale steen vastgezet. De kleur van de steen viel in het kleurenpalet onder okergeel. Er liepen bruine strepen over de lengte van de steen. Naast de steen zat een kleinere steen die op een kleine diamant leek. Marty vond deze tweede steen niet passen bij het ontwerp van de ring, maar als het bijvoorbeeld om een trouwring zou gaan, zou de drager het vast niet erg hebben gevonden. Dan was de emotie, het gebaar en de herinnering belangrijker. Marty opende de internetbrowser en tikte ‘okergele steen met bruine strepen’ in. ‘Jaspis, tijgeroog, onyx.’
‘Wat zeg je?’
Marty keek langs haar beeldscherm naar Leiko. ‘Oh niks, ik praat weer eens tegen mezelf.’ Het lukte Leiko om zijn blik weer op iets anders te richten nadat de blonde collega uit beeld was verdwenen om een tweede ronde uit de koffieautomaat te halen.
Het tafereel aanschouwend dacht ze terug aan haar eigen tijd als naïeve vrouw op zoek naar liefde op een politiebureau.

‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg Leiko toen hij een zwarte koffie bij haar neerzette. Hij had de moeite genomen om ook voor haar een kop koffie te vragen. Het was een vredesgebaar en goed bedoeld.
‘Bedankt, daar ben ik erg aan toe. Korte nachten momenteel,’ zei Marty terwijl ze haar best deed niet al te geforceerd te glimlachen. Voorlopig zou ze met Leiko samenwerken en hem alles leren wat ze wist. Ze herhaalde in zichzelf voor de zoveelste keer de door haar zelfverzonnen mantra. Ik ben professioneel en coachen hoort erbij. Door mensen te coachen investeer je ook in je eigen toekomst.

Jij bent ook zo begonnen, gingen haar gedachten verder. Het is soms moeilijk met Leiko maar hij is nou ook weer geen ramp. Hij is alleen ongepolijst en moet nog heel veel leren. Het recherchevak is echt anders dan de buitendienst. En in het buitenwerk is hij een van de besten. Er zit muziek in, echt, ik moet het alleen nog horen. Het feit dat hij koffie brengt zonder erin te spugen is een goed teken. Ik ben geduldig, perfectionistisch en goed in mijn werk. Kennis is macht en macht dien je te delen.

‘Dit is de ring die een van de slachtoffers droeg. Wat denk jij?’ Marty klikte op de foto en sleepte die naast de zoekresultaten die op haar zoekopdracht waren. Leiko keek mee om een vergelijking te maken tussen de stenen.
‘Een tijgeroog,’ klonk het geïnteresseerd naast haar.
‘Ja. Dat dacht ik dus ook.’
‘Wil jij navraag doen bij de Dienst Regionale Informatie Organisatie of ze een vermist persoon kunnen vinden met als detail een ring met een tijgeroog ten tijde van verdwijnen? Het liefst in combinatie met de bijzonderheid dat de middelvinger een deel een vingerkootje of anderhalf mist. En anders alleen het tijgeroog of een trouwring met gele steen. Probeer alle combinaties die je kan bedenken. Ik stuur beide foto’s naar je toe, dan kun je alle details op de ring nog eens bekijken.’
Leiko kon zijn enthousiasme niet voor zich houden en maakte een sprongetje in de lucht. Deze opdracht voelde voor hem alsof hij een stapje dichter bij de dader kon komen, en dat was hopelijk ook zo. ‘Ik ga er achteraan. Komt goed. En Marty?’ Over zijn opgetogen gezicht gleed een laagje schuldgevoel. ‘Ik neem deze zaak echt serieus hoor.’
‘Ik weet het, het zit wel goed. Het is complex en er zijn nog zoveel vragen, ga maar aan de slag.’ Marty klikte op de omschrijving van de werking van de steen: ‘Gouden tijgeroog werkt beschermend, aardend en brengt harmonie en balans. Het trekt geluk, voorspoed en succes aan. Het versterkt zelfvertrouwen, zelfinzicht, moed, doorzettingsvermogen, besluitvaardigheid, optimisme en gevoel van eigenwaarde.’
Waarom had de vrouw deze steen gedragen? Hardop las ze verder. ‘De steen ondersteunt bij angsten, fobieën, nachtmerries en overprikkeling. Maag, wervels, ogen, de keel, depressie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen en tot slot: hij biedt de drager veiligheid…’ Ze klikte de site weg. Ze moest niet verdwalen in de werking van een gekleurde steen. Dat kon ze op een later tijdstip altijd nog doen, want ze moest zo naar een overleg. Nog vijf minuten en dan zouden ze de zaak bespreken; dat mocht ze niet missen. Leiko kon ondertussen doorgaan met zijn zoekopdracht. Daarna zou ze samen met hem naar de eerste sectie gaan en dan zou ze Frank en Frits bellen om te vragen hoe het met hen ging. Kortom: het was weer een ontspannen dag werken.

Hoofdstuk 24



De gesprekken bij de psycholoog hadden haar veel energie gekost en Esther voelde dat ze er doorheen zat. Ze had zich grootgehouden en daar plukte ze nu de bittere vruchten van. Ze reed huilend in haar auto over de snelweg. Een brief schrijven aan haar overleden moeder. Ze kon het gewoon niet. Gefrustreerd sloeg ze op het stuur.
Een aantal bestuurders keek geschrokken naar de vrouw die met haar vuisten op haar weerloze stuur mepte. Ze zouden zich hoogstwaarschijnlijk bezorgd afvragen of de vrouw dronken was en of ze hen door de drank en hevige waterlanders niet van de snelweg zou rijden.
Bij het zien van de afslag ebden de emoties weg. Esther realiseerde zich dat ze tijd nodig had om zichzelf te vermannen en te herpakken. Door de huilbui was ze de heftige emoties voor nu gelukkig kwijtgeraakt. Deze week moest ze de brieven schrijven en ze had zich al een beeld gevormd waar de inhoud over moest gaan. ‘Niet volledig breken vandaag. Dat mag een andere keer. Bewaar je ellende maar voor thuis.’ Ze veegde de door de tranen achtergelaten sporen van haar gezicht en probeerde naar zichzelf te lachen in de autospiegel.
Stapvoets reed Esther de oprit naar het huisje van de stoffeerder op en parkeerde de auto op dezelfde plek als de vorige keer. Dit keer kwam er niemand naar buiten gelopen. Terwijl ze uit de auto stapte, keek ze of ze een teken van leven op het terrein zag. Ze zag niemand en liep naar de voordeur. Ze drukte meerdere malen op de deurbel, maar die gaf geen teken van leven. Ze klopte vervolgens met de knokkels van haar rechterhand op het raam, maar er volgde geen reactie. Ze liep weer terug naar de voordeur van het huisje en klepperde met de brievenbus. Geen reactie. Ze boog voorover, opende de brievenbus en riep: ‘Hallo? Meneer de stoffeerder? Is daar iemand?’ Weer geen gehoor. Ze keek op haar telefoon hoe laat het was en zocht het bericht van Marktplaats. Zowaar, ze was een keer op tijd.
Rustig wandelde Esther langs de zijkant naar de achterzijde van het huis. Daar keek ze ongegeneerd door de smoezelige keukenramen naar binnen. De ruiten konden wel een sopje gebruiken. Toen ze niemand in de keuken zag, draaide ze zich om. Als dit haar huis was, zou ze de hele dag in de keuken staan. Wat een geweldig uitzicht had je als je daarvandaan door het raam keek. Je had zicht op een klein vijvertje omringd met rododendrons die knoppen begonnen te krijgen. Als al het groen van de achtertuin in bloei zou staan, zou het een prachtig gezicht zijn.
De bubbel van Esthers fantasie barstte. Besef nam het over. Ze was voor de kat z’n viool naar de stoffeerder gereden. Ze voelde haar stemming weer dalen. Ze besloot dat ze nog eenmaal rond het huis zou lopen. Als ze hem niet kon vinden, zou ze naar huis gaan en een andere leverancier zoeken voor de overige stoffeerspullen. Aan de woning zat een uitgebouwde schuur met een puntdak, die bij de rest van de woning was getrokken. Het einde van de schuur was een stuk doorgetrokken, waardoor er een overkapping was ontstaan. Het was een flink bouwwerk, dat niet bij het huis paste. Nadat Esther de uitbouw was gepasseerd viel haar oog op een klein tuinhuisje achter in de tuin. Het was een soort hutje waarvan de deur openstond. ‘Logisch, hij is natuurlijk gewoon in de tuin bezig.’ Ze liep naar het houten hutje en keek om de hoek naar binnen. Er was niemand. Esther kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en deed een paar stappen naar binnen. Ze zag aan de houten planken het gereedschap netjes gesorteerd met koordjes aan spijkers. Zelfs het tuingereedschap was voorzien van een koord. Wat zou haar vader jaloers zijn op het arsenaal aan gereedschap en vooral de wijze waarop het was opgehangen. Esther zag dat er aan een van de spijkers geen tuingereedschap hing. Op de vloer daaronder zag ze wat aarde liggen. Ze was er zeker van dat daar een schep of een bats had gehangen. Vanuit haar ooghoeken zag ze in de schaduw iets bewegen. Van schrik sloeg haar hart over en ze deinsde op haar hakken achteruit naar buiten. ‘Geen paniek Es, deze kun je de baas. Niet zomaar in je broek plassen.’ Haar hartverzakking had nu plaatsgemaakt voor stevig bonzen, maar toch deed ze een stap naar voren en keek naar beneden waar het geritsel vandaan kwam. Een zwarte merel fladderde hevig met zijn vleugels. Het beest was vast in paniek door de onverwachte bezoeker. De arme vogel zat met zijn vleugel vast in een groen aardbeiennet dat op de grond lag. ‘Jeetje zeg, meneertje. Je maakte me aan het schrikken.’ Esther hurkte neer en pakte de tere vogel voorzichtig vast. Het angstige beestje was volledig over zijn toeren, spartelde wild om zich heen en probeerde haar te pikken. Door dit gespartel raakte hij nog verder verstrikt tussen de geknoopte draden van het net. ‘Rustig maar,’ suste Esther, ‘ik doe je geen kwaad, ik wil je alleen helpen.’ Ze pakte de vogel onder zijn vleugel en drukte zijn kopje naar beneden zodat hij haar in haar broek pikte en niet bij haar vingers kon. Het was een net met grote mazen. Het lukte Esther om de vastgedraaide vleugel met een aantal draaibewegingen los te krijgen. Voorzichtig spreidde ze de vleugel uit om te zien of de vogel geen ernstige beschadigingen had. De zwarte veertjes zaten netjes naast en over elkaar en er zaten geen breuken in de smalle botjes. Hij zou weer kunnen vliegen. ‘Het valt reuze mee kleintje, je bent zo weer vrij. Ik kijk of alles goed met je is en dan laat ik je gaan.’ Esther knikte tevreden, terwijl ze de kwetsbare vleugel voorzichtig terugvouwde. Neuriënd draaide ze de vogel weer met zijn kop omhoog.
‘Wat moet dat hier?!’ klonk een boze mannenstem.
Esther, die nog steeds op haar hurken zat, was even niet alert en schrok van de onverwachte stem. Ze kon maar net voorkomen dat ze voorover met haar gezicht in het groene net zou vallen. Geschrokken keek ze op naar de stoffeerder, die dreigend met een geheven schep achter haar stond. De man was niet groot maar zou zeker de kracht bezitten om haar op haar hurken met een enkele klap buiten bewustzijn te slaan. Hij zou haar daarna levend kunnen begraven. Verschrikt en met grote ogen keek ze naar hem op en schatte de situatie in. Niet iedereen is wreed en gevaarlijk Esther, sprak ze zichzelf zwijgend toe. Kom op zeg, niet zo para, ga het gesprek aan. ‘Mijn excuses, meneer. Ik was naar u op zoek en zag de deur van de schuur openstaan. Toen hoorde ik de merel die vastzat in het net. Ik heb hem een seconde geleden losgemaakt.’
De stoffeerder liet meteen zijn schep zakken en keek naar de merel in Esthers handen. ‘Een mannetje.’
‘Ja.’
‘Heb je er verstand van?’
‘Een beetje. Mijn ouders zijn vogelkenners.’
‘Is hij oké?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Hmm, kom maar uit snel de schuur dan.’ De stoffeerder stapte opzij.
Eenmaal buiten hief Esther haar armen en opende voorzichtig haar handen.
Protesterend vloog de merel weg, maar niet voordat hij nog een laatste keer in Esthers duim pikte. De zwarte zangvogel vond duidelijk dat hij te lang had moeten wachten op zijn vrijlating.
‘Bedankt hè,’ grapte Esther terwijl ze een gek gezicht trok.
De stoffeerder lachte toen ze naar de vogel zwaaide. Vervolgens stak hij zijn hand uit om zich voor te stellen. ‘In plaats van een schep een hand. Ik ben Ron.’
Esther nam de uitgestoken hand aan. ‘Esther, aangenaam.’
‘Nu je er toch bent. Kom eens kijken.’
Esther liep met hem mee naar de andere kant van de schuur. De man wees naar een drietal voederhuisjes in verschillende stijlen die daar naast elkaar opgesteld stonden.
‘Ik weet dat ik ze niet hoor bij te voeren, maar het is zo’n mooi gezicht.’
In het midden van een omheind gedeelte van de tuin stond een waterbak met daarop twee kleine gietijzeren mussen. Merel probeerde zich in te beelden dat de lokale vogels in groten getale uit de betonnen schalen aan het drinken waren en zich tegoed deden aan zaden of brood. Ze kon zich helemaal voorstellen dat dit een prachtig gezicht zou zijn.
‘Als ik daar zit,’ Ron wees naar de uitbouw, ‘kan ik ze de hele dag zien ravotten en vliegen. Het is een mooi gezicht.’ Hij zweeg met een glimlach op zijn gezicht. ‘Kom, ik heb de spullen al voor je klaargezet.’ Sjokkend liep hij terug naar de schuur en hing de schep met het koordje aan de lege spijker. ‘Een capitonneernaald, knopentouw en touw voor het spannen van de veren, toch?’
‘Ja, ze zeggen het.’
‘Kom maar binnen, ik heb het nog niet allemaal gepakt. De spullen liggen in de woonkamer. Ik was in de tuin bezig en even afgeleid.’ Ron liep voor haar uit naar binnen en liet de deur voor haar open staan.
Het is een vreemde gewaarwording als je schouders als eerste over de drempel willen gaan en je benen weigeren om ook nog maar één stap verder te zetten. Ooit had Esther bij het lezen van een cartoon Roadrunner hetzelfde zien doen. Snelheid maken en dan toch plotsklaps kunnen remmen bij verdachte omstandigheden. Waarom ze twijfelde wist ze niet, maar ze wilde niet naar binnen. Een akelig gevoel bekroop haar ledenmaten. Doe het niet! Helaas had ze dit gevoel de laatste tijd vaker. Ze vond het vreselijk dat ze niet meer op zichzelf kon vertrouwen. Esther hoorde gefluit en keek achterom waar dat geluid vandaan kwam. Op het dak van het schuurtje zat een zwarte merel. Na het zingen van zijn korte, heldere melodie ging hij er vandoor. Dit is vast een teken dat het oké is, dacht ze. Dapper stapte ze over de drempel naar binnen.

Hoofdstuk 25


De afzuigkap stond op de hoogste stand en dat zou geen overbodige luxe zijn. Uit de roestvrijstalen kap klonk een irritante piep, waarvan bekend was dat die na een minuut of tien zou ophouden. De piep, waarover andere collega’s al waarschuwend hadden gesproken was ook het sein dat Marty een overweldigende geur te wachten stond. Ze had op het plaats delict maar een fractie van de sterke lucht geroken, die toen nog deels gemaskeerd werd door de menthol neuskurkjes. Afwachtend stond ze in haar beschermde tenue te wachten tot de sectie zou beginnen.

Voor Marty stond een kleine vrouw in kleding die ze van de patholoog-anatomen gewend was. Ze bestudeerde het gereedschap dat voor haar lag uitgestald. Met haar één meter zestig was dit niet alleen de kleinste maar ook een van de weinige vrouwelijke patholoog-anatomen die ze kende.

‘Volgens mij zijn we klaar om van start te gaan. Welkom in mijn domein, rechercheur, ik ben dokter

  1. van Os. De eenvoudige versie, zonder de sch.’

‘Aangenaam, Marty Willems. We hebben elkaar eerder ontmoet.’ Marty zag de onderzoekende bruine

ogen van de patholoog-anatoom over haar gezicht flitsen om de kleinste details nauwlettend op te nemen. Een van de redenen waarom dr. D. van Os goed was in haar werk.

‘Ah, ik weet het weer, ik herken je gezicht.’

Bij haar laatste bezoek aan het NFI, het Nederlands Forensisch Instituut, stonden ze ook bij een stoffelijk overschot van een vrouw op de stalen tafel. Er was sprake van een onnatuurlijke dood; wellicht was het slachtoffer vermoord. Bij de politie was destijds de melding binnengekomen dat er een dode vrouw in een woning was aangetroffen. Op zich was zo’n melding niet vreemd; zo’n vondst kon wekelijks voorkomen. Die keer waren er een aantal zaken die de wenkbrauwen van de dienders deden fronzen.

Het was niet vreemd dat de partner de Meldkamer bezorgd had gebeld. Het was wel vreemd dat hij meldde dat het lichaam van zijn vrouw al exact drie dagen in de hal lag. Hij had aangegeven dat hij in die dagen goed voor haar had gezorgd door haar toe te dekken.

Het aanrijdende politiekoppel zette daarom op voorhand al een aantal vraagtekens bij de melding. Ze vroegen zich af wat de doodsoorzaak zou zijn en in welke staat ze het lichaam zouden aantreffen. Na binnenkomst in de woning gaf een eerste blik op het slachtoffer een indicatie dat zij al langer overleden was. De maden krioelden achter haar oren.

Hoe was de vrouw in de hal beland en wat was de doodsoorzaak? Hoe wist de melder dat ze al drie dagen in de hal lag?

Marty had die sectie zowel fascinerend als gruwelijk gevonden. De twee mannelijke assistenten die tijdens de sectie aanwezig waren deden het grove werk. Ze had hen verschillende handelingen zien verrichten: het openzagen van de schedel. Het voorover klappen van de hoofd met het haar en het aandragen van de verschillende organen aan de patholoog. Die woog alles af en deed onderzoek naar de algehele staat van de organen.

Marty vond het werk intens. Net als bij het politiewerk had het trio een manier gevonden om met de lichamen om te gaan. Dit werk kon je alleen doen als je de persoon die het ooit was niet meer zag. Alles werd onderzocht, ook de vrouwelijke geslachtsorganen. Van de naakte vrouw werd eerst wat schaamhaar afgenomen. Daarna werden de baarmoeder en de eierstokken, net als de voorgaande organen, zorgvuldig bekeken. Marty merkte dat ze moeite had met dit deel van de sectie, het voelde alsof ze zelf bekeken werd. Haar diepste wens was dat ze zelf ooit vredig in bed zou sterven en nooit op een stalen etagère tentoongesteld zou worden. Sowieso was ze preuts en de gedachte dat verschillende ogen haar naakte lichaam zouden aanschouwen, ook al was het in het belang van het onderzoek, maakte haar onpasselijk.

Zoals te verwachten was zou het niet haar laatste sectie van een vrouwelijk slachtoffer zijn. Haar lot was dat ze ook nu weer bij een vrouw stond en dat ook nu weer het onprettige ritueel zou plaatsvinden.

‘Als je goed mee wil kijken, adviseer ik je om onder de afzuiger te gaan staan. Je kan ook op afstand blijven en vanachter het glas toekijken als je er niet tegen kunt. In en uit lopen heb ik liever niet. Dat stoort het proces,’ zei dokter Van Os emotieloos.

Marty kwam dichter naar de afzuiger toe. De geur was het probleem niet.

‘Goed.’ Dokter Van Os zette de recorders aan zodat haar hardop uitgesproken bevindingen zouden worden opgenomen. Later zou ze deze opnames gebruiken voor het opstellen van het schriftelijke verslag. Ze opende zorgvuldig de zak die door de snijders vanaf de bak op de onderzoekstafel werd gelegd. Ze liep rond het lichaam en bekeek het van alle kanten.

Flits, flits, flits. Er werden van alle kanten foto’s van het ontzielde lichaam gemaakt. Het lichaam in het geheel, het gezicht, de afgeknipte haren en details zoals het sieraad om haar vinger. De fotograaf, die net als de andere aanwezigen gehuld was in een wit pak met handschoenen en haarnetje, had zijn ultieme stilleven gevonden. Het stoffelijk overschot was op dit moment geen vrouw meer maar een kunstobject voor een eenmalige fotorapportage.

Alles wat de vrouw ooit tot een levend persoon had gemaakt was net als de ooit groene bladeren in de poel vergaan. De lichamelijke kenmerken werden genoteerd. De volgende stap was dat alle persoonlijke bezittingen werden verwijderd en veiliggesteld. Toen dat was gebeurd, werd het lichaam ontkleed. Na ieder verwijderd kledingstuk werd er een foto gemaakt. Bij het verwijderen van zowel de bloes als de broek viel Marty’s oog op de blauwige verkleuring op de smalle bovenbenen en de slanke polsen van het stoffelijk overschot.

Dokter Van Os zag het ook en benoemde het terwijl ze naar het rapport van de forensisch arts keek, die het lichaam als eerste had gezien. ‘Ze mist een vinger.’

‘Ja, klopt,’ antwoorde Marty, ook al werd de vraag niet aan haar gesteld.

De patholoog negeerde haar. ‘Rechterhand, middelvinger, anderhalf à twee kootjes.’ Er werd achter de oren gekeken om een indicatie te krijgen hoe lang het lichaam er al lag. De maden zaten altijd het eerst op de zachtere delen van het lichaam. De oren, de ogen, de mond. Er werd een stuk haar afgeknipt en een stukje nagel.

Marty wist dat er stukje voor stukje naar het grovere werk zou worden toegewerkt. De twee slagers verplaatsten voorzichtig het stoffelijk overschot op de stalen tafel en verwijderden de lijkzak nu volledig.
Het vleselijke omhulsel dat ooit als vrouw had rondgelopen werd recht gelegd en de borst opengesneden. Een tang knipte al knarsend en krakend door de ribben. Ze moest denken aan toen zij als kind wel eens een lange kippenpoot in de keuken had gebroken.

De beschermende taak van de ribben was voorbij. Er waren geen levende vitale lichaamsdelen meer die door de ribbenkast beschermd moesten worden. In twee delen werd ze verwijderd.

Eén van de hulpvaardige snijders pakte een handzaag, terwijl de ander een inschatting maakte van de

zaaghoek. Alsof het boter was sneed het scherpe metaal door de schedel. Nu het openleggen van het lichaam had plaatsgevonden, ging de patholoog-anatoom verder.

‘Goed, daar gaan we.’ De longen werden losgemaakt en overgebracht naar de dokter. ‘Geen roker. Marty, kom dichterbij alsjeblieft, kun je dit zien?’ vroeg Van Os. ‘De longen zijn schoon, er zitten geen

vlekken of verkleuringen in de longen.’ De longen werden op een weegschaal gelegd en het gewicht werd benoemd.

De penetrante geur drong in haar neus en ze proefde de smaak van de dood bijna in haar mond. Desondanks schuifelde Marty steeds een stukje dichterbij. Aandachtig luisterde ze naar de aangename stem van de dodendokter die secuur uitleg gaf over de organen. Het hart: geen afwijkingen. De lever: geen afwijkingen.

‘De nieren: iets vergroot maar verder geen bijzonderheden.’ Dokter Van Os ging gestaag verder, nam een monster van ieder onderdeel dat ze bekeek en benoemde alles wat ze waarnam en zag. Belangrijk of niet.

Dokter Van Os was de eerste patholoog die Marty meemaakte die alles met twee recorders opnam. Ze sprak kalm en duidelijk. ‘De baarmoeder is uitgerekt en het bekken is verwijd. Er is sprake geweest van het baren van een kind, misschien twee.’

De darmen waren inmiddels verwijderd. Het was onvoorstelbaar en gelijk fascinerend dat de meters darmen, die nu gezwollen waren door gas van verrotting, nog in de buik pasten. ‘Darmen: geen bijzonderheden. Een gezond lijf, fit, geen poliepen, geen tumoren.’ De weegschaal draaide overuren. De sappen en het omlaag gezakte bloed liepen langzaam over de tafel naar de opvangbak. ‘Dan gaan we nu verder omhoog.’

Een van de slagers keek naar de grijze massa in de schedel. Dokter Van Os liep naar hem toe met een

schaal waarop hij de drillerige substantie, die deels in zijn handen uiteenviel, in de schaal legde.

Marty staarde naar de donkere verkleuring onder de kin. Als ze naar de zijkant van de nek keek was de verkleuring aan de onderkant minder donker. Als haar inschatting juist was, zou haar conclusie zo worden bevestigd.

Dokter Van Os liet extra foto’s maken van de nek die nu volledig was vrijgekomen. Ze wachtte tot de fotograaf klaar was alvorens ze de huid los liet snijden en de grijzige huid van de kaaklijn en de nek over de lege schedel liet trekken.

Ook dat beeld zou voorlopig niet meer van Marty’s netvlies verdwijnen. De tanden en jukbeenderen kwamen nu bloot te liggen en waren goed te zien. De nekwervels werden verwijderd. Weer werd alles van alle kanten gefotografeerd. Nu verwijderde de dokter zorgvuldig het tongbeen dat zich achter in de keel bevond. Ze legde het kleine bot op haar tafel.

De fotograaf stond al op zijn stilleven te wachten. Flits, flits, flits. Hij keek naar de kwaliteit op het

beeldscherm van zijn digitale camera en knikte tevreden. Flits, toch nog een extra, je weet maar nooit.

‘Het tongbeen is verwijderd. Als we het van dichtbij bekijken dan zien we dat het aan de linkerzijde is beschadigd of gebroken.’ Dokter Van Os keek nogmaals naar de aantekeningen die op het plaats delict waren gemaakt. ‘De benen en de armen hebben verkleuringen, net als de nek. De verkleuringen of blauwe plekken zitten met name aan de voorzijde, wat erop duidt dat er druk is uitgeoefend op de nek en de bijbehorende wervels. De verkleuringen op de polsen, de bovenbenen en de enkels zijn allemaal drie centimeter breed en die rond de nek iets smaller: maximaal drie centimeter. Het materiaal wat de blauwe plekken op de nek heeft veroorzaakt was gekarteld of gedraaid. Monsters zijn van zowel nek, polsen, bovenbenen als enkels genomen. Op deze ledematen zit een nog onbekende plakkerige substantie.’

Marty stond nu in de persoonlijke zone van dokter Van Os.

Verbaasd keek de patholoog opzij, maar stuurde haar niet weg. Als geen ander begreep ze de nieuwsgierigheid van rechercheurs.

Marty moest het weten. Ze zou de foto’s en het rapport later te zien krijgen, maar ze kon het niet opbrengen om daarop te wachten. Het was té belangrijk voor haar. Kom op dok, vroeg ze zwijgend, zeg het!

Hoofdstuk 26



‘Wil je nog wat drinken?’

‘Ik denk dat ik naar huis ga. Ik moet nog een stuk rijden.’

‘Goed.’ Teleurgesteld nam Ron het geld aan en met hangende schouders wees hij naar de voordeur. Hij zat duidelijk verlegen om een praatje. ‘Snap ik. Geen probleem, heel erg bedankt.’

‘Tot de volgende keer maar weer,’ zei Esther vriendelijk en verliet glimlachend de woning. Dit had ze toch mooi even gedaan. Ze was trots op zichzelf. Het was voor haar een kleine maar belangrijke overwinning. Met de verworven buit liep ze naar haar auto en pakte de sleutels uit haar jaszak.

Op het moment dat ze de portier wilde openen, zag ze dat de achterkant van de auto scheef stond. Ze liep naar achteren en bleef bij de linker achterband stilstaan. ‘Serieus?! Dit meen je toch niet. Het mag zeker niet een keertje gewoon goed gaan, hè?’ Haar korte moment van euforie verdween als sneeuw voor de zon. Ze hurkte naast de band en zag een dikke platte schroef in de groeven van de band steken. De band was plat, alle perslucht was eruit gelopen.

Esther had er nu zwaar de pest in en opende boos de achterdeur van de auto. Ze smeet de naald, het garen en het touw op de achterbank. Al mokkend opende ze de achterklep en begon de inhoud uit te laden totdat ze de krik vond. Het was de krik die ze van haar vader had gehad omdat hij er twee had. Het leek wel of haar vader van alles een tweelingset had aangeschaft. Aan de krik kon ze niet zien wat nou de bovenkant was, ze vond het een onding. Nu was het verdomde handig geweest als ik lid was geweest van de ANWB, dacht ze boos. Ze legde de krik naast zich op de grond en tilde de overige spullen die in de achterbak lagen eruit. Een krat, een jas en twee boodschappentassen zette ze op het grind. Vervolgens trok ze de zwarte mat eruit en tilde de reserveband uit de uitsparing.

‘Heb je een lekke band?’ Ron aanschouwde het tafereel vanuit zijn deuropening.

‘Ja, mooie bijkomstigheid op een prachtige dag.’

‘Ben je lid van de ANWB?’

Esther legde de thuiskomer naast de lekke band. Ze had eigenlijk de neiging om de band met een zwaai in Rons richting te gooien. Nee Ron, dacht ze boos, ik ben zo stom geweest om niet lid te worden van de ANWB, want ik heb in deze kwalitatief uitermate teleurstellende wereld nooit gedacht dat ik dat ooit nodig zou hebben. Fuck! In haar gedachten hoorde ze weer haar moeders stem, die haar voor zoveelste keer wees op haar gemopper. Haar stemming werd milder. ‘Nee, ik ben geen lid.’

‘Misschien wel handig.’

‘Ja.’

‘Kan ik je helpen met het verwisselen?’

‘Nee hoeft niet, bedankt.’

‘Goed. Dan ga ik weer naar binnen. Als je wat nodig hebt, laat maar weten.’

‘Ja, ja, ja.’ Al wuivend schoof ze de krik onder de auto. Voordat ze ook maar iets had kunnen doen viel hij al om. Ze trok de krik naar zich toe en draaide aan de hendel het plateau omhoog. ‘Kijk, nu past ie.’ Bij iedere draai die de krik maakte ging de auto een klein stukje de lucht in. ‘Kijk dan, bandjes van de grond, baby!’ zei Esther met een zangerige ondertoon. Toen de achterband op de juiste hoogte stond, zocht ze tussen de overige spullen die ze had uitgeladen. Ze had geen kruissleutel.

Terneergeslagen ging ze op de grond zitten met haar rug tegen de auto. Het leven leek wel een dagelijkse test. Ze voelde de irritatie weer in haar lijf opkomen. Die irritatie kon gemakkelijk overgaan in woede, zoals een smeulende sigaret de aanleiding kon zijn van een vuurzee in het bos. Ze moest op adem komen. Rustig worden en voorkomen dat ze in een uitbarsting van woede de krik onder haar auto vandaan zou schoppen en de ruiten van de auto ermee zou vernielen.

‘Hallo. Lukt het?’ Uit het niets stond Ron weer naast haar. In zijn hand had hij een kruissleutel. ‘Niet schrikken vrouwtje, dat is mijn bedoeling niet. Ik help je wel. En geen gemaar, banden verwisselen is nou eenmaal mannenwerk. Ik ken een praktische manier maar dan moet ik de auto eerst weer een stuk laten zakken.’

Normaal gesproken zou Esther kwaad worden als een man dat tegen haar zou zeggen. Nu was ze stiekem opgelucht. Zwijgend stond ze op en aanschouwde vanaf een afstand hoe Ron de krik draaide waardoor de banden weer licht op de grond stonden; vervolgens draaide hij de brede moeren los. Toen draaide hij de krik weer omhoog, waardoor de deels losgeschroefde band weer los kwam van de grond. Het leek wel of hij het dagelijks deed.

Boven Esther verzamelden zich donkere wolken in de lucht. Ze hield haar handen opzij. De eerste dikke druppels begonnen te vallen. ‘En natuurlijk begint het regenen,’ verzuchtte ze, terwijl ze met haar ogen draaide en een dikke druppel in haar oog kreeg.

‘Ga naar binnen, meiske, we hoeven niet allebei zeiknat te worden.’ zei Ron toen hij de lekke band van de as af schoof.

‘Dat kan ik niet maken.’

‘Ha! Natuurlijk wel, deerne, doe niet zo eigenwijs.’

Dit keer was het alsof haar vader tegen haar sprak. Als kind noemde hij haar regelmatig koppig of

eigenwijs. Pot verwijt de ketel, pap. ‘Oké meneer, ik pak mijn tas uit de auto en wacht in de hal.’

‘Nee, loop gewoon door naar de woonkamer en dan naar de keuken. Er staat een pot thee te trekken.

Pak maar wat, dit klusje is zo geklaard.’

‘Nou, goed dan.’ Schoorvoetend liet Esther haar auto achter. Weer negeerde ze het onbehaaglijke gevoel wat in haar buik opkwam toen ze over de drempel stapte, liep stug door naar de keuken en schonk voor zichzelf een kop thee in.


 

Hoofdstuk 27



Het kwam veel vaker voor dat Frank de uitgewoonde driezits verkoos boven het ruim duizend euro kostende matras. Ook nu was hij op de bank in slaap gevallen. Hij had gedroomd en het was lang geleden dat hij zich daarvan bewust was. Hij liep langs een lang smal wandelpad van zand en stenen. Het pad lag hoger dan de rest van het land. Het gras aan weerszijden van het pad was lang en had lange pluimen in de toppen. Door de wind waaiden de pluimen zacht langs zijn benen.

Aan het eind van het pad verscheen een figuur. De figuur vormde zich op een sierlijke manier tot een vrouwenlichaam. Frank zag het lange, golvende zwarte haar dat mee wapperde met het lange, witte gewaad dat ze droeg. De zwevende gedaante sprak tegen hem zonder geluid.

Toen Frank Yvon in de gedaante herkende was er geen houden meer aan. Hij begon te rennen. ‘Yvon! Wacht! Stop!’ Er gebeurde niets. Hij wilde naar haar toe, maar met elke voetstap die hij dichterbij zette, leek de afstand tussen hen langer te worden. Haar sierlijke gedaante hield zonder te bewegen de afstand in stand en leek niet de intentie te hebben om naar hem toe te komen.

Gefrustreerd en buiten adem bleef Frank staan. Vol verlangen starend, met tranen in zijn ogen, gaf hij op. Plotseling klonk er luid geschreeuw van een vogel. Vanachter Yvon vloog een Vlaamse gaai met gespreide vleugels omhoog. Waarom waarschuwde de vogel voor gevaar? De vogel vloog boven hem langs en verdween, net als Yvon voor hem. Vlak voor hem op de grond klonk een doffe plof, gevolgd door een galm alsof iemand op een gong sloeg. Er was een bruinige eikel voor zijn voeten gevallen. Net voordat hij de eikel op wilde pakken, vervaagde de droom en keerde hij langzaam terug naar de realiteit.

Langzaam opende Frank zijn ogen. Door het getril was zijn telefoon van de leuning van de bank op de grond gevallen. Hij tastte slaperig om zich heen tussen het hoogpolige kleed. Nog een beetje van de wereld nam hij op. ‘Frank.’

‘Hey, met Marty.’

‘Hey.’

‘Gaat het wel?’

‘Ja, net wakker geworden, ik lag op de bank.’

‘Gelijk heb je. Waarom ik bel,’ begon ze, ‘ik rij net bij de sectie vandaan.’

De droom verdween direct naar de achtergrond. Frank was nu klaarwakker. ‘En?’

‘Zonder te veel in details te treden: je had gelijk.’

‘Dat meen je niet?’

‘Er lagen twee lichamen in de poel.’

‘Twee?’ Beduusd ging Frank rechtop zitten. Dit werd hem te gek. Er lagen twee lichamen in de poel en hij was dus de vinder van drie dode vrouwen. Drie vrouwelijke slachtoffers binnen één week.

‘De vrouwen lijken met elkaar te maken te hebben.’

‘Wurging?’

‘Uh ja?’ Marty klonk verbaasd maar bevestigde het meteen. ‘Inderdaad.’

‘En hun haren?’

‘Vooralsnog komt dat ook overeen.’


‘En nu wil je mij op voorhand laten weten dat we mogelijk te maken hebben met een seriemoordenaar.

Weten jullie al wie deze twee slachtoffers zijn?’

‘We hebben er mogelijk één die kan worden geïdentificeerd, maar dan alleen op basis van kleding en sieraden.’

‘Wat vreselijk.’

‘Ja.’

‘Hoe gaat het met jou?’ Frank twijfelde of hij de vraag moest stellen. ‘Mag je nog volledig aan de zaak werken?’ Uit eigen ervaring wist Frank hoe het voelde als een zaak overgenomen werd zodra deze te groot en te complex werd. En met drie lijkvindingen die op verschillende manieren raakvlakken met elkaar hadden, zonder direct zicht op dader, modus operandi of motief, werd de zaak gegarandeerd overgenomen. Dat kon niet anders.

‘Je weet vast wel hoe dat voelt, denk ik.’

‘Zeker, alsof iemand in je bed heeft gescheten. Zo voelt dat. Aan jouw expertise heeft het niet gelegen en daar heeft het niets mee te maken.’

‘Nee.’ Marty kapte het af. ‘Genoeg daarover. Ik wil het er niet over hebben. Het is zoals het is en het is de juiste keuze om het zo te doen, ook al is het klote. Wat is een tijgeroog?’

‘Een tijgeroog?’ Verbaasd over de vraag en vooral dat Marty dit aan hem vroeg, dacht hij meteen aan de sieradenkist van Yvon. Daar bewaarde ze diverse steentjes in een blauw met paarse Paua schelp.
Zo nu en dan had Yvon een steentje uit de schelp gepakt en droeg die bij zich aan een gouden halsketting die hij haar ooit had gegeven. Eén keer in de zoveel tijd gaf ze aan dat de stenen gereinigd moesten worden. Dit reinigen kon alleen door water of door de maan. Yvon hield bij wanneer het volle maan was om zo te zorgen dat de stenen op het juiste moment buiten konden liggen.

Frank geloofde niet in de steentjes, maar toen Esther als dreumes niet wilde slapen omdat ze bang was in het donker, had Yvon er een aantal uitgezocht en die bij het raam en onder Esthers kussen gelegd. Vanaf dat moment sliep Esther als een roos en was ze ook niet meer angstig.

Tevreden had Yvon haar schouders naar hem opgehaald. Hij wist heel goed wat dat betekende: ‘Zie je nou wel, Frank, eigenwijze Hollander. Er is meer dan je ogen kunnen zien en je handen beet kunnen pakken.’

Toen Esther opgroeide pakte ze de kleine steentjes regelmatig om ermee te spelen. Als klein meisje had ze de verschillende kleuren elk een eigen naam gegeven. In een oude sok sleepte ze die door het huis, om ze in de avond weer braaf op een rijtje op de vensterbank neer te leggen.

Frank moest ver in zijn geheugen graven om zich de kleuren uit het zakje te herinneren. Roze, groen, geel, glazig geel en rood? ‘Kom maar langs, ik denk dat ik weet wat je zoekt.’

‘Dat meen je?’

‘Ik heb geen idee wat je ermee wilt, maar ik denk dat je datgene wat ik heb wel interessant zult vinden.’

‘Dat is goed. Ik rijd nu eerst langs het bureau en kom eind van de middag, begin van de avond langs. Ik weet niet wat er nog op mijn pad komt vandaag.’

‘Is goed. Ik app je het adres en ben gewoon thuis. Kom maar achterom, de deur is open.’





Hoofdstuk 28



De regenbui was genadeloos. Ron was binnen enkele ogenblikken doorweekt geweest. Eenmaal binnen pakte hij een handdoek van de radiator en veegde zijn natte haar en schouders af. ‘Het verwisselen is gelukt. Wat een stortbui. Ik trek even wat droogs aan.’

‘Ja natuurlijk.’ Met de kop thee in haar hand snuffelde Esther in de twee boodschappenkratten die op het aanrechtblad stonden. Kant-en-klaarmaaltijden, blikken erwtensoep, rijst, mie, groenten en een… Geamuseerd pakte ze de pot sambal uit het krat. ‘Sambal oelek, wat doe jij nou hier?’ Het leek alsof deze dag in het teken stond van haar moeder. Voor de tweede keer hoorde ze haar stem.

‘Esther, je kunt de oelek gebruiken om de bami goreng op smaak te brengen tijdens het koken. Ik heb een andere sambal gemaakt om erbij te serveren. En zal ik je eens wat ergs vertellen? Wist je dat kinderen vroeger een lepel sambal te eten kregen als ze ondeugend waren of vieze woorden zeiden?’

Als kind was Esther niet vaak ondeugend en ze kon zich niet voorstellen dat haar moeder haar ooit een lepel van haar zelfgemaakte sambal gegeven zou hebben. Het zou Esthers mond, lippen en oren in vuur en vlam hebben gezet en ze zou ongetwijfeld de hik hebben gekregen, net zoals Merel altijd kreeg als ze pittig at.

Frank dreigde niet met sambal als zijn dochter thuiskwam met een mond vol vieze woorden. Na een flinke tirade dreigde hij dat hij haar mond zou spoelen met een stuk Sunlight zeep. Uiteindelijk deed hij het nooit. Kindermishandeling paste niet bij zijn karakter en gebruikte hij niet bij de opvoeding van zijn eigen dochter. Het zou in dit geval ook hypocriet zijn. De hoeveelheid scheldwoorden die hij bezat en er af en toe uitgooide, konden zonder moeite in het Guinness Book of Records.

Gekleed in droge kleding kwam Ron de woonkamer binnengelopen. Hij had een schoon overhemd met daarover een donkergrijze sweater met halve rits en een zwarte joggingbroek aangetrokken. Zijn grijze korte haren waren nog vochtig maar waren nu wel netjes naar achteren gekamd.

Esther was er zeker van dat Ron een smalle kam in zijn achterzak bij zich droeg. ‘Ik zag de boodschappen staan. Wat wilt u gaan maken?’

‘Jij bent wel nieuwsgierig hè?’ Hij lachte zijn rechte tanden bloot. ‘Ik probeer al een tijdje een gerecht te koken dat mijn vrouw altijd maakte.’

‘Wat dan, bami of nasi?’

‘Hoe weet jij dat?’ informeerde hij, verrast door haar opmerking.

‘De boodschappen op het aanrecht. Zonder de soep dan. Al hoor ik wel eens verhalen over erwtensoep met rijst en sambal,’ lachte Esther.

 Opnieuw verscheen er een droeve glimlach op Rons gezicht. ‘Ah, de boodschappen. Eerlijk gezegd weet ik niet goed waar ik moet beginnen. Ik wil het gerecht al tijden namaken maar het smaakt altijd anders.’

Terwijl Esther het potje sambal in haar hand over haar vingers liet rollen, voelde ze een connectie met de man. Het was erg lang geleden dat ze zelf de bami had bereid die ze altijd samen met haar moeder maakte. En ze herinnerde zich ook de emotie en de liefde die daarmee gepaard ging. De liefde voor elkaar, de geur van het gekruide eten en het samenzijn. Ze had eigenlijk al weg moeten gaan, maar ze kon het niet over haar hart verkrijgen. De oude Ron stond daar zo verloren in de woonkamer. Aan zijn hangende schouders te zien was hij vaak alleen. De toevalligheden die de afgelopen paar uur hadden plaatsgevonden zou ze normaal ook hebben omarmd. Toeval bestaat niet. Bovendien had hij in de stromende regen de lekke band voor haar vervangen. Wat was het minste dat ze voor hem kon doen? ‘Als u wilt, kan ik het avondeten voor u maken. Het zal misschien niet zo goed zijn als dat u gewend bent, maar ik kan het proberen.’ Esther had meteen spijt dat ze het zo direct had gezegd. Ron zat er waarschijnlijk niet op te wachten. ‘Mijn excuses. Ik wil me niet opdringen, ik ga wel. Het floepte er gewoon uit, nou ja, u weet wel.’ Gegeneerd legde ze het potje terug in het krat en pakte haar tas.

Nadenkend keek Ron naar het gasfornuis. Zijn dromerige blik bleef daar even rusten. ‘Ik kan me niet heugen dat er iemand anders in de keuken heeft gestaan dan mijn vrouw. Het voelt vreemd, ik ben geen keukenprins.’ Hij zuchtte diep. ‘Ik probeer het zo nu en dan. Het grootste deel belandt in de kliko. Vandaar de soep. Voor noodgevallen.’ Weer die stilte.

Langzaam trok Esther haar jas aan, die ze over de rug van een eetkamerstoel had gehangen. Het was tijd om te gaan.

Voorzichtig zette Ron een stap in haar richting. ‘Ik wil je niet wegjagen, blijf alsjeblieft. Ik vind het niet erg dat je het vroeg,’ probeerde hij voorzichtig. ‘Ik neem je aanbod graag aan. Bedankt.’

Nu twijfelde Esther opnieuw, maar trok haar jas toch weer uit en hing hem terug over de stoel. Wat vermoeiend dit, dacht ze, Twijfelkont dat je bent. Aan de slag. Het is een goede daad. Voor je het weet sta je weer buiten.

 

 

 

 

Hoofdstuk 29



Rond half zeven in de avond klonk er geklop op het raam van de achterdeur. Trippelend en kwispelend rende Max naar de deur en sprong tegen het raam omhoog om naar buiten te gluren. Zoals gewoonlijk kefte hij niet eens.

‘Lekkere waakhond ben je.’ Frank liep naar hem toe en aaide over zijn kop. Vervolgens duwde hij hem bij de deur weg. ‘Kom binnen, Marty. Goed volk komt altijd via de achterdeur.’

Gekleed in een lange, zwarte jas tot haar kuiten en bijpassende laarzen met gespen stapte Marty naar binnen. ‘Bedankt, Frank.’

Frank vond het altijd fijn als mensen elkaar aanspraken met hun voornaam. Hij had het zichzelf ook aangeleerd om dat te doen. Het was persoonlijker en het was de manier om de desbetreffende persoon te onthouden. Wat hij ook belangrijk had gevonden, was dat het personeel waarmee bij samenwerkte op de rechercheafdeling zich gewaardeerd voelde. Hij maakte hen duidelijk dat hij blij was dat ze er waren. Zonder hen stelde een carrière niks voor en was hij nooit zo ver gekomen. Marty had dat nu al begrepen en het leek niet gemaakt. Daar prikten dienders snel genoeg doorheen, en dat had je snel afgedaan.

‘Heb je zin in koffie?’

‘Ja graag.’

‘Heb je al gegeten?’

‘Het overkomt me wel eens dat ik dat vergeet. Dus nee.’

‘Het is niet heel spannend vandaag, maar ik heb tomatensoep met een stokbroodje met kaas.’

‘Als het niet te veel moeite is, dan lust ik wel wat.’

Alsof Marty vaker in Franks huis was geweest, zette ze haar laptoptas in de woonkamer naast de eettafel en hing haar jas in de hal aan de kapstok. Al kwispelend volgde Max haar, totdat ze hem aandacht gaf. ‘Braaf, Max. Je bent braaf.’ Ze had zelfs de naam van de hond onthouden. Observerend liep ze de woonkamer rond, om nieuwsgierig bij een dressoir met daarop foto’s stil te blijven staan.

Het waren vastgelegde mooie momenten, die al jarenlang op dezelfde plek stonden. De verschillende zilverkleurige fotolijstjes had Yvon destijds gekocht en gevuld met foto’s die haar dierbaar waren.
Marty bekeek Franks trouwfoto. ‘Mooi, die oude foto’s. Is dat je vrouw?’

Ook al wist Frank precies waar de foto's stonden, hij liep naar haar toe en keek naar de persoon op de foto die ze aanwees. Op de zwart-witfoto, die tussen de trouwfoto en een babyfoto van Esther stond, stonden een stel kinderen bij een buggy afgebeeld. Ze wees op het langste meisje dat breeduit lachend achter de buggy stond. In de buggy zat de jongste zus met een smoezelige toet en naast Yvon de andere twee. ‘Ja. Goed gezien.’

Langzaam passeerde Marty de overige foto’s. ‘Mooie vrouw.’

‘Ja, dat was ze.’

Nadat Marty de rest van de foto’s en de woonkamer inclusief hond had bestudeerd, viel haar oog op een handgesneden houten kistje dat op tafel stond. Haar interesse was gewekt. Nonchalant ging ze aan de eettafel zitten.

Aan Marty’s houding was duidelijk te zien dat ze het kistje dat had gediend als sieradenkist en opbergplek voor kleine stenen en een schelp wilde oppakken en rondom wilde bekijken. Frank herkende het gedrag van Max als hij wilde eten, ongeduldig wachtend terwijl hij zijn blik niet losliet van zijn doel. Alleen een kwispelende staart ontbrak bij haar. Hij kon zelf ook zo nieuwsgierig en ongeduldig zijn. Hij liet haar even lijden. Geduld opbrengen was ook een leerweg. Hij zag haar bijna denken: wat zat er in dat kistje? ‘Zware dag vandaag?’

‘Ja behoorlijk,’ antwoordde Marty zonder haar blik van het handwerk af te wenden. ‘De zaak is complex en lijkt complexer te worden.’

‘Hmm.’ Een gevoel van verdriet trok door zijn lichaam heen. Het voelde alsof hij op zijn vingers werd getikt, voor iets wat hij niet had gedaan. Hij wist wel waar het gevoel vandaan kwam. Hij zou dit gesprek met zijn dochter Esther moeten voeren en niet met een collega die ongeveer van dezelfde leeftijd was.

 Marty pakte haar telefoon. Vluchtig scrolde ze door haar e-mails en legde hem opzij.

Ondertussen had Frank een blik soep in een pan gegooid en stond in gedachten in de pan te roeren met een pollepel. Hij had zoveel te vragen, maar het was niet gepast om ze te stellen. Het was letterlijk zijn zaak niet, ook al was hij er zo nauw mee verbonden.

‘Ik blijf maar zitten met die haren,’ begon Marty uit zichzelf.

‘Ja,’ mompelde hij.

Zenuwachtig trommelde ze met haar vingertoppen op het tafelblad.

Frank voelde dat Marty wilde praten. Uiteindelijk zou ze zelf beginnen. Het was wachten op het juiste moment.

‘De schoonheid van een vrouw afsnijden. Net voor of nadat ze gewurgd wordt. Het lijkt me wat wreed, niet?’

‘Ja. Erg wreed.’

‘Het is duidelijk dat er geen sprake is van een huiselijk-geweldsituatie.’

‘Nee. Dat denk ik ook niet.’

 ‘Er zijn immers verschillende vrouwen met kort geknipt haar.’

‘Ja. En één heeft een tijgeroog?’

Enthousiast onderbrak Marty het getrommel en hief haar vinger op. ‘Ja! Het tijgeroog. Daarom was ik

hier.’

‘Open het doosje voor je.’

‘Dus toch.’ Marty rukte het houten doosje van het tafelblad. Met een rechte rug klapte ze de deksel open en liet die op het tafelblad rusten. Ze bekeek de inhoud zorgvuldig. De roze steen waarvan ze wist dat dat niet de kleur was, pakte ze als eerste op en bekeek hem rondom, voordat ze hem in het lege deel van de deksel legde. Het was grappig om te zien hoe voorzichtig ze met de steentjes om ging. In het verleden had Esther hetzelfde gedaan. Hij miste haar.

Marty pakte de groene en herhaalde het proces totdat ze vond wat ze zocht. Triomfantelijk stak ze het

ronde steentje in de lucht. ‘Dit is hem. De basiskleur is gelig, met bruine strepen over de rug.’
              ‘Goed om te horen. Dan gaan we nu eerst eten. Anders kun je niet goed nadenken.’

Hoofdstuk 30



De kruidige geur van scherpe groenten en smaakmakers verspreidde zich langzaam door de keuken. Esther inhaleerde diep. Ze hield van de geur en de smaak van knoflook. Als vervanging voor de rode peper die ze niet tussen de boodschappen had gevonden, gooide ze een theelepel sambal in het pruttelende mengsel. Op de terugweg zou ze de kruiden nog ruiken die in de vezels van haar kleding waren getrokken.

Kort snuffelde Esther aan het blokje trassi voordat ze het terug in een plastic zakje deed. Een ander zou walgen van de indringende geur van visvoer. Esther niet. Het was de manier om weer bij haar moeder te zijn. In de geur van gelukkige tijden. Er waren weer tranen van verdriet opgekomen toen ze de scherpe sjalotjes aan het snijden was. Ze was blij dat ze zich niet hoefde te verantwoorden als Ron het zou zien. De sjalotjes hadden meer pit dan Fisherman’s Friend. Zorgvuldig sneed ze de wortel, de prei en de spitskool klein en gooide ze in de pan.

Yvon was altijd een chef-kok in haar eigen thuisrestaurant zonder klanten geweest. Als er kliekjes waren van de avond ervoor, wist ze er alsnog een smakelijke maaltijd van te maken. Op gevoel gooide haar moeder een beetje van dit en een beetje van dat in de pan. Op gevoel, alsof ze nooit anders had gedaan. Het vreemde aan deze losse pols-kookmethode, was dat alles smaakte. Als er onverwacht bezoek langskwam, maakte dat niets uit. Dan werd een stoel of stoof aan de tafel bijgezet. Iedereen die bij Yvon over de drempel stapte mocht aanschuiven en was verplicht om in ieder geval iets mee te eten.

Nogmaals glimlachte Esther terwijl ze de geur van thuis diep inademde. Ze zag haar moeder voor zich, al luisterend naar Elvis, terwijl ze de houten pollepel die ze in haar hand hield gebruikte als microfoon.  
Als Esther tijdens het koken aan de eettafel huiswerk zat te maken, was er altijd een moment dat ze verplicht werd om mee te dansen. Ze wilde altijd zo graag meedoen, maar ze had op de een of andere manier plaatsvervangende schaamte voor de uitbundigheid en vrije manier van bewegen van haar moeder. Gekleed in haar keukenschort met citroenen kende Yvon geen gêne. Als een rock-’n-roll-artiest draaide ze met haar heupen en gleed met grijze wollen sokken aan haar voeten over de gladde vloer.

‘Vind je het erg als ik muziek aanzet?’ vroeg Ron.

De bubbel van Esthers gedachten klapte. ‘Nee natuurlijk niet. Het is uw woning,’ antwoordde Esther terwijl ze met een houten spatel voorzichtig de groenten in de pan rond roerde, zodat ze niet aan zouden branden.

Plotseling verdween het ontspannen gevoel. Het voelde alsof de thermostaat van de douche langzaam naar de koudste stand werd gedraaid. Een koude rilling gleed langs Esthers nek. Het voelde alsof iemand de kleine haartjes van haar nek met ijzige adem omhoog blies. Het viel een moment samen met het gevoel van priemende ogen die haar vanaf een afstand bekeken. Ze wist dat het zo was, en ze voelde in welke richting ze moest kijken.

In een flits dacht ze een gedaante langs het raam te zien schieten. Wat was dat? Ze was zo gefocust geweest op het ophalen van dierbare herinneringen, dat ze niet had gemerkt dat het buiten al schemerde. Had ze het nou goed gezien? Was dat een persoon of een dier geweest? Een verbeelding? Vlug liep ze naar het raam en tuurde naar buiten. Door de schemering, en het weerspiegelende raam, was het lastig om goed te oriënteren. Buiten was er niets dat Esthers aandacht trok. Nadenkend keek ze om naar Ron. 
Met zijn leesbril op het puntje van zijn neus zocht Ron naar de kleine knoppen op de cd-wisselaar. Hij vond het minuscule ‘aan’-knopje en drukte erop. Dat beeld was verre van verontrustend. Ron was ook nog eens een van de weinige mensen die Esther kende die nog een verzameling cd’s in zijn bezit had. Haar vader had ze ook nog. Hij was dol op The Eagles en de gouwe ouwe van Nederlandse bodem.

Esther had sterk de neiging om naar buiten te gaan en te zoeken wat ze had gezien, maar iets hield haar tegen. De kans dat ze het verkeerd had gezien was groot, en ze was nu niet in de positie om een paniekaanval te krijgen. Ze was in een vreemde woning en Gwen was er niet om haar uit penibele situaties te praten. Ron zou vast de politie bellen als ze doordraaide en dan had ze een nog groter probleem. Wat ze dacht te hebben gezien, zou gemakkelijk een hersenspinsel kunnen zijn van alle indrukken, emoties en belevenissen van de dag. Het was logisch dat ze dingen dacht te zien die er niet waren. Het beste wat ze kon doen was rustig blijven ademen.

Vanuit de fruitschaal pakte ze een halve komkommer. Ze spoelde hem af en sneed hem in halve maantjes. Het ritme van het stalen mes op de houten snijplank hielp. Haar schouders ontspanden en het nerveuze gevoel ebde langzaam weg.

Ron had in de tussentijd eindelijk de gewenste knoppen gevonden. De cd begon af te spelen.
Zachtjes zong Esther de eerste zinnen van het couplet mee. De tekst van ‘Suspicious Minds’ van Elvis kende ze uit duizenden, ‘We’re caught in a trap. I can’t walk out.’


 

Hoofdstuk 31


Bewonderend bekeek Marty het gestoffeerde dagboek dat ze van Frank mocht lenen. Het was niet zomaar een dagboek. Het waren de opgeschreven herinneringen en gedachtenspinsels van Yvon. Zijn geliefde vrouw die, nu bijna drie jaar geleden was overleden aan kanker. Het dagboek bevatte een deel van Yvons leven. Het was gekaft in zachte, rode stof, dat door de jaren heen was verkleurd en aan de hoeken begon te scheuren.

De inhoud was net zo interessant als het boekomslag. Op een aantal pagina’s stonden verhalen en beschrijvingen van stenen en edelstenen. Frank was er zeker van dat er ook was geschreven over het tijgeroog. ‘Dat is even wat anders dan Bing of Google,’ mompelde Marty grijnzend. ‘Handgeschreven documenten. Wauw!’

Op de plekken waar de aantekeningen stonden had Frank op voorhand stukjes papier tussen de bladzijden gedaan. Hij wist dat Yvon vooral de laatste jaren gewijd had aan de stenen. Alles wat ze voor die tijd had opgeschreven, waren haar persoonlijke levensverhalen die Frank zelf niet durfde te lezen.
De inhoud die Marty nu tijdelijk bezat was zo persoonlijk, zo privé en toch vertrouwde hij haar het boek toe. Een kostbare familieschat als deze zou Marty zelf nooit aan een vreemde hebben overgedragen. Ze zou er zorgvuldig mee omgaan en het zo snel mogelijk teruggeven.

Het handschrift was perfect. Vanaf het moment dat Yvon begon te schrijven gebruikte ze sierlijke letters in dezelfde grootte. Ze had het dagboek de naam Madeleine gegeven. Die naam kwam vaker voor binnen de familie. Als doopnaam werd hij meegegeven aan de vrouwenlijn, als een erfenis die vanaf Nederlandse bodem over zee was meeverhuisd naar de Oost om een aantal generaties later weer thuis te komen.

Marty bladerde door de eerste pagina’s, waar geen briefjes tussen waren gestopt. Het inmiddels gelige papier was van boven tot onder beschreven en de letters en de opgeschreven gebeurtenissen lonkten. Frank moest toch weten dat ze zich niet zou kunnen bedwingen om het hele dagboek door te lezen? Hij had het alleen gegeven om de hoofdstukken over de stenen door te nemen, logischerwijs niet om de rest van de inhoud door te lezen. Het was niet netjes om dat vertrouwen te beschamen. Iedereen had recht op privacy, ook al was hij of zij overleden. Ook al zou Marty de enige zijn die van de geheimen op de hoogte was. Wat een dilemma.

Met haar vingertoppen bladerde Marty vluchtig naar het begin. Zou het heel erg zijn om een heel klein stukje te lezen? Of een kort hoofdstuk? ‘Lieve Madeleine...’ Het lezen ging als vanzelf. Ze klapte het boek dicht. ‘Marty, niet doen. Hou je aan je eigen code.’ Waarom voelde het alsof ze het MOEST lezen? Wederom opende ze het dagboek naar het eerste gedeelte. Peinzend keek ze naar de woorden, die haar nieuwsgieriger maakten dan de omschreven stenen. Die zou ze óók doornemen. Ze beet op haar onderlip. In feite deed ze hier toch niemand kwaad mee? Haar ogen flitsten over de eerste woorden van Yvon.


‘Lieve Madeleine,


Dit is de eerste keer dat ik wat aan je schrijf. Ik heb je vandaag gekregen van een meisje uit onze straat. Dit meisje heet Marie. Marie had voor haar verjaardag twee dagboeken gekregen. Ja, echt waar. Ze kreeg er twee en één exemplaar gaf ze aan mij. Ik was een beetje verbaasd zal ik je zeggen, maar ik was ook erg blij. Marie is een dag voor mij jarig. Op 22 mei om precies te zijn. Ze wist denk ik wel dat ik voor mijn verjaardag niet veel zou krijgen. Ik kreeg thuis nieuw ondergoed. Twee nieuwe onderbroeken die ik meteen moest verstoppen, omdat de rest er anders mee vandoor zou gaan. Ik heb een goede plek gevonden om ze te verstoppen.

 Je bent erg mooi. De stof is rood en glimt. De stof lijkt op de stof van de bank die ze in het dure huis van Marie hebben. Weet je wat ze daar ook hebben? Een beeldbuis. Een kastje met daarop bewegende beelden. Het lijkt een beetje op een radio, alleen met een klein glazen ruitje. Afgelopen zondag mochten we daar tien minuten kijken. Ik wist niet wat ik zag!

Ik denk dat Marie zo lief voor mij is, omdat ze een beetje verliefd is op mijn broer. En aangezien ik de oudste dochter ben, moet ze mij een beetje te vriend houden. Dan is de oudste zus de makkelijkste. Als ze alle andere kinderen moet gaan paaien, dan is ze voorlopig nog wel zoet.

 Weet je waarom ik je Madeleine genoemd heb? Ik heet zo. Mijn moeder heet zo en mijn dochter zal zo heten. En ik ken een tante die ook zo heette. Grappig toch? Tante is geboren in Bandung, net als mijn vader. Ik kan mij dat alleen niet meer herinneren. Ik hoor niet veel over die tijd en mag er ook niet naar vragen. Ik vond die tante altijd aardig. Ze maakte veel grapjes en vertelde de gekste verhalen. Ik hou van verhalen, maar ik ben er nog niet zo goed in om ze zelf te vertellen.

 Ik hou het vandaag kort. Ik moet met de kleintjes naar buiten. Ik zal vandaag voorzichtig doen. Ik heb alweer mijn knie kapot. Ik klom laatst op de vliering waar pa al zijn spullen bewaart. Toen ik naar beneden klom, schoof de trap onverwachts weg. Ik haalde mijn knie open aan een spijker. Ik mag van geluk spreken als het niet gaat ontsteken. Mijn rok was gelukkig nog heel, anders was ik echt de pineut. Ik schrijf snel weer,

 

 Liefs Yvon.’




Hoofdstuk 32



Esther goot de mie af door het vergiet schuin te houden en het laatste water door de kleine gaatjes te laten vloeien. Ze voelde de stoom op haar gezicht. Terwijl ze omkeek zag ze dat Ron op de bank was ingedut. Zijn hoofd rustte ontspannen tegen de rugleuning, terwijl zijn ademhaling regelmatig was, te zien aan zijn bolle buik die rustig op en neer ging. ‘Ron? Het eten is bijna klaar.’

Vanachter Rons keel klonk een kort snurkend geluid. Vervolgens schoot hij geschrokken overeind. ‘Is het al klaar?’

Een flinke scheut ketjap manis was het laatste wat Esther toevoegde, voordat ze de bami voorproefde. Tevreden kauwde en knikte ze, terwijl ze nogmaals achteromkeek. Opnieuw werd ze zich bewust van de bizarre situatie. Ze had niet gedacht dat ze bij een vreemde in zijn huis zou koken. ‘Ik eet trouwens niet meer hoor. Ik heb speciaal meer gemaakt, zodat u de komende dagen genoeg avondeten heeft. U kunt het ook invriezen.’

‘Doe niet zo gek. Dek de tafel maar voor twee. Dat is echt geen probleem.’ Ron stond op van de bank

en keek van nog geen meter afstand naar de oude koekoeksklok, waarvan de langste wijzer bijna de twaalf raakte.

Esther durfde geen nee te zeggen. Zwijgend dekte ze de kleine tafel voor twee en schonk twee glazen met water in, die ze bij de borden neerzette. ‘Deze dag is zo ontzettend raar,’ mompelde ze hoofdschuddend.

‘Oh ja. Voordat ik het vergeet en voordat we gaan eten, moet ik je wat laten zien. Kom maar even mee,’ zei Ron, terwijl hij de cd-speler uitdeed om vervolgens in de hal te verdwijnen.

Esther hoorde hem de trap op stommelen. Is het wel verstandig om met een vreemde man naar boven te gaan in een huis dat je niet kent? vroeg ze zichzelf af. ‘Nee, Esther. Iemand met gezond verstand zou de man niet volgen naar onbekend terrein. En zeker niet in de avonduren,’ zei ze zacht, terwijl ze schuin naar boven keek en de moed verzamelde om de eerste stap naar boven te zetten. Het was een kans op een volgende overwinning.

Op de eerste verdieping klonk het gebonk van voetstappen. De smalle trap ging recht omhoog en boog vervolgens naar links. Opvallend was dat hij geen leuningen had. Niet dat de trap die nodig had. Hij was zo smal dat ze alleen haar armen opzij hoefde te doen als ze dacht dat ze zou gaan vallen. Spanning kwam op en veroverde langzaam elke cel in Esthers lijf, toen ze haar voorvoet op de eerste traprede zette.

‘Gewoon naar boven lopen en dan rechtdoor,’ riep Ron van boven.

Langzaam besteeg Esther de trap totdat ze in de bocht kwam. Haar ademhaling versnelde. Ze strekte haar armen uit tegen de muren om zichzelf meer stevigheid te geven. Na tien treden bedachtzaam te tellen, keek ze beduusd naar voren. Vanaf de trede waar ze stond, kon ze de smalle hal met de rode loper op de vloer zien. Het voelde als een vreemde déjà vu. Ze wist dat ze zich op onbekend terrein bevond, maar gevoelsmatig had ze eerder op de trap gestaan. Als bevroren bleef Esther staan en dacht aan haar notitieblok. De beschrijvingen die ze daarop had gemaakt kwamen overeen met de werkelijkheid van nu. Ze bedacht zich echter dat niemand haar dwong om door te lopen en dat niemand haar zou kunnen tegenhouden als ze weer terug naar beneden zou gaan. Met bonzend hart probeerde ze haar verwarde gedachten te ordenen. Wat betekenden de notities, die ze met zoveel moeite had opgeschreven? Wilde ze vluchten, of wilde ze deze situatie, die te bizar voor woorden was, verder onderzoeken? Het decor had opvallend veel overeenkomsten met dat uit haar droom, maar misschien was het louter gebaseerd op toeval?

Esther dwong zichzelf om het laatste stuk omhoog te lopen en met beide voeten op het rode tapijt te gaan staan. Ze kon nog altijd wegrennen, zichzelf desnoods achterover de trap af laten vallen, óf de situatie verder onderzoeken. Aan de linkerzijde van de hal zou volgens haar nachtmerrie een slaapkamer moeten zijn. Met kleine stapjes liep ze tot aan de deuropening en keek de donkere ruimte in. Als ze een stap over de drempel zou zetten, zou ze dan het bed zien staan?

Esther zette de schakelaar van het licht aan de buitenzijde van de slaapkamer om en keek om de hoek. Verbijsterd keek Esther naar het bed. Hoe was dit mogelijk? Met ingehouden adem keek ze naar het opgemaakte bed. De beige dekens op het bed logen er niet om. Met knikkende knieën keek ze naar de ramen. Alle drie de vensters waren donker. Er zweefden geen dode gezichten voor de ramen. Het dekbed bewoog niet, maar was strak opgemaakt met het voeteneind onder het matras. Van haar moed was in de beklemmende slaapkamer niets meer over. Ze leek minder zuurstof binnen te krijgen. Het voelde alsof ze vacuüm werd gezogen. Hoe was het mogelijk dat ze op dezelfde plek stond als in haar voortdurende nachtmerries?

Met opengesperde ogen keek Esther naar de plek die ze in haar notitieblok had beschreven, daar waar ze de slijmerige maden in en rond het matras had zien rondkruipen. Dit was een cruciaal moment. Hier had ze de notities en analyses voor gemaakt. Ze moest het weten. Net als in haar nachtmerrie pakte ze met beide handen het dekbed stevig beet. Voordat ze de beige stof naar zich toe trok, perste Esther haar ogen op elkaar, bang voor wat ze zou zien.

Hoofdstuk 33



‘Wat ben je aan het doen?’

Rons verbaasde vraag maakte Esther nerveus, en de onbekende krakende geluiden van het oude huis maakten het nog erger. Sprakeloos staarde ze naar het matras. Het laken was smetteloos wit. Er zaten geen ondefinieerbare vlekken in de stof. Ze had zich nu officieel als een gestoord persoon gedragen. ‘En terecht dat je onder behandeling bent,’ mopperde ze, terwijl haar hartslag daalde. Ze bekeek de slaapkamer en de inloopkast die zich aan de linkerkant bevond. Er waren een rij schappen bevestigd waar de kledingstukken netjes opgestapeld lagen. De truien leken op degene die Ron na de stortbui had aangetrokken. Dit was duidelijk zijn slaapkamer.

Ron herhaalde zijn eerder gestelde vraag: ‘Wat ben je aan het doen?’ Bezorgd vroeg hij vanaf de zolder: ‘Gaat het wel? Je bent toch niet van die vervelende trap gevallen?’

Wat erg dit! Verman jezelf, stomme trut, dacht Esther geïrriteerd. ‘Nee, ik ben niet gevallen. Ik ben de weg kwijt. Waar moet ik heen? Ik heb me inderdaad vergist.’ Haar poging om luchtig te klinken faalde. Ron had ongetwijfeld de paniekerige trilling in haar stem gehoord.

Een schaterlach kwam van boven. ‘Je bent me er eentje. Vanaf de trap rechtdoor. Niet naar links, daar is mijn slaapkamer. Je moet vanaf de trap over het rode tapijt en dan omhoog.’

Esther trok het dekbed terug op zijn plek. Voordat ze het licht uitdeed, zag ze dat er geen gordijnen voor het raam hingen. Ze had de details uit haar droom niet goed paraat. Ze moest een manier verzinnen om meer elementen te onthouden om gênante herhalingen te voorkomen.

Terug in de hal keek Esther naar de smalle trap. In haar nachtmerrie kon ze niet verder. De mysterieuze zolder bevond zich in het donker. Tot nu. Het onvoorspelbare terrein gaf haar opnieuw een kwetsbaar en gejaagd gevoel. De spanning in haar zenuwen en lijf liep weer op; zulke adrenalinepieken moesten ongezond voor een mensenlichaam zijn. Onbewust en onbedoeld tastte ze met haar hand langs haar rechterheup. Vroeger, als er sprake was van een heterdaad woninginbraak met geweld en mogelijke slachtoffers, had ze haar hand op haar wapen gelegd. Het was schijnveiligheid, ze had nooit willen schieten. Die last was te zwaar om mee te torsen. Ze ademde diep in en stapte via de treden omhoog.

Bovenaan de trap verscheen Rons lachende gezicht. ‘Je kan wel merken dat je Aziatisch bloed in je hebt. Je hebt dezelfde trekjes als mijn vrouw. Die kon soms vreselijk treuzelen en kwam regelmatig te laat.’ Hij deed een stap opzij zodat Esther verder omhoog kon lopen. ‘Kijk. Dit wilde ik je laten zien, omdat je nu zelf aan een antieke stoel werkt. Dit is mijn verzameling.’

Rons vriendelijke gezicht kalmeerde haar, en Esther liep langs hem heen de zolder op. Haar mond viel open van verbazing. De uitbouw met de glazen pui die ze vanaf de achtertuin had gezien, was van binnen ingericht als een woonkamer gevuld met verschillende meubels. Tussen de kasten lagen bontgekleurde kleden op de vloer. Op de kleden stonden verschillende dressoirs, antiek gestoffeerde stoelen, kaptafels en secretaires. Ze liet haar hand over de dichtstbijzijnde stoel glijden, die bekleed was met een veloursstof met bloemenmotief. Vervolgens deed ze hetzelfde bij het houtsnijwerk, net zoals ze Merel bewonderend had zien doen bij Louis. ‘Deze lijkt op de stoel waar ik mee bezig ben.’

‘Echt? Dat is dan echt een oudje. Dan moet je mij een keer een foto sturen. Wat je hier ziet zijn allemaal erfstukken. Mijn vader was ook meubelmaker, vandaar de voorliefde voor de oude troep. Ze hebben jarenlang in een opslag gestaan, totdat ik ze eindelijk weer in handen kreeg. Ik weet dat het leven eindig is en dat ik de honderd niet zal halen, maar ik kan dit spul niet wegdoen. Ik vind het schitterend en kan hier uren zitten.’

‘Een vriendin van mij had een pirouette gemaakt als ze dit zou zien.’

‘Dat geloof ik, maar het is niets meer waard. Tegenwoordig zien ze de geschiedenis en waarde niet van goed antiek.’

‘Dat heb ik helaas vaker gehoord.’ Esther keek naar een secretaire waarvan de klep was uitgeklapt. Op het blad lag een aantal oude zwart-witfoto’s uitgespreid. Op de eerste foto zag ze een ouder echtpaar voor een donker gebeitste houten schuur. De vrouw, die gekleed was in kledendracht, droeg een ingebakerde baby in haar armen. De overige kinderen, die rechts naast haar stonden, had de fotograaf van groot naar klein opgesteld. Aan hun voeten droegen ze houten klompen. De kleinsten hadden smoezelige gezichten van het ravotten op het boerenerf.

 ‘Mooie foto hè? De pasgeboren baby in de armen van de vrouw is mijn moeder en de boerin mijn oma. Een van de weinige foto’s die van hen zijn gemaakt.’

‘Kwam uw moeder uit de negentiende eeuw?’

‘Ja, ze is ergens eind 1800 geboren.’

‘Dat meent u niet. Onvoorstelbaar.’

‘Ik wil de foto’s overdragen aan het gemeentearchief. Als zij er interesse in hebben tenminste. Ik heb geen kinderen, dus deze foto’s zullen uiteindelijk, net als mijn familiegeschiedenis, vergeten worden. Na mij houdt het gewoonweg op. Alsof ik nooit bestaan heb.’

‘Treurig als u het zo brengt.’

Toen Ron aanvoelde dat Esther interesse had in de foto’s, kwam hij dichterbij staan. ‘Ik zou willen dat je verder kijkt.’

Nieuwsgierig geworden pakte Esther de eerstvolgende foto en bekeek hem zorgvuldig. Op de afbeelding met kartelranden zag ze een kleine jongen rondlopen met een boerenpet op zijn hoofd.

Ron lachte breed. ‘Ook een van de weinige. De jongen op de foto ben ik. Het was een warme zomer. De pet was van mijn vader en die wilde ik altijd op. Hij was duidelijk veel te groot voor mij. Hij zakte over mijn oren als ik achter hem aan liep. Ik kreeg dat jaar een pup. Een bastaardbeest. Ook die had te grote oren.’ Ron imiteerde de grote oren door zijn handen naast zijn hoofd te houden en zijn vingers te spreiden. ‘Die hond was de beste rattenvanger van de buurt.’

‘Eerlijk?’

‘Eerlijk waar. De neus van die hond was onvoorstelbaar. Die rook een rattennest op tientallen meters afstand.’

Glimlachend knikte Esther, terwijl ze voor zich zag hoe een hond rondsnuffelde op het boerenerf. Het had Max kunnen zijn. Die vond ook altijd dieren rondom huis. Ze legde de vergeelde foto terug op de secretaire om een andere te pakken. Ook deze bestudeerde ze.

Toen de afbeelding tot haar doordrong, werd ze overweldigd door onverwachte emoties, waardoor haar hand begon te trillen. Ook in zwart-wit stond een groot, donker paard afgebeeld. Zowel de manen van het paard als de lange zwarte haren van de vrouw die boven op het edele dier zat, wapperden in de wind, terwijl ze beiden in de verte staarden. De gelijkenis tussen de vrouw en Esthers moeder was frappant en maakte een misselijkmakend gevoel los. Beiden hadden dezelfde wenkbrauwen, neus en zelfs de oren die Esther zelf van haar moeder had geërfd. De blik in de donkere ogen was beangstigend en herkenbaar. Altijd beheerst, nadenkend en wijs, alsof ze allang wisten wat er komen ging, maar zich daar niet druk over maakten.

 ‘De stoelen zijn leuk, maar dit wilde ik je echt laten zien. Toen je de tafel dekte en de geur van het eten in mijn neus drong, wist ik het zeker. De eerste keer dat ik je zag had ik het al gezien. Ik schrok van je verschijning en de gelijkenis, maar voelde dat je terug zou komen.’

‘Wat zag je?’ vroeg Esther vertwijfeld, terwijl ze naar de raadselachtige foto bleef staren en nog meer overeenkomsten vond. Haar hersenen konden geen verklaring vinden voor wat ze in haar trillende handen had. ‘Hoe kom je aan deze foto?’ Ze draaide de foto om, in de hoop een datum, plaats of de naam van haar moeder terug te vinden. Teleurgesteld draaide ze de foto terug, toen ze die niet vond. Wat had ze eigenlijk verwacht? Ze was zo in gedachten dat ze niet had verstaan wat Ron in de tussentijd aan haar vertelde. ‘Sorry, wat?’

 ‘Je lijkt zoveel op mijn vrouw,’ zei Ron, terwijl hij een stap dichterbij zette en zijn warme hand op haar schouder legde.

Hoofdstuk 34



De kamer was op een staande lamp na volledig verduisterd. Als er iemand aan de deur zou staan, had je de mogelijkheid om rustig te bestuderen wie er stond en dan de keuze te maken om de deur te openen of te doen alsof er niemand thuis was.

Frank zat al twee uur op dezelfde plek op de bank. Hij staarde naar de wijzers van zijn horloge. Het was laat. Esther had altijd de neiging om te laat te komen, maar nu was het al na achten. Hij begon trek te krijgen, maar besloot toch nog een keer te bellen voordat hij een boterham met pindakaas naar binnen zou schuiven. ‘Armoedevoedsel,’ mompelde Frank chagrijnig. Teleurgesteld gooide hij zijn telefoon op de bank, toen er weer niet werd opgenomen.

Esther had blijkbaar besloten om niet te komen en boos op hem te blijven.

Frank twijfelde even, maar pakte toen toch een flesje bier uit de koelkast. Als ze niet zou komen, had hij een goede reden om er een open te trekken, maar eigenlijk wilde hij het niet. Hij had zich vanwege haar ingehouden, maar nu voelde hij zich gewoonweg klote. Hij had haar willen vertellen dat hij het dagboek van Yvon had uitgeleend. Dat hij het had uitgeleend lag al een poosje als een steen in zijn maag. Esther wist niet eens dat er een dagboek was. Als ze langs was gekomen, zou ze alsnog boos zijn weggegaan, wetend dat hij de kostbare geschiedenis en gedachten van haar moeder had meegegeven aan een onbekende.

Frank vroeg zich af waarom hij het dagboek aan Marty had gegeven. Hij had geen moment getwijfeld, toen Marty het door haar handen liet gaan en geïnteresseerd opensloeg, naar de hoofdstukken waar hij de papiertjes tussen had gedaan. Het voelde vertrouwd en hij wist dat ze er zorgvuldig mee om zou gaan. Maar waarom? De woorden ‘Neem maar mee, misschien heb je er wat aan’ had hij uitgesproken zonder erover na te denken. Zelf had hij het dagboek niet gelezen. Hij kon het niet. Het verlies en het verdriet voelde nog steeds als een open wond en hij wilde de diepste gedachten van zijn vrouw niet weten. Wat als er dingen over hem in stonden die hij niet wilde horen? Het was sowieso niets voor hem om zijn intiemste gedachten vast te leggen; die waren van hem en dat hoefde niemand te weten. Dat zou voor een ander alleen maar zijn of haar positieve beeld van de wereld verstoren. Anderen hoefden zich geen zorgen te maken over schrijnende maatschappelijke zaken of over hoe je moest omgaan met de verwerking van trauma’s. Niemand begreep immers wat hij allemaal had gezien en hoe zijn gedachten en nachten daarmee verweven waren. Als een mummie hadden alle herinneringen zich om hem heen gewikkeld en die zouden over duizend jaar nog steeds bestaan.

  Frank nam een grote slok koud bier, maar de smaak leek bitterder dan ooit. Hij wist dat hij op een kruispunt stond. De weg van zelfdestructie als hij dronken werd, zou alleen maar leiden tot meer pijn en verlies. Ergens wist hij, dat hij de moed moest vinden om hulp te zoeken om zijn innerlijke demonen te confronteren. De ellende was dat diezelfde demonen bleven vragen om verdoofd te worden, al was het maar voor even. De valse troost van alcohol zou hem uiteindelijk nog verder verwijderen van Esther. Hij wist het, dondersgoed. Toch stond hij op van de bank en sjokte in het donker naar de keuken.

Er waren momenten dat Frank mensen benijdde die positief in het leven stonden. Zij zagen de donkere krochten niet, waarin de slechte en soms misselijkmakende gebeurtenissen plaatsvonden. Het bierflesje dat hij alweer leeg had, zette hij naast zich neer en pakte een nieuwe uit de koelkast. Had hij er anders mee om moeten gaan? Had hij gefaald? Had hij nog een rol als iets of iemand? Was hij überhaupt nog functioneel in dit leven?

 Zuchtend tuurde hij uit het raam. Esther verscheen niet op de oprit zoals hij verwachtte. Nee, dat was het woord niet, hoopte. Zijn hart smeekte dat ze zou komen. Maar in dit trieste stadium was het misschien beter dat ze wegbleef. Starend of Esther de hoek om kwam tuffen met haar gedateerde Volkswagen Golf, de roestbak op wielen die ze van haar moeder had gekregen, stond Frank voor het raam. ‘Ze… komt… niet…’ Verdomme, wat had hij nou eigenlijk verwacht? Kennelijk had hij dit verdiend. Hij was een slechte vader. Een verzaker, een afgestompte lul.

Gefrustreerd gooide Frank het leeggedronken flesje in de wasbak. Geëmotioneerd drukte hij zijn handen op het aanrechtblad. Het besef kwam harder binnen dan hij had gedacht. Zijn ogen flitsten heen en weer als een versnelde diaprojector. Vanavond, op zijn verjaardag, zou hij alleen zijn. Helemaal alleen, met zijn verdomde gedachten.

Hoofdstuk 35



De situatie was te bizar, te verwarrend en te pijnlijk. Esther stormde zo snel als ze kon de vlizotrap af, rukte haar jas van de stoel, die door de plotselinge beweging omviel. Pakte haar tas uit de keuken en rende naar de hal. De voordeur, die ze met kracht opengooide, liet ze openstaan toen ze naar de auto vluchtte en instapte. Paniekerig stak ze de sleutel in het slot en startte de motor. Een kort geknetter van wegschietend grind was hoorbaar, toen ze het gaspedaal te hard intrapte en schichtig door haar binnenspiegel naar de openstaande deur keek. Ron kwam niet als in de Texas Chainsaw Massacre naar buiten gesneld, terwijl Esther het grindpad achter zich liet en de geasfalteerde weg op draaide. Ze slaakte een zucht van verlichting.

De weg was donker doordat hij niet voorzien was van straatverlichting. De donkerblauwe lucht stak op een vreemde manier af tegen het zwarte gras dat er normaal zo fris en groen uitzag. Het maakte de route naar de snelweg nog beklemmender dan die al was. Esthers nek kriebelde door het gevoel dat ze achtervolgd werd en haar nekharen kwamen overeind. Ze klikte het grote licht aan en gaf een dot gas. Met haar rechterhand probeerde ze haar telefoon uit haar tas te pakken; die ergens tussen de rest van haar spullen was beland. Terwijl ze een korte blik op haar tas wierp, rende een haas de weg over. Ze schrok en liet het gaspedaal los. Haar snelheid daalde totdat ze weer de toegestane snelheid reed. Ze vond de telefoon.

Hard drukkend op het gladde scherm zocht Esther de laatste persoon die ze had gesproken in haar bellijst. De totstandkoming van het gesprek duurde gevoelsmatig een eeuwigheid. Hysterisch schreeuwde ze richting de voorruit: ‘Merel, neem op!’

Zonder haar nam te noemen nam Merel op. ‘Hey, waar hang je uit? Ben je onderweg?’ Haar zangerige en rustige stem zou direct omslaan als ze de paniek aan de andere kant van de lijn zou horen.

‘Wat ik nu toch meemaak!’

Zoals verwacht klonk Merels ontspannen stem meteen bezorgd en schoot een octaaf omhoog. ‘Waar ben je? Waarom hijg je zo? Alles oké?’

‘Nee. Echt helemaal niet oké. Ik ben verre van oké! Wacht, ik versta je niet goed.’ Esther pakte al rijdend haar oortjes uit het dashboardkastje en deed ze in. Haar oog viel op de eerste bebording die ze langs de weg in de berm zag staan. ‘Wel gloeiende gloeiende!’ In haar overhaaste vluchtpoging was ze de verkeerde kant op gereden. In plaats van naar de snelweg was ze verder het binnenland ingereden. Toen ze dat besefte, onderdrukte ze een oerkreet van frustratie. Toen werd haar aandacht naar het stuur getrokken, dat naar links neigde. ‘Alle mensen. Serieus?! Wat is dit nou weer?!’

 ‘Probeer rustig te praten, Es. Ik begrijp er niks van als je zo tekeergaat. Controleer je ademhaling en parkeer de auto. Op deze manier kun je niet rijden. Waar ben je? Dan kom ik naar je toe.’

Zwaar ademend parkeerde Esther de auto in een inham langs een berm. ‘Oké. Ik heb de auto geparkeerd.’

‘Goed zo. Stuur mij nu je locatie.’

Getriggerd door de afwijking van haar stuur stapte Esther uit de auto en zette boos de zaklampfunctie van haar telefoon aan. Doelgericht liep ze naar de achterkant van de auto, waar ze de laatste keer een schroef in de band had zien zitten. Verbijsterd keek ze naar de platte band. De schroef in het rubber was niet te missen. Hij stak aan de bovenkant tussen het profiel in het rubber. Op dezelfde plek als een aantal uren geleden. Van wanhoop begonnen haar benen te trillen. Kreeg ze weer een paniekaanval? Haar knieën knikten en leken zelfstandig te besluiten dat ze haar romp niet meer wilden dragen. Vol ongeloof zakte ze tussen het bermgras op de grond. ‘Hij heeft hem niet vervangen!’

‘Wat? Wie? Wat heeft wie niet vervangen? Ik kan geen chocola maken van de wartaal die je uitslaat. Luister naar mijn stem en focus je op mij!’

‘Hij heeft die kloteband niet vervangen! Die smerige lul!’ Woedend sloeg Esther tegen het portier van de auto en barstte in huilen uit.

‘Luister,’ klonk Merel dwingend aan de lijn, ‘stuur mij je live-locatie. Ik kom nu naar je toe. Ga in de auto zitten en bel me over vijf minuten. Ik praat je hier doorheen. Gwen is hier ook. Wij komen nu naar je toe. Al ben je op Rottumerplaat.’ Het stemgeluid van Merel werd kort gedempt toen ze tegen iemand op de achtergrond sprak. ‘We pakken nu onze jassen. We zitten met een minuut in de auto. Ga nu in de auto zitten en stuur ons je locatie. Heb je me gehoord? Zeg me dat je mij hebt gehoord!’

‘Goed, goed. Ik heb je gehoord. Tot zo.’ Esther hing op. Snikkend ging ze in de auto zitten en sloeg gefrustreerd op het stuur. Nadat ze zich op het zwarte leer had uitgeleefd liet ze haar hoofd erop rusten en sloot haar ogen. ‘Wat een kutwereld,’ mompelde ze.

De vrouw met de lange zwarte haren verscheen weer op haar netvlies. Op basis van haar hele voorkomen had ze Esthers moeder kunnen zijn. De foto sloeg een gat in haar hart en gaf valse hoop. Maar het was een doodlopend spoor: een overleden moeder op een dode knol. En dan ook Ron. Het hielp niet dat hij zijn hand onverwacht op haar schouder had gelegd en in haar schouder had geknepen. Bruusk had Esther zijn hand weggeslagen en was zonder iets te zeggen weggerend. Nadat hij meerdere malen riep dat ze moest wachten, struikelde Ron over een kleed toen hij een poging deed om achter haar aan te gaan.

Nadenkend rechtte Esther haar rug en drukte haar nagels in het leer van het stuur. Had ze zich zo vergist in de verdrietige, oude man? Was haar volledige intuïtie en mensenkennis verdwenen en vervangen door boosheid, naïviteit en angst? Ze moest het weten. Anders werd ze gillend gek.

Nijdig stapte Esther uit de auto. Met de zaklamp op haar telefoon aan deed ze de achterbak open. Hardop mopperend legde ze de telefoon op het dak van de auto en zocht op de tast naar de inhoud van de achterbak om vervolgens alles achter zich in de berm te smijten. Toen ze op de tast voelde dat de auto leeg was, trok ze de hendels van de mat omhoog. Ook die belandde bij de spullen in de berm. Dit was het moment van de waarheid. Voor haar in het donker lag de lekke band in de uitsparing. Met trillende vingers voelde ze met haar hand langs het rubber. Ze voelde de bolling van de schroef niet. In het donker keek ze naar haar handpalm. Ze had geen verlichting nodig om te weten dat haar hand zwart was geworden van de vuiligheid van de band. Om het zeker te weten moest ze de volledige ronding aftasten. Ze stak haar vingers door de gaten van de velg en trok de band uit de uitsparing. Terwijl de band op de rand balanceerde, voelde ze met gespreide vingers zorgvuldig langs het rubber. Waarom was het vinden van een schroef zo belangrijk? Als de schroef er niet zat, dan zou ze nooit meer op haar gevoel kunnen vertrouwen. Toen ze het stuk metaal niet vond, tilde ze de band op en draaide hem een stuk verder. Zacht wrijvend ging ze verder langs het profiel. Haar adem stokte. Met haar wijsvinger vond ze het ronde stukje metaal. Ze tikte er zacht op en volgde de volledige cirkel. Er zat wel degelijk een schroef in de band.

Esther wist niet of ze blij moest zijn of niet. Met duim en wijsvinger probeerde ze de schroef uit het

rubber te trekken. Het lukte niet. De schroef zat muurvast. Hoe groot was de kans dat er een tweede schroef in een vervangende band zou komen? Peinzend over een verklaring voor de tweede schroef, tilde ze de band ter hoogte van de uitsparing en liet hem met een plof terug op zijn plek vallen. Haar concentratie werd abrupt verbroken. Had ze Merel nu al een bericht gestuurd? Verstrooid tastte ze haar broekzak af.

Afgeleid door haar verwarde gedachten, hoorde ze de naderende voetstappen niet. De alertheid die

normaal gesproken als een tweede natuur voor haar was, was al lang vertroebeld. Het begrip ‘normaal’ had al lange tijd geen betekenis meer voor Esther.

De vreemdeling handelde snel en doelgericht. Er was geen sprake van worsteling of verzet. Met een

snelle en genadeloze klap raakte hij Esthers hoofd, waardoor ze direct buiten bewustzijn raakte.


 

Hoofdstuk 36


Frank werd opgeschrikt door het gerinkel van zijn werktelefoon, die hij op het aanrecht had laten liggen. Opnieuw lag hij op de bank. Hij keek op zijn horloge en liep naar de keuken. Het was half twaalf. ‘Wat een rottijd om iemand te bellen,’ mopperde hij. Met opgetrokken wenkbrauwen staarde hij naar het telefoonscherm. Het telefoonnummer kende hij niet. Twijfelend of hij op moest nemen of niet, keek hij nogmaals op zijn horloge. Het was lang geleden dat de telefoon afging in de avond. Waarom nu ineens op dit belachelijke tijdstip? Ook al had hij geen zin in een gesprek, hij nam toch op. ‘Frank,’ mompelde hij.

‘Spreek ik met de vader van Esther? Frank?’

Frank rechtte zijn rug, maar ontspande direct weer. Bij slecht nieuws zouden er twee geüniformeerde politiemensen voor de deur staan. Aan de uitgestreken of medelevende gezichten zou hij zien dat er wat ergs was gebeurd. Voor nu was er geen reden om te gaan schreeuwen of te schelden; er was geen sprake van ongewenst bezoek met een vervelende mededeling. Dat zou hij op dit moment niet aankunnen. Van de pijn zou zijn hart stoppen met kloppen. ‘Ja, en wie is dit?’

‘Sorry dat ik u stoor, maar u spreekt met Merel.’

‘Ja, en dat is?’ knorde Frank chagrijnig.

‘Ik ben een vriendin van Esther. Uw dochter?’

‘Ik weet dat Esther mijn dochter is. Wat is er? Waarom bel je zo laat?’

Het werd stil aan de andere kant van de lijn. De onvriendelijkheid in zijn stem was duidelijk door de lijn te horen.

Merel wachtte even. ‘Ik weet dat u jarig bent en dat Esther bij u op bezoek zou gaan.’

Het gevoel van teleurstelling overviel Frank opnieuw. Zijn verjaardag was eenzaam geweest. Het derde biertje had hem over een grens geholpen en gevraagd naar meer. Hij was een alcoholist aan het worden. Een emozuiper was hij, een persoon die zuipt als hij verdrietig is, blij, boos, angstig, maar ook als hij teleurgesteld is in zichzelf. Deze emoties samen stonden garant voor een kater, een leeg krat en een slecht humeur. ‘Ja,’ antwoordde hij kortaf.

‘Is Esther nog bij u langs geweest?’ Merels stem klonk bezorgd en trilde even, totdat ze zich realiseerde wie ze aan de lijn had en zichzelf herpakte.

 Frank had wel eens gehoord dat Esther een groep meiden had die ze via het werk had ontmoet en waar ze al jaren mee omging. Hij kende er een van, Gwen, een wijkagente. Met haar had hij vooral te maken gehad vanwege een onderzoek naar een vermiste prostituee waar zij veel informatie over bleek te hebben.

Esther ging minimaal één keer per jaar met de vrouwen een weekend weg of een week op vakantie. Hij had nooit naar deze uitstapjes gevraagd. Esther smeet dan geld over de balk; het ging op aan eten, veel drank en sigaretten. Nou, daar vond hij wel wat van. Een van de andere vriendinnen zou zomaar Merel kunnen zijn. Die was vroeger vast over de vloer gekomen, maar sinds Esther was uitgevlogen gebeurde dat natuurlijk niet meer. ‘Nee. Ze is niet langs geweest. Vanwaar de vraag en waarom bel je mij? Hoe kom je aan mijn nummer?’

‘Uh, die heb ik uit de personeelsgids?’

Frank was niet scherp en baalde van zichzelf. Hoe ze aan zijn nummer

kwam was geen hogere wiskunde, dat had hij zich ook kunnen bedenken. Hij kon zichzelf wel voor zijn kop slaan. Aan de toonhoogte van Merels stem te horen vond zij het ook een domme vraag. Dit mocht hem niet meer overkomen. ‘Hmm, dan is het goed,’ mompelde hij, wetend dat deze ronde niet meer te redden was.

‘Ik kan Esther sinds gisteravond niet meer bereiken. Ze stond met een lekke band langs de weg. Ze belde mij op. Ik had met haar afgesproken dat ik naar haar toe zou rijden.’

Opnieuw teleurgesteld hoorde Frank Merel aan. Waarom had Esther Merel gebeld in plaats van hem als ze met een lekke band langs de weg stond? Hij had haar ook op kunnen halen. Zijn ogen werden naar de lege verzameling bierflesjes getrokken, die zowel op het aanrecht als op de salontafel stonden. Misschien ook niet. Ook dit mocht hem nooit meer overkomen. Esther wist dondersgoed dat ze hem niet kon bellen in de avonduren. ‘Waar stond ze?’

‘Ik weet het niet.’

‘Heeft ze dat niet gezegd?’

‘Nee.’ Merel ademde diep in aan de andere kant van de lijn. ‘Esther had aangegeven dat ze naar u toe zou gaan voor uw verjaardag, omdat ze u al een tijd niet had gezien en gesproken.’

Frank dacht na. Hij vond het niet leuk dat de vuile was buiten werd gehangen en trok automatisch de conclusie dat Merel van meer zaken op de hoogte was. Vrouwen spreken immers meer met elkaar dan bejaarden tijdens de bingo. Haar beeld van hem had hij ongetwijfeld bevestigd met zijn manier van doen. Desondanks was er nog steeds geen reden voor paniek. Esther moest gewoon thuis zijn, zeker gezien het tijdstip. Frank knikte ter bevestiging om het onrustige gevoel dat in zijn maagstreek opkwam en uitzette als een ballon te onderdrukken. Hij probeerde Esther voor zich te zien. In zijn gedachten zat ze veilig thuis op de bank, te mokken en af te geven op haar oude vader. Hij wilde de verbinding verbreken. Nog een half uur en dan zat zijn verjaardag erop. ‘Ik denk dat ze gewoon thuis zit. Neemt ze haar telefoon niet op?’

‘Dat is het probleem juist. Dat doet ze niet.’

‘Als ze een beetje op haar vader lijkt, dan zal ze behoefte hebben aan rust. Haar moeder is een week voor mijn verjaardag, nu drie jaar geleden, overleden. Ik denk dat dit meespeelt. Ik sta er niet van te kijken dat ze alleen gelaten wil worden. Ja…’ Hij nam een korte pauze, wederom om zichzelf te overtuigen dat Esther thuiszat. ‘…ik denk dat ze gewoon behoefte heeft aan rust.’

Merel slaakte een diepe zucht. ‘Goed. Daar gaan we dan, want volgens mij begrijpt u mij niet goed.’ Ze  klonk geïrriteerd en haar stem kreeg een scherp randje. ‘Esther had aangegeven dat ze bij u langs wilde gaan voor uw verjaardag. De laatste keer dat ze bij u was, had u veel gezopen en zijn jullie met ruzie uit elkaar gegaan, maar Esther was niet van plan om van uw verjaardag weg te blijven. Haar letterlijke woorden waren: “Ik heb gelukkig nog een vader en ook al is het soms een portret, ik hou van hem.” Jullie zouden sushi gaan eten, omdat ze wist dat u niet met stokjes zou willen eten. Alleen om u te zieken wilde ze dat bestellen. Gisteravond, toen ze met die lekke band stond, zou ze mij haar live-locatie sturen, zodat ik naar haar toe kon rijden. Esther was compleet in paniek. Ik was op dat moment samen met Gwen, ook een vriendin van haar. We hebben gewacht en gewacht, maar er kwam geen bericht over de plek waar ze exact geparkeerd stond. We hebben gebeld en geappt, maar de berichten kwamen niet meer aan.’

Merel was nog niet van plan om te stoppen met praten. Frank hoorde haar diep inademen.

‘Weet u wat ik in mijn bezit heb? Een sleutel van haar appartement, omdat Esther het momenteel zwaarder heeft dan u weet. Al wekenlang zit ze thuis en werkt ze niet. Ze heeft niet het idee dat ze met u over haar problemen kan praten en kropt alles op. Als ze zich niet goed voelt, dan belt ze mij en ik heb dan de sleutel van de voordeur, zodat ik op deze momenten naar binnen kan. Weet u wat ik vond in haar huis?’

Frank vond het frappant dat Merel zowel brutaal als respectvol tegen hem sprak. Ze sprak hem aan met u, maar wees hem ook terecht zonder hem te sparen. Een terechtwijzing die hij nodig had, want hij wist dit allemaal niet. Waarom wist hij deze essentiële dingen niet? Bij het uitblijven van een antwoord van Franks kant, werd Merel boos. Het respectvolle ‘u’ ging vloeiend over naar ‘jou’.

‘Helemaal niemand! Geen Esther. Geen vriendin van mij of dochter van jou in de hele focking woning!’

Frank snapte waarom Esther Merel leuk vond. Ze was recht voor zijn raap en had maling aan het feit dat hij Esthers vader was. Ze was niet bij de pakken neer gaan zitten toen ze haar niet kon bereiken en had doorgepakt en gezocht naar informatie. Het telefoontje was wel degelijk slecht nieuws. Dacht ze aan een vermissing? Of aan een misdrijf? Het was alsof Merel voor hem stond en hem een klap in zijn gezicht gaf. Zijn verdoofde brein ontwaakte volledig. Merel gaf hem informatie waar zijn alter ego, Frank de rechercheur, mee aan de haal ging. Zijn alertheid kwam direct terug. ‘Waar is haar auto?’

‘Stond niet voor de deur.’ Merels stem klonk geconcentreerd. Ze wist dat

ze eindelijk Franks aandacht had.

‘Berichten ongelezen?’

‘Ja, en telefonisch onbereikbaar. Hij staat uit.’

‘Briefjes achtergelaten in huis?’

‘Nee. Ze heeft paniekaanvallen, ze wil niet dood.’

‘Dood?’
‘Ja. Dat is je vraag toch? Of ze een afscheidsbrief heeft achtergelaten en ze

eruit wil stappen? Nee, dat wil ze niet en dat zou ze nooit doen.’

Waarom had Frank dat gevraagd? Wilde hij zeker weten dat Esther niet

ergens aan een touw zou bungelen? Ze mocht niet op hem lijken. Hij had er zelf vaak over nagedacht, na het grootste verlies van zijn leven. Wekenlang schoot de noodgreep elk uur door zijn gedachten. Hij had het niet gedaan. Hij had zijn dochter, zijn tweede alles nog. ‘Heeft ze contanten?’

‘Ze gruwelt van cash omdat haar biljetten altijd bij de kassa worden gecontroleerd, omdat ze denken dat ze valse briefjes heeft. Dus nee, geen contanten.’

Frank pakte wit papier en een pen. Alle informatie met betrekking tot de laatste vierentwintig uur waren nu belangrijk. ‘Laatste contact?’

‘Gisteravond 19:00 uur. Ze is ergens geweest en haar letterlijke woorden waren: “Wat ik nu toch meemaak? Hij heeft die kloteband niet vervangen”.’

‘Hij?’

‘Ja.’

‘Heeft ze een vriend?’

‘Nee, al jaren niet. Als ze een vriend of scharrel had gehad, dan hadden we dat geweten.’

‘Enig idee waar ze ongeveer stond met die lekke band?’

‘Geen idee.’

‘En ze was in paniek?’

‘Compleet over haar toeren.’

‘En je weet niet waarom?’

‘Nee. Ze kwam er niet aan toe om het te vertellen.’

‘Wat had ze aan?’

‘Geen idee,’ verzuchtte Merel, maar klonk toen optimistischer. ‘Ik heb wel een vermoeden. Toen ik in haar huis was, hing haar zwarte leren jasje niet aan de kapstok in de hal. Ik denk die jas. Ze sleept dat ding als een lappenpop overal mee naartoe, ook al zijn de mouwen totaal verweerd en zit er een kleine scheur onder de oksel. Het is dat ik weet dat ze geld heeft, want anders had ik een nieuwe voor haar gekocht. Nu ik erover nadenk. Zeker weten die jas.’

‘Verder?’

‘All Stars. Ze draagt altijd die zwarte afgetrapte All Stars en waarschijnlijk een spijkerbroek.’

‘Anwb?’

‘Voor zover ik weet niet. We hebben eerder met panne gestaan met dat brik van haar. Toen hebben we mijn neef gebeld. Hij heeft toen de auto weggetakeld.’

Frank slikte. Een brok paniek groeide in zijn keel en werd zo groot dat het onmogelijk was om weg te slikken. Dat was dus het gevoel dat zijn maagstreek vulde en optrok naar zijn borst en slokdarm. Zijn lichaam wist het al en vulde hem met misselijkheid, angst en paniek. ‘En je denkt dat er wat is gebeurd?’

‘Denken? Kom op, Frank. Ik weet het zeker.’


Hoofdstuk 37



Het was onmogelijk om te stoppen met lezen. Het dagboek bevatte zoveel geschiedenis, mooie herinneringen en gevoel. Marty smulde ervan en liet zich volledig meeslepen in de korte en de lange verhalen. Door de soms grappige gebeurtenissen en omschrijvingen leek ze Yvon echt te leren kennen. Zwijmelend bladerde Marty terug naar een geschreven stuk waarin de eerste ontmoeting tussen Yvon en Frank tot in detail was beschreven. Er was geen twijfel over de eerste blik die ze met elkaar hadden gewisseld, of de eerste woorden die ze met elkaar hadden gesproken. Hun kennismaking was liefde op het eerste gezicht geweest. Ze waren vanaf dat moment met elkaar verbonden en waren nooit meer van elkaars zijde geweken, totdat de dood hen van elkaar scheidde.

Frank was met zijn broers in een speeltuin toen ze elkaar voor het eerst zagen. Yvon zat met haar zussen op een klimrek. De rest van de kinderen was overal en nergens aan het spelen. Frank was, nadat hij een steentje of twintig over de speelplaats had weggetrapt, uiteindelijk naar haar toe gelopen. Daar had hij Yvons knie, die ze had opengehaald bij een flinke valpartij, bekeken en verbonden met een schone rode zakdoek uit zijn broekzak.

‘Zo lief,’ zei Marty dromerig en bladerde naar het eind van het dagboek, waar de stenen waren beschreven. Het was nu tijd voor het serieuze werk, waar ze het dagboek voor had gekregen. De stenen hadden voor Yvon een bijzondere betekenis. Het tijgeroog dat ze in het sieradenkistje had bewaard, was voor haar het belangrijkste. Dat werd duidelijk uit de tekst in het dagboek en omdat de naam van de steen met dikke letters en onderstreept was opgeschreven. De steen zou beschermend zijn en hield negatieve invloeden op afstand. Frank vertelde dat Esther de steen voor haar achttiende verjaardag had gekregen. Het was een uniek exemplaar waar Yvon stad en land voor had afgezocht. Toen ze de juiste steen had gevonden, was ze op zoek gegaan naar een juwelier die hem kon verwerken in een specifieke zilveren hanger.

De manier van schrijven was in de jaren volwassener geworden. Yvon was niet meer de jonge verliefde vrouw van toen. Ze nam haar onderzoek naar de werking van de stenen serieus en schreef daar korte verhalen bij. Bij een stuk rozenkwarts las Marty onder andere dat het geschikt was voor kinderen. Als kind had Esther langdurig last gehad van nachtmerries, waarbij ze gezichten voor zich zag die gekke bekken naar haar trokken. Ze was toen bang om in te slapen en in het donker te liggen. Yvon had het huis gereinigd toen Frank naar zijn werk was en had Esther de geschikte steen gegeven, die ervoor zorgde dat ze niet meer bang was en omringd was door liefde.

Marty kende vanuit haar omgeving weinig mensen die zoveel waarde hechtten aan de gekleurde, gladde keitjes. Voorzichtig legde ze het dagboek opzij en pakte haar telefoon. Haar mailbox zat alweer overvol. Haar ogen flitsten over de titels tot ze een mail van Leiko las: ‘Belangrijk! Mogelijk vermiste vrouw met ring gevonden.’ Ze klikte op de e-mail en las hem nauwkeurig door. Marty grijnsde breed. Het was Leiko gelukt om met de details van de ring terug te rechercheren naar een aangifte van een vermissing van een persoon. Dit zou betekenen dat ze dichter bij een naam waren van een van de slachtoffers.

De vermissing was een half jaar geleden opgenomen. Een vrouw van vijfenzestig was onverwacht verdwenen vanuit haar woning, na haar laatste chemotherapie. Haar echtgenoot had aangifte gedaan van de vermissing. Als het aangetroffen slachtoffer en de vermiste vrouw een en dezelfde persoon waren, dan zou haar man weten van de inscriptie met hun trouwdatum en beide initialen.

Nadenkend keek Marty naar de personalia van de vermiste echtgenote. Een vrouw kon toch niet zomaar vanuit huis verdwijnen? Afhankelijk van de relatie zou de vrouw ook verdwenen kunnen zijn om onder het juk van haar echtgenoot uit te komen. ‘Er is een onderzoek gestart naar de vermissing, maar er waren destijds geen aanknopingspunten. De echtgenote was van de aardbodem verdwenen. Men spreekt over een vreemde situatie. Het onderzoek liep volledig spaak of dood. Het is maar hoe je het bekijkt. Ik heb een mail gestuurd naar de betreffende collega die de zaak in beheer heeft gehad,’ las Marty hardop aan zichzelf voor. ‘Waren er geen sporen of waren ze goed gewist? Was er geen verdachtmaking richting de echtgenoot?’ Ze bedankte Leiko voor zijn inzet en oplettendheid. Hij had de gekregen opdracht serieus opgepakt en dat waardeerde ze. Ze hoopte dat de collega in kwestie snel zou reageren. Als de ring dezelfde inscriptie had, moest de confrontatie met het sieraad en het lichaam van zijn vrouw niet lang op zich laten wachten. Net als met Sophie had de echtgenoot recht op informatie. ‘Tenzij we iets anders tegen hem vinden natuurlijk,’ prevelde ze, ‘of als hij gezien zijn leeftijd zelf al is overleden. Dat zou ook vreselijk zijn…’

Marty was liever in de bubbel van ‘de ware liefde’ blijven hangen, maar dit was de realiteit. Ze pakte de foto’s van de sectie die ze in kleur had gekopieerd. Ze bekeek de eerste overzichtsfoto op papier. Het stoffelijk overschot was deels vergaan en was op geen enkele manier volledig toonbaar. Een deel van de onderarm en de hand zou getoond kunnen worden, en natuurlijk de trouwring. Het lichaam helaas niet. Op basis van de foto zou de echtgenoot meteen zien dat ze lang in een vochtige atmosfeer had gelegen. Haar nog volledig tonen konden ze hem niet aandoen. Hij zou ter plekke een hartstilstand krijgen en ter aarde storten, als hij nog in leven was.

Zakelijk gezien was Marty zeer te spreken over de kwaliteit van de foto’s. De fotograaf had de juiste hoeken vastgelegd en het was allemaal bruikbaar materiaal. De lengte, schoenmaat en gewicht stonden in het rapport aangegeven. De hand waarvan de vingertop miste had hij goed vastgelegd. Ze was tevreden met het resultaat.

Marty trok haar badjes uit en hing hem op aan het haakje aan haar slaapkamerdeur. Gapend rekte ze zich uit, ze was moe. Stiekem keek ze naar het rode dagboek. Opnieuw ving het haar blik en leek haar met onzichtbare ogen te lonken. ‘Nou goed dan, nog een hoofdstuk.’

Hoofdstuk 38



Het geruis in haar hoofd klonk als een waterval in de verte. Suizend en wild, totdat ze naar beneden in het koude water kletterde. Het was ook koud. Langzaam opende Esther haar ogen. Ze lag zonder dekens op haar rug in het donker. Even waande ze zich in haar vertrouwde bed en dacht ze dat ze alles had gedroomd. Toen voelde ze de harde, koude ondergrond onder haar rug en het bonkende gevoel in haar hoofd alsof ze een wedstrijd had gebokst.

Uit reflex schoot Esther abrupt omhoog, waardoor ze haar voorhoofd pijnlijk tegen een hard oppervlak stootte. Met een bonzend gevoel probeerde ze te gaan zitten. Het lukte niet. De ruimte was te laag, waardoor haar gebogen nek en schouders met een bolling tegen de bovenkant zaten. ‘Wat…’ Kreunend masseerde ze haar beurse hoofd. Het gevoel bleef, ze moest het maar omarmen. Met moeite tastte ze met haar handen in het duister om zich heen. Onder haar nagels voelde ze op sommige plekken kleine kieren. Ze was omringd door recht afgezaagde planken die om haar heen een houten gevangenis vormden. Ze zat in een kist. In een poging om enige ruimte te creëren rolde ze zich opzij, maar zelfs dan had ze niet de bewegingsruimte die ze wenste. Langs haar lijf had ze wel genoeg ruimte om haar armen en benen te bewegen.

Het duister was zo intens dat Esther de exacte positie van de kist niet kon bepalen. Als de kist zich onder de grond bevond was haar lot bezegeld. Dan was er pas echt een goede reden voor paniek. Haastig gleed haar hand opnieuw langs de kieren, en naar beneden over de bodemplanken. Met haar duim streek ze over haar vingertoppen. Er was geen zand dat tussen de spleten doorsijpelde. Dat betekende dat ze niet onder de grond lag en niet levend was begraven. Wat was er aan de hand? Was ze gek geworden en lag ze aan de medicijnen? Of was ze al lang geleden gek geworden en bevond ze zich in deel twee van een angstaanjagende nachtmerrie? Haar hoofd gloeide door de aanvaring met het houten plafond. Het bonzen verhinderde haar om helder te denken. Ze wreef nogmaals over de pijnlijke plek en probeerde haar hoofd leeg te schudden van het ongemak. Het hielp niet. Ondertussen diende ze zichzelf met haar andere arm een pijnprikkel toe door hard in haar huid te knijpen en te draaien. Een venijnige steek trok door haar onderarm, en ze voelde de pijn langzaam maar zeker uit haar onderarm wegtrekken. Het was een pijnlijke conclusie, maar wel een die ze nodig had. Ze droomde niet.

Het besef dat ze volledig afhankelijk was van iemand anders’ genade, deed haar naar de verste hoek kruipen. Jammerend trok Esther haar knieën naar zich toe. Ze was bang en wilde haar longen uit haar lijf schreeuwen. Met moeite kon ze zich nog beheersen. Wat als ze zou gaan schreeuwen en commotie zou veroorzaken? In het donker kon ze onmogelijk door de kieren naar buiten kijken om een juiste inschatting te maken. Zou degene die haar in de kist had gestopt haar horen? Ze beet op de zijkant van haar hand. Beheers je! De mogelijkheid om te schreeuwen had ze altijd nog, ze moest nadenken over het juiste moment. Tenminste, als dat juiste moment nog zou komen en ze niet achtergelaten was om in de kist weg te rotten. Ze zag zichzelf, opgevreten worden door maden en ander ongedierte.

‘Positieve dingen. Denk aan positieve dingen,’ lispelde Esther sussend tegen zichzelf terwijl ze de onderkant van haar duim nog in haar mond had. Ze probeerde zich het grapje over Thailand te herinneren dat ze tijdens haar laatste paniekaanval had gelezen. Het korte versje was echter te kort en hielp niet. Ze zou een hele cabaretshow met schunnige grappen nodig hebben om rustig te worden en te voorkomen dat ze flauw zou vallen. Ze moest uit de benauwende kist.

Prangende vragen prikten Esthers brein, als stroomschokjes. Welke zieke mafkees had haar in deze kist gestopt?! Was het een verdachte van een oude zaak? Iemand die ze had overgedragen aan de psychiatrie en die nu ontsnapt was tijdens een prachtige wandeling door de gekkentuin? Wat was diegene met haar van plan? Wilden ze haar nu ook gek maken? Waar waren Merel en Gwen? Esther had hun vriendelijke stem en geruststelling nodig. Nu was ze helemaal alleen. Alleen in de duisternis. Net zoals vroeger, toen ze als kind niet kon slapen vanwege nachtmerries over kleine ruimtes waaruit ze niet kon ontsnappen.

Esthers hartslag versnelde en haar vingers, die in elkaar verstrengeld lagen, klemden zich stevig om haar knieën. Haar lijf weigerde dienst, gespannen als een veer. Had ze niet genoeg meegemaakt? Bevend van inspanning perste ze haar ogen dicht, in een wanhopige poging om zichzelf telepathisch naar een andere plek te verplaatsen. In de verte hoorde ze een deur met een harde klap dichtslaan.

Als reactie sperde Esther haar ogen wijd open, luidruchtig en schokkerig ademde ze in. De persoon was duidelijk vlakbij. Gedempte voetstappen en bonkende geluiden drongen tot haar trommelvlies door. Er liep iemand in haar nabije omgeving rond. Het was goed dat ze geluiden hoorde en kon herkennen. Het gaf haar een sprankje hoop. Haar zintuigen waren nog niet volledig uitgeschakeld en lamgelegd. Het gebonk en de voetstappen leken nog dichterbij te komen. Was het een man of een vrouw? Het gebonk klonk zwaar, alsof iemand zijn hakken extra hard op de vloer zette, voordat de rest van de voet volgde.

Het geluid van schuivend metaal vulde de stilte. Was dat het geluid van een slot dat open werd gemaakt? Moeizaam krakend ging er een deur open.

Esther kneep haar ogen bij het aanhoudende donker weer dicht. Haar ogen openen had geen zin. Ze moest haar gehoor alle aandacht geven om te functioneren. Haar ademhaling stokte, om haperend met korte en lange halen verder te gaan. Als ze op deze manier doorging, zou ze gaan hyperventileren. Haar verwarde verstand en de onwerkelijke situatie speelden spelletjes met haar. In een flits zag ze zichzelf voor zich terwijl ze een hartaanval kreeg en in deze smoezelige kist stierf. Een onbedoelde hap lucht glipte bij haar slokdarm naar binnen toen ze haar adem in probeerde te houden. Ze liet een harde boer en proestte het uit. Ze was misselijk en moest er bijna van overgeven.

Verdorie Esther, visualiseer! dacht ze, terwijl ze opnieuw inademde en dacht aan de tijd dat ze in zee snorkelde, en gebruikmaakte van een smalle plastic pijp om al die onderwaterpracht te aanschouwen. Ze moest haar lichaam en geest onder controle krijgen, anders zou deze beproeving op voorhand een zelfmoordmissie zijn. Was ze het type dat zelfmoord pleegde? Bijna onmerkbaar schudde ze haar hoofd. Nee! Ze moest zich richten op de geluiden om haar heen. Ze kon het zich niet permitteren om te gaan janken. Ze was alleen en ze moest het zelf oplossen. Merel en Gwen konden haar nu niet helpen. Ze had de kracht om zichzelf te helpen!

‘Je moet overleven!’ klonk het fluisterend. Esther wist niet waar ze die woorden vandaan haalde.

Bonk. Een voorwerp viel met een doffe dreun op de grond. Iemand deed het licht aan.

Het zwarte vlak achter Esthers ogen werd iets lichter, maar nog steeds weigerde ze om haar ogen open te doen.

‘Wat was dat?’ klonk een ontspannen mannenstem.

‘Een man,’ zei Esther geluidloos tegen zichzelf. De koppeling met de zwaar bonkende hakken op de vloer werd gemaakt. Dit was niet het moment om te gaan gillen, dan kwam hij direct naar haar toe. Nu dacht hij waarschijnlijk dat ze nog buiten bewustzijn was. Het was tijd voor observatie en concentratie. Allereerst: was de mannenstem nieuw of herkende ze de stem? Langzaam spreidde ze haar neusvleugels en telde in gedachten mee, terwijl ze een ademteug nam. 1, 2, 3, 4. Ze hield haar adem vier seconden vast en blies op hetzelfde tempo uit. De volgende ronde moest ze een tel extra tellen. Esther was naast een goede hardloper een goede zwemmer en kon een lange tijd onder water blijven. Meer dan tien seconden haar adem inhouden moest haalbaar zijn. Het ging schokkerig, maar na tien keer herhalen ging het beter. Ze knikte tevreden.

 De voetstappen kwamen dichterbij. Esther hoorde iets wat op een krakende houten drempel leek. En ook iets van beton? Esther hield haar adem vast. Er werd iets van de grond gepakt. Een schrapend geluid van metaal op beton. Een korte associatie met het geluid van metaal over een schoolbord. Ze kreeg er de kriebels van. Haar gehoor functioneerde steeds beter en probeerde het schrapende geluid te identificeren. Het kon gereedschap zijn. Een schep of een hark die overeind werd gezet. Misschien lag ze in een schuur of een kelder.

Plotseling werd er een klap op de deksel gegeven.

Van schrik sperde Esther haar ogen wijd open. Haar ogen richtten zich op het bewegende silhouet dat ze door de lichtinval door de kieren kon zien bewegen. Een moment van besef en euforie. De stroken licht gaven een zicht op een persoon. Het gevaar was een mens van vlees en bloed en ze lag niet begraven. Tot nu toe leefde ze!

‘Jij bent de eerste die niet is gaan schreeuwen,’ zei de man met oprechte bewondering in zijn stem.

Was dat een goed teken? Esther was geen schreeuwer. Ze was een mentaal wrak dat vooral hijgde, huilde en de neiging had om zich op de sluiten in ruimtes waar ze zich veilig voelde. Zolang de deksel op de kist dicht bleef, was ze gek genoeg veilig. Als de deksel openging daarentegen, wist ze niet welke kant het op ging. Het postuur en de lengte van de man waren moeilijk te bepalen vanuit de kist waar ze in zat; de flauwe verlichting gaf niet veel prijs.

‘Ik snap dat het vervelend is dat je in die koude doodskist ligt. Het is een tijdelijke oplossing, een stevig tussenstation. Ik zou het ook niet fijn vinden,’ vervolgde de stem vriendelijk. ‘Wacht. Ik wil je niet in de war maken. Het is natuurlijk geen doodskist. Mijn woorden zijn niet lief. Je bent natuurlijk niet dood, maar een levende dame.’

De man praatte tegen Esther alsof ze een kind was. Hij sprak de woorden zangerig uit, alsof hij op een psychologisch verantwoorde manier wilde zeggen dat ze iets verkeerd had gedaan. Yvon, Esthers moeder, sprak ook met een zangerige toon als ze haar dochter uitlegde wat ze verkeerd had gedaan. De kunst was dat ze dat deed zonder stemverheffing, ze bleef vriendelijk. Ineens besefte Esther dat ze vaker stout was geweest dan ze had gedacht.

De aantrekkingskracht om dingen uit te proberen was altijd groot, terwijl ze dondersgoed wist dat het niet mocht. Ze haalde kwajongensstreken uit en wilde alles zelf ondervinden. Hompen klei in de wasmachine gooien en deze laten centrifugeren was een van die handige dingen. Ook had ze een keer een zak aardappelschillen door het toilet gespoeld en ze had stiekem vier muizen aangeschaft die ze in een kartonnen doos had willen houden en suikerzakjes voerde. De wc was overstroomd en de witte suikermuizen hadden zich dwars door het karton naar hun vrijheid gevreten.

Al die keren bleef Yvon geduldig en legde haar uit dat sommige ideeën niet verstandig waren, dat ze na moest denken over de gevolgen van haar acties en gedrag. Vervolgens had ze zonder mokken alle natte troep opgeruimd, de bolle muizen weten te vangen en buiten in de tuin losgelaten. En heel belangrijk, ze had tegen haar echtgenoot Frank gezwegen. Ondanks alle streken werd Yvon nooit boos.

De herinnering aan en liefde voor haar moeder maakten Esther rustig. Prompt lieten haar vingers, die nog stevig verstrengeld lagen in elkaar, een beetje los. Ongemakkelijk wiebelde ze met haar tintelende duimen zodat het bloed weer zou gaan stromen.

De stem van de man bleef ondertussen rustig. Hij leek te wachten op een reactie vanachter de houten deksel die hen van elkaar gescheiden hield. Een reactie die hij niet van Esther zou krijgen. ‘Ik kon niet anders. Ik wilde je zo graag hebben. Ik moest je hebben, ook al is er op dit moment weinig ruimte hier. Ik zit vol,’ klonk het bijna vrolijk. ‘Je moet alleen geduld hebben, lieve meid. Ik werk niet zo snel. Ik probeer echt secuur te werken. Het is ambachtelijk werk dat ik verricht.’

Hoofdstuk 39



‘Alcohol is uit den boze. Alcohol is vergif. Alcohol zorgt voor problemen. Je kan zonder. Je bent sterker dan je verslaving en je kan zonder! Drinken is een keuze. Kies dan maar water.’ Frank hoopte dat het herhalen van deze zinnen hem zou helpen om ver van de fles te blijven. Voor altijd en eeuwig.

Na het gesprek met Merel had hij geen druppel meer gedronken. Tot het moment dat de vroege dienst zou beginnen had hij voor zich uitgestaard en gewacht totdat het laatste beetje alcohol uit zijn bloed was verdwenen. Het duurde een eeuwigheid tot de uren voorbij waren. Hij maakte zich zorgen om Esther, zoveel zorgen dat hij niet kon slapen. De uren maakten hem gek toen hij steeds meer overeenkomsten vond tussen de gevonden lichamen en zijn dochter.

Rond vier uur in de ochtend was Frank zijn bed uitgegaan om met Max te gaan wandelen en de frisse, gezonde ochtendlucht te inhaleren. Om zes uur was hij weer thuis. Hij dwong zichzelf wat te eten, een glas water leeg te drinken en te douchen. Het werd tijd om naar het bureau te gaan. Een plek waar hij al lange tijd niet was geweest. Nadat hij zijn auto achteruit had ingeparkeerd, liep hij vastberaden naar binnen. In gesprek gaan met oud-collega's deed hij niet. Alles moest wijken voor dit moment. Een aantal agenten keek hem stomverbaasd na, toen hij met een verwilderde blik de servicebalie en de werkplekken passeerde. Zonder aankondiging toonde hij zijn toegangspas en liep door naar boven. Niemand hield hem tegen. Hij kon het zich niet permitteren. Daarbij had hij nog steeds het recht om op het bureau aanwezig te zijn.

Frank zag de laatste deur naar de rechercheafdeling. Hard duwde hij met de palm van zijn hand tegen de schakelaar. Twee deuren sloegen zoemend open en gaven hem toegang tot de afgesloten verdieping. Zijn blik ging over de afdeling op zoek naar bekende gezichten. Het was nog vroeg, er was nog niemand. Marty moest er zijn, ze had verteld dat ze altijd vroeg begon. Waar was ze dan? Aanrijdend naar het politiebureau had hij haar een keer of tien proberen te bellen, maar ze had niet opgenomen. Hij stapte verder de afdeling op en liep langs de eerste werkstations. Hoe vaak en waar hij ook keek, hij vond Marty niet.

Frank vloekte binnensmonds toen hij Leiko wel in een aparte ruimte zag zitten, met naast zich een koptelefoon en een stapel papieren.

Geïrriteerd haalde Leiko zijn neus op toen hij Frank zag. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij fronsend.

‘Waar is Marty?’ blafte hij.

‘Die is hier niet.’

‘Waar is ze verdomme dan?’

‘Ze is al onderweg voor een zaak.’

‘Dan kan ze haar telefoon toch opnemen?’

‘Nou, kennelijk niet hè? Heb je gezien hoe laat het is? Het is net zeven uur... en twee minuten.’ Leiko’s stem was vlijmscherp. Frank zag zijn lichaam aanspannen.

‘Is er hier een ruimte ingericht voor die zaak rondom de gevonden vrouwen? Of is dat op een andere locatie gedaan?’

‘Wat gaat jou dat aan? Met deze zaken heb jij niks te maken, Frank.’ Leiko’s lichaamshouding, maar ook zijn ogen verborgen niks. Terwijl zijn spieren zich aanspanden, dwaalden zijn ogen af naar de ruimte achter in de afdeling.

Frank herkende de afgesloten ruimte. De ruimte werd vaker ingericht voor tijdelijke onderzoeken of om te briefen bij grotere onderzoeken. De ramen waren geblindeerd tegen pottenkijkers en de deur was gesloten. Precies zoals het hoorde bij nieuwsgierige aagjes, hijzelf incluis. ‘Mooi,’ was het laatste wat hij uitsprak toen hij naar de archiefkast liep. Het blik met daarin wat pennen stond ook nog op dezelfde plek. In een beweging gooide hij hem leeg en vond de sleutel om de deur te openen.

Geschrokken stond Leiko op van zijn bureau. ‘Frank, dit kan je niet maken!’

‘Dan moet je mij maar aanhouden, of zorgen dat Marty hier komt.’ Frank draaide het slot open en stak de sleutel in zijn broekzak. Leiko was het type dat hem achter zijn rug op zou sluiten en daar had hij geen zin in. Dan zou hij behoorlijk voor schut staan. Kordaat liep hij naar binnen. Vrijwel meteen werd hij bij zijn arm gepakt.

‘Je moet hier weg. Dit mag en kan niet.’

Frank rukte zich los. ‘Ik ga hier pas weg als ik Marty heb gesproken. Tot die tijd blijf ik hier.’

Boos verliet Leiko de kamer.

Met een beetje pech zou Frank binnen vijf minuten naar buiten geëscorteerd worden en werd hem de toegang tot het bureau volledig ontzegd. Als het geluk aan zijn zijde was, belde Leiko Marty en had hij de mogelijkheid om informatie te verzamelen. Hij luisterde geconcentreerd naar wat er buiten de ruimte gebeurde en tegelijkertijd zocht hij naar informatie die zijn theorie zou kunnen staven. Hij hoorde Leiko’s stem op de achtergrond. Hij was duidelijk met iemand aan het bellen. Frank had dus maar even de tijd.

Op het whiteboard aan de muur waren foto’s van de gevonden vrouwen naast elkaar opgehangen. Er hing een kaart van het bos bij, waarop met punaises hun vindplaats was aangegeven. Bij Sophie, slachtoffer één, hing een foto waar ze lachend op stond toen ze nog leefde en een foto van haar rijbewijs. Van de overige twee slachtoffers alleen een foto van het eerste moment van aantreffen. De blauwe plekken in de nek waren duidelijk zichtbaar. Net als de sieraden die ze hadden gedragen.

Gefrustreerd verhief Leiko zijn stem tegen een persoon aan de andere kant van de lijn.

‘Dan haal je haar maar. Het is urgent.’ Leiko had niet naar beneden gebeld. Dat was gunstig.

Frank nam ook de gruwelijke details van de foto’s in zich op. Er waren drie vrouwen aangetroffen. De vrouwen waren vermoord door wurging. De leeftijden van de vrouwen kwamen niet overeen. Sophie, de vrouw die hij als eerste had aangetroffen, was beduidend jonger dan de andere twee. Frank keek naar slachtoffer twee en drie, die waren nog niet geïdentificeerd. Marty zou waarschijnlijk onderweg naar de sectie zijn en wilde daar nog voorbereidend werk doen. ‘Slachtoffer twee,’ mompelde Frank tegen zichzelf, ‘een vrouw van rond de vijfenzestig en slachtoffer drie rond de veertig? Dat scheelt verdorie minimaal veertig jaar tussen de jongste en de oudste. En allemaal gevonden op hetzelfde terrein. Wat hebben deze vrouwen gemeen?’

Buiten de ruimte klonk het constante gemopper van Leiko. ‘Hoe bedoel je, ze is niet bereikbaar? Zeg maar dat Frank er is,’ zei hij. ‘Ja, dé Frank en dat het spoed heeft. Haal haar maar, want haar telefoon heeft ze al op stil gezet.’

Frank deed een stap dichter bij de foto’s en bekeek de locaties waar de slachtoffers waren aangetroffen opnieuw. Groen voor Sophie, die binnen twee kilometer lag van de andere vrouwen. Blauw en rood voor de anderen. De vrouwen hadden alle drie donker haar. Bij alle drie waren de haren afgeknipt. Wel leek de haarstructuur anders. De eerste twee hadden sluik haar en de ander golvend, bijna krullend haar. Waarom waren juist deze vrouwen het slachtoffer geworden van een moordenaar? Of moest hij zeggen seriemoordenaar?

Frank liet de kaart voor wat het was en tikte met zijn vinger op een foto van een verkleurde hand, met aan de ringvinger een ring met daarin een bruine steen. De bruin gestreepte steen was duidelijk een tijgeroog. Dat was de ring waar Marty naar op zoek was. Het sieraad was eigendom van het tweede slachtoffer.

Esther droeg dezelfde steen. Het was een geschenk van Yvon dat Esther voor haar achttiende verjaardag had gekregen. Ze droeg hem sindsdien aan een lang lederen koord om haar nek. Op dezelfde verjaardag had ze ook geld voor haar rijbewijs gekregen. De blik in haar ogen verried dat ze dat beduidend minder belangrijk vond dan die gestreepte steen van maximaal twee tientjes. Frank had een knuffel gekregen, maar Yvon had ze overstelpt met kussen en knuffels. Zo dankbaar was ze voor het sieraad. Yvon had de rest van de dag gestraald als de zon.

 In opperste concentratie ging Frank hardop verder in het registreren van de feiten die hij tot zijn beschikking had. ‘De anderen hadden geen steen. Sophie had parels in haar oren. Zowel parels als stenen zijn natuurproducten. Zou het daar iets mee te maken hebben? De derde vrouw had een gouden, geschakelde ketting om haar hals gehad. Goud is natuurlijk ook een natuurproduct. Heeft het te maken met de sieraden?’ Frank spitste zijn oren bij het horen van Leiko’s stem, die zich naar de deuropening verplaatste.

Leiko had Marty aan de lijn gekregen. ‘Ja, hij is nu in de onderzoeksruimte. Bel hem alsjeblieft op. Ik krijg hem niet weg.’ Hij zweeg en luisterde naar wat Marty aan de andere kant tegen hem zei. ‘Nee. Dat wil hij niet zeggen. Nee ook niet. Oké. Ik zal het zeggen. Tot straks.’

De verbinding werd verbroken. Leiko verscheen in de deuropening. ‘Ze gaat je bellen. Waarom ben je hier, Frank?’

Frank slikte. Hij wilde de reden van zijn aanwezigheid niet uitspreken, dat maakte de angst tastbaar en echt. Hij kon er niet meer omheen. Dit was de werkelijkheid waar hij zich in bevond. ‘Mijn dochter is vermist en ik denk dat ze in handen is van deze klootzak.’

Hoofdstuk 40



 

De man zuchtte diep en ging door zijn knieën, die kort knakten. Voorzichtig legde hij iets naast de kist neer. Toen verwijderden zijn zware voetstappen zich van haar. Het licht ging uit en de deur werd afgesloten met een schuifslot. Er was geen twijfel mogelijk, Esther was weer achtergelaten, in deze beklemmende ruimte.

Kreunend ging Esther op haar buik liggen en strekte haar benen en haar armen uit over de lengte van de krappe ruimte. De kist was zodanig groot dat ze geen kracht kon zetten tegen de voor- en achterkant. Ze moest wat anders proberen om zichzelf te bevrijden. Vlug ging ze op handen en voeten zitten. Ze nam een diepe ademteug en concentreerde zich op haar volgende actie. Met al haar kracht drukte ze met de bolling van haar schouders tegen de bovenste planken van haar tombe. Een, twee, drie! Nu moest het gebeuren! Haar hart bonsde in haar keel van inspanning, terwijl ze tegen de deksel drukte.

Kling, kling. Het geluid van metaal tegen metaal was duidelijk hoorbaar. Aandachtig luisterde Esther naar het geluid dat door het hout naar binnen kwam. Het geluid kwam van links, van de kant waar de man had gestaan. Ze schoof naar het midden van de kist en drukte nogmaals met al haar kracht tegen de deksel. Ondertussen probeerde ze haar linkerhand door de ontstane kier te wurmen. Ze wist zeker dat er een slot aan de buitenkant tegen een slotplaat klepperde.

‘Hou daar eens mee op! Als hij je hoort, dan ben je nog niet jarig,’ fluisterde een waarschuwende stem.

‘Au! Wat?!’ Een onverwachte stem van een vrouw klonk zo dichtbij dat Esther instinctief in elkaar dook, waardoor ze haar vingers, die nog tussen de houten planken gedrukt zaten, vergat. Een pijnscheut schoot door haar hand, toen ze de bovenste huid van haar wijsvinger en knokkel schaafde. Ze stopte de beschadigde wijsvinger in haar mond. Ze proefde de smaak van rubber, nog van de autoband. Ondanks dat haar smaakpapillen het niet eens waren met de smaaksensatie van snelweg, bleef ze de brandende vinger in haar mond houden. Al was het maar om te zorgen dat ze niet meteen haar mond opentrok tegen de vrouwenstem die haar kennelijk al even in de gaten hield.

De waarschuwende stem was vlakbij. Esther wist dat het beter was om voorzichtig te zijn. Moest ze reageren? Het was een geruststellende gedachte dat ze niet alleen was, maar wie was de vrouw? Was er nog iemand anders ontvoerd? Of hoorde die persoon bij deze ellende? Nieuwsgierigheid won het van haar angst. De vraag flapte eruit. ‘Hoe heet je?’ fluisterde Esther.

‘Hoe heet jij?’ klonk het terug. De stem was zacht.

‘Jij eerst.’

‘Mooi niet.’ De stem grinnikte als antwoord.

‘Dan zijn we uitgesproken.’

‘Geef je nu al op? Ik had je sterker verwacht. Jammer, ik vond het net gezellig worden,’ merkte de andere vrouw teleurgesteld op en giechelde wederom.

   Stomverbaasd keek Esther naar de houten planken waarachter de stem vandaan kwam. De situatie was te vreemd om in lachen uit te barsten. De vrouw leek een spel te spelen. Maar welke keuze had ze nog? Ze moest meer informatie zien te krijgen over haar nieuwe omgeving. ‘Waar ben ik?’

‘In een kelder, ergens,’ antwoordde de stem droog.

‘Kun je wat zien?’ vervolgde Esther, terwijl ze haar blik rond liet gaan in haar eigen donkere ruimte.

‘Niet meer dan dat jij op dit moment ziet. Die flauwe lichtpeer is het hoogtepunt van mijn dag.’

‘Ik ben Esther. En hoe heet jij?’

‘Corrie,’ antwoorde de stem kortaf.

‘Hoe lang zit je hier al?’

Corrie zuchtte. Het duurde tergend lang voordat ze antwoord gaf.

Esther hield haar adem in en wachtte geduldig af. Ze kon geen kant op en ze had geen zin om de stilte te doorbreken met haar eigen stemgeluid.

Op de achtergrond klonk zacht gemompel van Corrie die in zichzelf optelde. ‘Een paar maanden. Denk ik.’

‘Wil je hier zijn?’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Corrie schaterde het dit keer uit.

Opgelucht grijnsde Esther over dit goede nieuws. Als Corrie al een paar maanden opgesloten zat, betekende dat dat zijzelf ook over een aantal maanden nog in leven kon zijn. Een paar maanden extra betekende meer tijd en kansen om uit deze vreselijke situatie te komen.

Het lachen stierf direct weg. ‘Esther, luister goed voordat je jezelf rijk gaat rekenen,’ waarschuwde Corrie plotseling. ‘Ik ben hier al maanden, maar jij... Jij bent er snel niet meer.’


Hoofdstuk 41



Leiko staarde Frank onderzoekend aan. Aan zijn blik was duidelijk te zien dat hij zich afvroeg of dit echt de reden was van Franks komst, waarmee hij een ontzegging op het bureau riskeerde en afgevoerd zou kunnen worden als een verdachte?

Het kostte Frank zijn volledige zelfbeheersing om niet ter aarde te storten. Hij keek nogmaals naar de dode vrouwen op het bord en sprak de woorden nogmaals uit, om het besef dat zijn dochter vermist was tot zich door te laten dringen. In gedachten zag hij een foto van Esther naast de dode vrouwen hangen. En dan niet de lachende pasfoto, die hij altijd in zijn portefeuille meedroeg, maar een Esther met donkere striemen in de hals en gesloten ogen. Met om haar hals nog steeds de dierbare steen van haar overleden moeder. Alsof hijzelf bij haar sectie aanwezig was, proefde Frank de geur en de smaak van de dood op zijn tong. Net voordat hij het uit wilde schreeuwen, brak het geluid van zijn ringtone door zijn gedachten. ‘Godzijdank, Marty.’

‘Waar ben je in hemelsnaam mee bezig, Frank?’

‘Mijn dochter is vermist.’

‘Esther?’

‘Ja. Ken je haar?’

‘In het passeren heb ik haar wel eens gezien. Ik weet wie het is. Maar waarom ben je op het bureau? Je hoort daar niet te zijn,’ zei ze zakelijk. Ze zweeg, bedacht zich en vroeg toen verder. ‘Waarom denk je dat ze vermist is? Is ze niet gewoon op vakantie?’

Frank hoopte dat Marty deze vraag niet serieus meende. Dit was de eerste domme opmerking die ze in zijn richting had gemaakt. Of hijzelf was dom. Als Esther op vakantie was geweest, dan had hij het niet eens geweten. ‘Nee, ze is niet op vakantie,' zei hij twijfelend. ‘Ze is vermist.’

‘En waarom ben je nu dan op het bureau?’

‘Omdat ik denk dat ze is meegenomen door degene die verantwoordelijk is voor de moord op de drie vrouwen.’

Stilte aan de andere krant. ‘Oké? Waar is dat dan op gebaseerd?’

Frank wreef over zijn gezicht. Hij wist hoe verward en onnozel hij overkwam. ‘Op niks… Ik voel dat het zo is. Ik bedacht het mij vannacht. De vrouwen hebben allemaal donker haar en het is allemaal afgeknipt. Esther heeft ook lang, donker haar. Het komt tot aan haar onderrug. Als kind leek ze wel een indiaantje. Slachtoffer één draagt een ring met een tijgeroog, de tweede parels en de derde een ketting van goud. Dat zijn allemaal natuurproducten toch? Esther draagt ook een tijgeroog om haar nek. Dat is een cadeau van haar moeder geweest.’ Hij zocht naar manieren om Marty te laten luisteren. ‘Het is mager, maar ik weet dat ik gelijk heb. Ik voel het in elke porie van mijn lijf en het bloed dat door mijn aderen stroomt.’

‘Frank…’ Marty liet de woorden door haar gedachten gaan. ‘Mager? Het is helemaal niets.'

Een steek ging door Franks hart. Marty haalde dezelfde aderen open met haar scherpe tong, maar ze had gelijk. Het was niets. Niet eens een aanknopingspunt naar meer informatie.

‘Wat heb je nog meer? Heb je al aangifte van vermissing gedaan? Heb je haar geprobeerd te bellen? Is er geld van haar rekening?’

‘Nee, nog niet. Haar telefoon staat uit en ik heb geen idee of er geld van haar rekening is opgenomen. Ik weet wel dat ze weg is en dat ze misschien wel in handen is van een of andere gek!’ ging Frank boos verder.

‘Probeer kalm te blijven, anders neemt je geest een loopje met je. Blijf helder en zakelijk. Wat is de realiteit? De kans is klein en het gevoel is anders voor jou, omdat het om je eigen dochter gaat. Besef je wat je de afgelopen dagen hebt meegemaakt?’ Marty zweeg en dacht na. ‘Klopt het dat Esther al een aantal weken thuiszit?’

Vertwijfeld dacht Frank na over Marty’s woorden. Hij had afgelopen week genoeg meegemaakt. Dat klopte. Het nieuws over Esther was nog nieuw voor hem. ‘Ik hoorde het van Merel inderdaad.’

‘Ik hoorde het laatst. Burn-outverschijnselen. Er werd gedacht aan PTSS.’

‘Net als ik.’

‘Ja. Net als jij. Waarom wist je dat niet?’

‘Omdat ik gefaald heb als vader, daarom wist ik dat niet.’

‘Niet zo dom praten. Sluit die kamer af, loop naar beneden en ga in een van de aangiftekamers zitten. Ik ga voor je bellen. Net als ieder ander zul je aangifte van vermissing moeten doen. Daarna kunnen we pas verder. Dat weet jij net zo goed als ik.’

‘Aangifte. Ja, oké.’

‘Ik ben voorlopig nog buiten de deur. Ik kom daarna naar jou toe. We pakken dit hoog op. Het gaat om jouw dochter en ook om een collega. Leiko zal de eerste opstart doen. Praat met hem. Leg hem uit waarom je er was. Hij is niet zo’n kwade peer als dat je denkt.’

Frank verbrak de verbinding. Hij wilde niet afwachtend in een aangiftehokje zitten en praten met Leiko. Er waren belangrijkere dingen te doen. Hij sloot de deur van de ruimte, nadat hij een laatste blik op het bord wierp. Er was zoveel meer bekend, maar hij kon niet bij de informatie. Mopperend gooide hij de sleutel weer in het blik, deed de pennen erin en zette het terug op zijn plek. Die sleutel zou wel een andere plek gaan krijgen, vermoedde hij. Met hangende schouders liep hij naar Leiko, die weer achter de computer was gaan zitten. ‘Leiko?’

‘Ja.’

‘Bedankt voor het bellen.’

‘Je gaf me niet echt een keuze.’

‘Niet echt.’ Frank kampte niet met schuldgevoel over hoe hij had gehandeld en het bedankje was niet gemeend. Maar hij moest gaan verklaren waarom hij het had gedaan, anders was de werkrelatie, die ze toch al niet hadden, nog meer verstoord.

 Leiko keek op van zijn toetsenbord en keek Frank stuurs aan.

‘Ik zal je vertellen waarom.’ Frank pakte een stoel en ging naast hem zitten. Hij vertelde in grote lijnen wat er was gebeurd. Hij waardeerde het dat Leiko hem niet onderbrak. Leiko leek zich niet voor de details te interesseren. Hij wilde maar één ding weten. ‘De reden dat je dit doet is voor je dochter? Denk je echt dat Esther vermist is?’

Iedereen leek zijn dochter te kennen. Frank had haar naam tot dusver niet genoemd. ‘Ja. Ik heb er maar één. Esther inderdaad.’ Het was confronterend om haar naam uit te spreken. De gedachte dat er iets met haar gebeurd kon zijn deed hem kokhalzen. Hij moest er niet aan denken en keek naar zijn schoot. Als het echt zo was, was er geen enkele reden meer voor hem om te blijven leven.

‘Wat erg. Heb je al aangifte gedaan?’

‘Nee. Dat moet ik zo doen’

‘Bij wie?’

‘Dat weet ik nog niet.’

‘Ga zitten. Ik neem hem nu op.’

Verrast keek Frank op. Hoorde hij dit goed? Wilde Leiko nu de aangifte van vermissing opnemen?

Leiko schoof zijn papieren aan de kant en zette het programma met daarop een aantal taplijnen, uit. ‘Als we een registratie hebben opgestart en de vermissing op papier hebben, leggen we meteen contact met de hulpofficier en laten we haar signaleren. Het is niets voor Esther om zomaar weg te blijven.’

Dit is niet het moment om vragen te stellen, besloot Frank. Leiko zou de eerste stappen zetten om hem te helpen zijn dochter terug te vinden. Voordat het te laat was.

Hoofdstuk 42



Woorden maakten alleen indruk als ze met de juiste intonatie werden uitgesproken, en Corrie had de juiste toon weten te vinden om Esther te waarschuwen. Liggend op haar rug staarde Esther naar het plafond: de vooruitzichten waren niet goed. De zes woorden spookten door haar hoofd: ‘Je bent er snel niet meer.’ Ze had dus nog maar een aantal dagen te leven. Maar wat was snel? Twee dagen? Drie? Misschien gewoon één? Of een kwartiertje? Het was heftig als ze erover nadacht. Toch raakte ze zowaar niet in paniek.

Voor het eerst sinds tijden raakte Esther niet in paniek. Het was een vreemde gewaarwording; haar lichaam en lijf waren in complete rust. De gedachte aan de dood was rustgevend en tijd was relatief. Over een nog onbekend aantal uren of dagen zou het klaar zijn. Geen stress, geen paniek en geen woede meer.

Esther maakte voor zichzelf een afweging. Wat zou ze liever hebben: de dood, leven met alle sores en uitspattingen van afgelopen weken en het gemis van haar moeder, of net als Corrie maanden opgesloten zitten in een donkere ruimte? Het was kiezen tussen deze drie kwaden, maar ze had geen vrije keuze. Omdat Corrie al maanden opgesloten was, moest ze meer weten en moest ze meerdere vrouwen hebben gezien of gehoord. In ieder geval één slachtoffer voordat Esther in het krat was gedumpt. Dat was duidelijk uit haar eerdere woorden. ‘Hoeveel zijn er geweest?’ vroeg Esther.

‘Zeven.’

‘Wat? Zeven vrouwen?’

‘Ja, zeven vrouwen.’

‘Waarom?’

‘Geen idee.’

‘En jij hebt ze allemaal gesproken?’

‘De meesten hebben alleen geschreeuwd en werden direct afgevoerd.’

‘Waarheen?’

‘Geen idee, maar ergens in het huis. Het klinkt vlakbij.’

‘Waar kom je zelf vandaan?’

‘Vlak bij de Duitse grens. Een plaatsje bij Enschede.’

Esther koos ervoor om niet door te vragen over Corries woonplaats. Ze kende helemaal niks in de buurt bij Enschede. ‘En je weet niet waar je bent.’

‘Nee.’

‘Hoe zagen de andere vrouwen eruit?’

‘Je vraagt wel veel,’ merkte Corrie op.

‘Wat moet ik anders? Ik kan moeilijk gaan Netflixen nu.’

‘Wat is Netflix?’

Esther schoot in de lach. ‘Meen je dat nou? Hoe oud ben je eigenlijk?’

‘Tweeënzestig.’

‘O? Zo klink je niet.’

‘Als je mij zou zien, klopt het hoor. Geloof me, ik ben gewoon een oud wijf.’ Corrie giechelde, maar begon vervolgens hard te hoesten. Het duurde even voordat ze de hoestbui, die samenging met het nodige gerochel, onder controle kreeg.

Het beeld dat Esther in haar hoofd van Corrie had gevormd, kwam niet overeen met een hoestende omafiguur. Ze klonk jong. Haar stem was zacht en ze klonk niet als iemand die er mentaal volledig doorheen zat. Ondanks de situatie was ze gevat en maakte ze grapjes. ‘Een optimist tot in de kist’, zou je kunnen zeggen.

Esther tuitte haar lippen. Ze moest zich geen illusies maken. Voor hetzelfde geld zat Corrie grijnzend een wollen trui te breien in afwachting van Esthers volgende vluchtpoging en zat ze daar alleen maar om te voorkomen dat ze ging schreeuwen. Dan was ze een snitch. Als ze niet mocht schreeuwen, waren ze vlak bij de bewoonde wereld en was de kans dat ze zou worden gered groter. ‘Zal ik schreeuwen?’

‘Je kan het proberen, maar het heeft geen enkele zin.’

‘Doe je mee?’

‘Als je denkt dat het gaat helpen, prima, maar je kunt beter je energie sparen. Je bent de eerste die niet volledig vastgebonden is.’

Esther sperde haar ogen wijd open. ‘Vastgebonden? Wat zeg je nou weer voor idioots?’

‘Ik hoor je bewegen door die kist. Van voren naar achteren, van links naar rechts. Het kruipen en dat gebonk. Ik hoorde de deksel omhooggaan en weer neerkomen. Aan mijn gehoor mankeert niks. Heb je een tie-wrap om je polsen of enkels?’

‘Nee.’

‘Dan heb je geluk. De anderen hadden dat wel.’

‘Ben jij vastgebonden?’

‘Soort van.’

Soort van. Een vagere uitspraak was er niet. Corrie zat in ieder geval niet vast aan een middeleeuwse ketting met een bal, want dan had Esther het lood over het beton horen rollen. ‘Zit je nou vast of niet?

‘Nee, ik zit niet vast, maar ik kan niet weg.’

Esther besloot om niet meer met Corrie te praten om haar energie te sparen. Ze werd vooral boos vanwege haar wazige gezwets. Als ze in een kooi zat, moest ze het maar uit zichzelf vertellen. Het was niet interessant om te weten, vooralsnog zat ze zelf opgesloten. Ze krabbelde met haar nagels over het onbehandelde ruwe hout en duwde met haar handpalmen. Het was sterk hout. Douglas of steigerhout. Ze voelde de structuur onder haar vingers. Ze draaide haar neus naar het hout en snoof de geur op. Het rook niet naar vers gezaagd hout.

Op de bodem lagen stukjes. Stukjes hout of bladeren die in haar benen prikten zodra ze verschoof. Esther trok haar conclusies. De kist was niet nieuw en waarschijnlijk ooit voor andere doeleinden gebruikt dan om er onschuldige vrouwen met een angststoornis in op te sluiten. Exact zoals die engerd had aangegeven. Het was een noodoplossing geweest. Was dat een goed teken?

Nadenkend sloot Esther haar ogen, zoals ze altijd deed voordat ze de eerste letter van een proces-verbaal op papier zou zetten. Bij het gebrek aan een laptop probeerde ze een scherm voor zich te zien met een leeg document. Goed, daar gaan we, dacht Esther, vul het scherm met alle feiten en omstandigheden.

Wat weet je concreet over je situatie?

Wie: Een man. Misschien twee. Je bent bij je auto bewusteloos geslagen en vanaf daar naar een kelder of schuur verplaatst.

Waar: Een kist in een kelder. Er is wat gevallen op een ondergrond. De vloer was hard en klonk als beton. Er is een flauw peertje en een schuifslot om de toko af te sluiten. De ruimte is droog, inmiddels relatief warm en voorzien van elektriciteit. Een schuur of kelder?

Waarom: Omdat hij een hekel heeft aan vrouwen? Hij eet graag vrouwendij of tienertiet?

Waarmee: Kappen, dat is absoluut geen goede vraag. Je hebt nog een aantal dagen, of uren, en deze zal je nooit kunnen beantwoorden. Sorry meid.

Wanneer 1: In de avond, nadat ik had gekookt voor Ron. Geen idee hoe laat het nu is.

Wie: Ron? Samen met een onbekende? Dan zijn het er inderdaad twee.

Wanneer 2 dood: Binnen twee dagen. Het is vandaag vrijdag?

Of is het al mijn vaders verjaardag?

Waar 2: Begin bij de kist. Tot die tijd, niet zo dom zwetsen.

Esther dacht aan het geluid van metaal op beton dat ze eerder hoorde. Het zou dus een tuinkist kunnen zijn. Dat verklaarde de bladeren en stukjes hout die op de bodem lagen. Maar als ze in een kelder lag, was een tuinkist niet voor de hand liggend. Een kist of kast om brandhout in op te brengen zou logischer zijn. In zo’n kist kon het hout goed drogen en was het onder handbereik. Je hoefde alleen naar de bijkeuken of aangebouwde schuur te lopen om hout te pakken en hoefde niet naar buiten als het koud of regenachtig was.

De kast die Frank in Esthers ouderlijk huis had gebouwd, had aan de voorkant geen deur of klep en was aan de onderkant kwetsbaar, omdat daar altijd een kuub hout met zijn volle gewicht op lag. Hij was daar een extra steunbalk vergeten. Die stond op de planning voor deze lente of zomer.

Er begon zich een plan af te tekenen. De dood was te makkelijk en een uitvlucht; Esther zou niet wachten als een kip die rijp was voor de slacht. Als ze zou moeten gaan, dan zou ze er alles aan hebben gedaan wat mogelijk was om te ontsnappen. Ze spande haar armen tegen de zijkant, en nadat ze op haar zij was gaan liggen trapte ze met kracht tegen de houten achterkant. Ondanks een pijnscheut die door haar verstijfde spieren schoot, trapte ze nog een keer. En nog een keer.

Hoofdstuk 43



Leiko kon typen als de brandweer. Met tien vingers vlogen de letters op het scherm; het opnemen van de aangifte verliep als een trein. Het was duidelijk dat hij ervaring had met aangiftes. Vingervlug denderde hij door zijn vragen heen en was in staat om al tikkend de antwoorden vast te leggen.

Het feit dat het om Esther ging motiveerde Leiko. Zonder twijfel of ze daadwerkelijk vermist was, zette hij de vermissing op papier. Tussendoor stuurde hij Marty een bericht dat hij vanaf het bureau verdere actie zou ondernemen. Hij belde de hulpofficier van justitie om Esthers vermissing te prioriteren en maakte een formulier op waarmee ze landelijk kon worden gesignaleerd. Het was snel duidelijk dat er sprake was van een hoge urgentie vermissing. Direct werd er contact gelegd met de officier van justitie om een spoedtap op Esther telefoon- en I-meinummer aan te sluiten. Toen dat was besproken, maakte Leiko foto’s van Franks notitieblok met daarop zijn aantekeningen en belde Esthers vriendinnen Merel, Gwen en Sara, die Leiko bij naam kende en waarvan hij kennelijk alle telefoonnummers bezat.

Gwen en Merel zouden direct komen om een verklaring af te leggen. Sara was in Australië, maar wist te vertellen dat Esther niet in de omliggende ziekenhuizen lag.

Hoe Sara aan die informatie kwam, wist Frank niet. Hij was vooral dankbaar dat ze de privacyregels had weten te omzeilen en dat ze op deze vraag al antwoord had weten te krijgen.

Via whatsapp stuurde Merel Leiko een recente foto waar Esther breed lachend op stond, gekleed in een spijkerbroek, haar zwarte leren jas en haar afgesleten zwarte All Stars. Exact de omschrijving die Merel had gegeven toen ze Frank alarmeerde. Op de achtergrond van de foto was een groot, kleurrijk podium te zien dat verried dat ze op een festivalterrein stond. In de ene hand had ze een aangestoken sigaret en in de andere een flesje Desperados met in de hals een partje citroen.

‘Kun je deze foto ook naar mij doorsturen?’ vroeg Frank aan Leiko.

‘Natuurlijk, ik doe het meteen.’

Gwen was zo brutaal geweest om contact te leggen met psycholoog dr. A.C.W.M. van Berkel-Hoff, waar Esther één keer per week kwam. Ze had de vrouw niet gevraagd naar de inhoud van de gesprekken, maar wel om het te melden als Esther bij haar op de lijn kwam. Nadat het woord ‘vermist’ was gevallen, vertelde de psychologe dat ze Esther op de dag van haar vermissing om 14.30 uur nog had gesproken en dat zij rond 15.30 uur weer was vertrokken.

De gegevens van haar bankrekening werden opgevraagd om de laatste transacties te achterhalen. Het kenteken van Esthers Volkswagen werd in de ANPR gezet. Het camerasysteem zou dan het kenteken scannen als het de lens passeerde en bij het passeren een ‘hit’ afgeven op Leiko’s telefoon, evenals op die van andere collega’s die meekeken en -luisterden.

 De laatste mastgegevens zouden worden opgevraagd om te achterhalen waar Esther het laatste gesprek met Merel had gevoerd. Het was niet genoeg, Frank voelde het aan zijn water, want uit deze gegevens kwam geen gerichte informatie. Dat laatste gesprek gaf slechts een locatie bij benadering aan. De telefoon stond immers uit, dus de vordering zou geen gegevens opleveren over waar ze nu zat.

Bezorgd wreef Frank over zijn slapen, waarachter een zeurend en bonzend gevoel opkwam, dat overeenkwam met zijn groeiende gevoel van wanhoop. Was Esther al iets overkomen? Een golf van misselijkheid kwam in hem op. Hij moest naar iets anders kijken. Hij koos voor de foto van zijn lachende dochter. Haar lange, bijna zwarte haar waaide ter hoogte van haar heupen achter haar jas langs. Zijn geliefde dochter die zo op haar moeder en op zijn vrouw leek. ‘Hoe ken je mijn dochter?’

Leiko keek op van zijn pc en dacht na over zijn antwoord. ‘Van de opleiding. We zaten in dezelfde lichting van school.’ Nadenkend liet hij het bij dit antwoord, waarbij duidelijk was dat hij niet meer informatie wilde prijsgeven.

‘En?’

‘Esther is een gewaardeerde collega.’

‘Waarom?’ vroeg Frank oprecht geïnteresseerd.

‘Ze heeft ooit mijn leven gered tijdens de dienst. Nu bijna een jaar of zes geleden.’

Frank bestudeerde dit keer Leiko’s gezicht. Terwijl hij probeerde te bedenken welke redding hij bedoelde, zag hij dat Leiko’s harde blik zachter werd als hij over Esther sprak.

Had Esther ooit iets gezegd over Leiko? Dan zou ze toch zeker hebben verteld over het voorval waar hij over sprak. Het besef dat Frank het niet wist, kwam hard binnen. In die tijd woonde Esther nog thuis en vertelde ze alles wat ze tijdens de dienst meemaakte. Frank stond er toen niet voor open. Door alle ellende die hijzelf op het werk meemaakte deed hij ook meteen een duit in het zakje als Esther wat vertelde.

Logischerwijs hield ze op met vertellen. Ook zij wilde gehoord en gezien worden. Ze maakte heftige zaken mee die niemand met een greintje gevoel in de koude kleren zouden gaan zitten. Waarom stond zijn complexe relatie met Esther nu ineens zo helder op zijn netvlies? Hij had het nog nooit zo duidelijk gezien als nu, bijna tastbaar. Was het feit dat ze thuiszat mede te danken aan zijn onvermogen een luisterend oor te bieden? ‘Wil je mij misschien vertellen wat het was?’

‘Ja natuurlijk,’ knikte Leiko glimlachend, ‘maar eerst ga ik naar Merel. Ze kan er elk moment zijn. Ze gaat alles wat ze heeft gedaan op papier zetten. Daarna kom ik terug. Gwen komt ook, als het goed is.’

‘Kan ik wat doen?’

‘Als vader niks. Alleen afwachten of er een bericht binnenkomt. Als rechercheur daarentegen moet je doen waar je altijd goed in bent geweest: bedenken waar ze is en wat iemand met onze Esther van plan is. En Frank, na alles wat Esther voor mij heeft gedaan, zal ik er alles aan doen om je daarbij te helpen.’

Hoofdstuk 44



De verwachte ontsnapping bleef uit. De planken kraakten stuk voor stuk, maar gaven geen centimeter mee. Aan Esthers inzet lag het niet, misschien wel aan haar schoenmaat 38,5, die onvoldoende was om de planken te breken of de schroeven los te schoppen. Gespannen luisterde ze naar een reactie van buiten de kist en de naastgelegen ruimte, toen ze haar gebeuk staakte. Er klonk geen gestommel in de verte. Met een beetje geluk had de ontvoerder haar niet gehoord en was hij uit het pand vertrokken.

Wat zou hij dan aan het doen zijn? Zou hij een ander willekeurig slachtoffer aan het volgen zijn? Esther zag een donker silhouet voor zich, dat op een gepaste afstand, voor een bepaalde tijd, onoplettende vrouwen volgde om hen op een onverwacht moment te grijpen. De laffe hond, dacht ze boos. Ze was niet moeilijk te bespieden. Ze was meer dan gemiddeld thuis te vinden. Had hij de hele tijd voor haar deur gelegen? Tijdens het hardlopen in de ochtend misschien?

‘Trappen heeft geen enkele zin. Dat hebben die anderen al lang geprobeerd.’

‘Heeft u dan een andere tip, mevrouw?

‘Ik geef alleen aan wat je veel energie kost.’

‘Zou je dat de volgende keer eerder aan willen geven? Voordat ik mijn enkels de vernieling in help?’

‘Allicht. Ik krijg niet alles mee. Soms val ik gewoon in slaap. Ik ben soms zo moe.’

Moe? Moe was Esther niet. Ze was energiek en had zich nog nooit zo fit gevoeld. Als ze de ruimte had, dan had ze zich verplaatst als Muhammad Ali door een boksring. Ze had geen tijd om op te geven. Ze rolde op haar buik en begon van voren af aan. Kruipend door de kist tastte ze de planken af. Toen ze niks vond, betastte ze de zijkanten nog secuurder. Al moest ze honderd keer de planken afwerken, ze zou het blijven doen. Het zou haar hersenen bezighouden en haar spieren zouden warm en actief blijven. En als ze dat bleef doen, zouden er hopelijk nieuwe ideeën en ontsnappingsmogelijkheden aan het licht komen.

De rechterkant van de kist leverde wederom niks op. Ook al had Esther de zijkanten al eerder bevoeld, ze voelde toch een kleine teleurstelling. Ze voelde langs de linkerkant en kwam weer uit bij de metalen plaat waar het hangslot aan zat. Vervolgens voelde ze aan de zware deksel, waarbij ze haar handen naast elkaar legde. Er mocht geen centimeter, herstel, geen millimeter worden overgeslagen. ‘Kassa!’ Grinnikend dacht ze aan haar vader. ‘Kassa’ stond stiekem voor een verbastering van de woorden die hij altijd uitsprak als hij ergens succes had: ‘Ik ben zo blij als een aap met zeven gigantische, gouden lullen.’

Vier kleine moeren zaten strak om de bouten van de deksel heen. Hoe had ze deze kunnen missen? De moeren verwijderen betekende een weg, de enige weg naar buiten.

Plotseling klonken er voetstappen bij de deur. Had die gluiperd al die tijd in de buurt gestaan? Had hij haar getrap gehoord? Dat moest haast wel. Esther trok haar armen naar zich toe en drukte twee gebalde vuisten in haar maag om de knoop van angst die meteen ontstond weg te drukken.

De deur ging open en de verlichting ging aan. Een flauw lampschijnsel, Corries hoogtepunt van de dag, kwam door de spleten van de kist. ‘Voedertijd voor mijn welkome gast,’ klonk het geamuseerd.

Voedertijd? Ik ben geen hond, dacht Esther boos. Ze hoopte dat er geen geopend blik met nat hondenvoer en een lepel naar binnen werd gesmeten. Al zou een lepel meer dan welkom zijn, grinnikte ze in zichzelf, terwijl ze aan de moeren dacht. Wacht eens even. Waarom werd er over één gast gesproken en niet over twee? De stem sprak niet tegen Corrie en maakte op geen enkele wijze contact met haar. Dat was toch vreemd. Negeerde hij haar? Hoorde Corrie er nou bij of niet? Of had ze de ruimte stilletjes kunnen verlaten op het moment dat de man binnenkwam? Of bestond Corrie niet en had ze een hersenschudding of hersenschade van de klap op haar hoofd en de aanvaring met de houten deksel?

De zware voetstappen galmden door de ruimte.

Boven Esthers hoofd klonk gemorrel aan het slot en een klikkend geluid van een sleutel die omgedraaid werd. Het werd niet gevolgd door geluid van het verwijderen van het hangslot uit het metalen oog.

‘Ik ben vriendelijk voor jou als je dat ook voor mij bent. Ik waarschuw niet graag, daarom zal ik dat één keer doen. Deze deksel krijg jij met je maatje achtendertig niet omhoog. Velen voor jou hebben het geprobeerd. Mensen gaan ervan zweten. Bah. Ik heb een hekel aan zweet. Ik doe de deksel omhoog, maar luister, ik ben gewapend, dus probeer niets. Het heeft geen enkele zin.’

De behoefte om in discussie te gaan had Esther niet. Als hij aangaf dat hij gewapend was, kon ze alleen reageren door in de verste hoek te kruipen en haar handen te heffen om haar gezicht en hoofd te beschermen.

‘Ik ga ervan uit dat je mij hebt gehoord en begrepen, stille schone dame,’ eindigde de man vriendelijk. Het schrapende geluid van het hangslot dat volledig werd verwijderd vulde de ruimte toen hij zweeg. Met twee handen tilde hij de deksel omhoog en zette zijn knie eronder.

Gespannen beschermde Esther haar ogen tegen het licht. Het wennen aan het licht ging niet snel genoeg, maar ze kon wel langs haar vingers kijken. Ze hield haar hand boven haar ogen en kneep ze samen. Als er een kans was zou ze die grijpen.

De man was niet gek. Hij had vaker met dit bijltje gehakt. Met een felle lamp scheen hij in Esthers gezicht, waardoor ze grotendeels verblind werd en vlekken zag.

Vloekend sloeg Esther beide handen voor haar ogen, hopend dat het aantal lumen meeviel en ze haar zicht snel terugkreeg. Met gesloten ogen vormde ze haar handen tot vuisten en hield ze voor haar gezicht. Als hij haar met een vinger aanraakte, zou ze hem een dajakker geven en doorstompen en schoppen totdat ze niet meer kon.

Een ploffend geluid klonk op nog geen dertig centimeter naast haar. Vervolgens klonk er een harde klap van de deksel die terug op de kist viel, gevolgd door het geluid van het hangslot dat op zijn vaste plek bevestigd werd.

Nog steeds zag Esther verschillende kleuren door de korte verblinding met het felle licht. Toen haar ogen weer aan het donker waren gewend, probeerde ze een inschatting te maken hoe hoog de verhoging was waar de man op stond. Hij had zijn knie nodig om de deksel omhoog te houden, haar te verblinden en met zijn andere hand iets naar binnen te gooien. Rook ze daar eten? Ze inhaleerde diep door haar neus. Haar smaakpapillen sloegen aan op de geur van vers brood. Als antwoord knorde haar maag en water liep in haar mond. Ze had honger en er lag voedsel vlakbij.

Na drie keer grijpen voelde ze een plastic tasje naast haar. Ze pakte het en stak haar hand erin. Er zat geen muizenval in die haar reeds gepijnigde vingers zou verpletteren en het was geen hondenvoer! Ze voelde een geseald broodje. Een kreet van blijdschap ontsnapte uit haar mond, toen ze voelde dat het broodje nog warm was. Dromerig trok ze het broodje naar zich toe en snoof. Het rook zo lekker, zo vers als de geur van vers brood van de bakker om de hoek.

Met een knorrende maag legde ze spijtig haar maaltijd opzij. Het broodje was onbetrouwbaar. In de zak vond ze nog een flesje en een appel. Ze draaide de dop van de fles en rook. Ze rook geen zoetigheid, het was water. In de hoek van de kist waste ze de appel af. Gulzig nam ze een hap. De zoetzure appel was de lekkerste die ze ooit had gegeten. Ze at hem achter elkaar op en gooide het steeltje in de hoek. Dorstig nam ze een slok water. Het was een goed teken dat de man haar te eten gaf. Hij liet haar niet verhongeren en eindigen als een mummie. Er was nog hoop.

‘Goed. First things first.’ Vlug trok Esther haar schoenen uit en voelde langs de randen en langs de afgesleten rubberen zool. Het was het slechtste paar dat ze aan had kunnen trekken. Er zat niets bruikbaars aan. Ze stak haar handen in haar broekzakken. Haar broekzakken waren leeg, terwijl er normaal altijd wel kleingeld of een haarschuifje in zou moeten zitten. Vloekend voelde ze langs haar riem en broeksband. Kon ze wat met de knoop of de riem van haar broek? Hoe moest ze dat ellendige ding loskrijgen? Ze rukte de riem uit haar broek en legde die voor zich neer. Het was in ieder geval iets. Ze kon hem altijd nog gebruiken als een verkorte Indiana Jones-zweep. In haar hoofd speelde ze de eindtune van de films af, waarbij ze de riem logischerwijs verlengde tot een volledige zweep. Ze zou het heerschap temmen als een leeuw in het circus, terug zijn eigen kist in. Hangslot erop, klaar.

Direct daarna dacht Esther aan Merel. Door het donker kon ze geen inschatting maken hoe laat het was. Ze moest erop vertrouwen dat Merel direct had gehandeld, nadat ze Esther telefonisch niet meer te pakken had gekregen. Merel zou, zoals altijd, in actie zijn gekomen en contact hebben gezocht met collega’s, de meldkamer of met haar chef. Ongeacht de tijd of dag, was men Esther met man, vrouw en hondenmacht aan het zoeken. ‘Ja,’ mompelde Esther terwijl ze driftig knikte. Ze was nog steeds een politieagente die al vijftien jaar werkte voor de baas. Dat zouden ze toch niet vergeten zijn? Ze zouden haar toch niet vergeten zijn? Ze was eerder immers nooit ziek.

Nadenken ging moeizaam. Esther probeerde zich te herinneren of er ooit een diender als vermist was opgegeven of ontvoerd. Haar grootste angst nu was dat Merel zou denken dat ze bewust van de aardbodem was verdwenen of dat ze een einde aan haar leven had willen maken. Dat zouden ze toch niet oprecht denken? Als haar telefoon uitstond, wat de kidnapper als hij slim was had gedaan, dan zouden ze dat kunnen denken. Vooral vanwege haar geestelijke toestand. Dan had ze een niet te evenaren probleem en zou ze naar schatting het einde van de week niet halen. Momenteel was ze niet de beste versie van zichzelf, maar dan nog was ze nooit van plan geweest om zelfmoord te plegen. Ooit was het in haar opgekomen, maar die gedachte had ze direct van zich afgeschud. Ze moest positief blijven. Ja, Merel had de politie ingeschakeld en ze was al met de reservesleutel in Esthers huis geweest om tot de conclusie te komen dat ze er niet was.

Die sleutel had Merel geëist na Esthers eerste emotionele uitbarsting. Die eerste uitbarsting was een schreeuw om hulp. Ze kon de problemen, waar ze al maanden mee kampte, niet meer alleen aan. Finaal doorweekt en volledig overstuur had Esther aan Gwens deur gestaan. Die regenachtige avond had ze eindelijk de moed gehad om te zeggen waar ze tegenaan liep. De grootste stap was iemand in vertrouwen nemen. Het was ongelofelijk moeilijk om haar diepste gedachten te delen. Privacy telde niet meer, ze mocht niet verder doordraaien. De nachtmerries, de woedeaanvallen, het roekeloze gedrag, de dagen dat ze alleen maar voor zich uit staarde als ze thuis was en niet eens naar buiten durfde, kwamen steeds vaker voor. Ze wilde de ellende niet meer. De eerste stap moest een stap zijn naar beter en naar hulp. Het moest!

Gwen had Esther aangeboden om te blijven slapen en had ook direct Merel gebeld. Na haar late dienst was Merel meteen naar Gwens huis toegekomen. Ze namen hun taak als aangenomen familie serieus en hadden meteen een reservesleutel van Esthers woning gevorderd. En belofte maakt schuld. Een dag later had Esther een kopie laten maken en deze afgegeven. De sleutel stond voor mislukking. Ze had gefaald en gaf daarom een deel van haar leven, haar privacy en persoonlijke omgeving weg. Naderhand had Esther in een eindeloze omarming met het toilet gelegen, waar ze al haar angst en ellende in uitkotste en huilend doorspoelde. Ze was helemaal kapot, en ze stond pas aan het begin van herstel.

Een dag later was Gwen meegegaan naar Esthers directe leidinggevende. Op voorhand had ze aangegeven dat ze Esther zou aanvullen als ze een deel van de waarheid zou verzwijgen of verdraaien. Gwen legde elk uitgesproken woord zorgvuldig op een weegschaal. Esther kon er niet meer onderuit. Dat ze wist dat ze het gesprek niet alleen hoefde te doen, gaf de doorslag om het gesprek toch te voeren. Ze had geluk met haar leidinggevende, Farida. Zij was een sympathieke en intelligente vrouw. Vanaf het eerste moment dat ze aan elkaar werden voorgesteld, mocht ze haar.

Farida knikte alleen en zei niets toen Esther moeizaam tegen haar sprak. Ondanks de binnenkomende telefoontjes over andere zaken en calamiteiten, nam ze de tijd om te luisteren, schudde soms haar hoofd uit ongeloof en wreef over Esthers hand.

Het was de menselijkheid die Esther nodig had om door te zetten, en ze voelde zich ondanks de spanning gesteund. Toen was het een kwestie van doorzetten en niet afhaken.

Farida legde persoonlijk contact met de bedrijfsarts, waar Esther binnen een week terecht zou kunnen. Dit keer ging Merel mee, die aangaf dat ze Esther voldoende vertrouwde om het intakegesprek alleen te voeren.

‘Bedankt,’ had Esther gemompeld, terwijl ze via de trap omhoog had gekeken alsof ze de Mont Blanc moest beklimmen. Aan de grond leek een stevig elastiek te zitten, dat vastzat om Esthers middel. De weerstand om verder te lopen werd sterker naarmate ze dichter bij de deur van de bedrijfsarts kwam. Zodra ze op de stoel van de arts zou gaan zitten was er geen weg meer terug. In gedachten bleef ze herhalen dat ze het gesprek nodig had om alles weer op de rit te krijgen, wat de uitkomst ook was.

Esthers innerlijke stem was verraderlijk en had haar vraag om hulp flink had vertraagd:

 

‘Stel je niet zo aan Esther, schouders eronder. De anderen doen dat ook. Jij kan dat ook. Het is maar een reanimatie. Het is maar huiselijk geweld. Emoties kun je uitschakelen. Als je de zaken maar vaak genoeg onder ogen ziet, dan leer je er mee omgaan. Het wordt vanzelf makkelijker. Je vlakt wat af en de keer erop is het beter te doen. Collega’s om je heen kunnen het toch ook? Open je ogen, Esther. Dat zie je toch, iedere dag? Die doen dat ook dagelijks en hebben er geen problemen mee. Ze functioneren gewoon en zeuren er niet over. Dat kan jij ook. Het is gewoon werk. Net als iedere andere betaalde job, ga jij je mannetje staan. Kom op. Als je aangeeft dat het niet gaat, dan faal je. En weet je wat je dan doet? Dan laat je je collega’s en de burgers in de steek. Dan blijft er werk liggen en daar wordt uiteindelijk iedereen de dupe van. Weet je wat je de staatskas dan kost? Thuiszitten, zonder er iets voor te doen. Je moest je schamen. Jij hebt met je volle verstand gekozen voor dit beroep. Dit is je leven. Deal with it.’

 

Frank was niet op de hoogte van wat er allemaal speelde. De drempel om het te vertellen was hoog, te hoog. Het was een familiekwaal, dat thuiszitten; ze wist niet eens exact hoe lang hij al thuiszat. Hij had haar niet ingelicht toen hij niet meer naar zijn werk ging. Dat hij zoiets persoonlijks niet met haar, zijn enige dochter, deelde, deed ontzettend veel pijn. Ze was er nota bene via een werkstudent achter gekomen, die tijdens zijn stageperiode een aantal diensten op het politiebureau meedraaide.

Het roddelende snotjong had haar vader al mopperend en vloekend zijn spullen zien pakken, waardoor Frank het gesprek van de dag was geweest aan de koffietafel. Esther wist van niks. Paps had haar niet erger kunnen kwetsen dan op deze manier.

De keuze om haar vader niet te vertellen over haar eigen traject, had daar mee te maken. Esther wilde het wel vertellen. Elke cel in haar lijf wilde het hem vertellen, maar de koppigheid was sterker. Als hij niets met haar deelde, dan had ze geen reden om dat wel met hem te doen. Het was een ziekelijke wisselwerking, waarvan beiden niet wisten hoe ze die moesten doorbreken. Net als relaties en vriendschappen ging het bij Esther om geven en nemen. Ook al werden er soms keuzes gemaakt die niet leuk waren of was de waarheid nog zo hard, eerlijkheid en transparantie waren de belangrijkste basis voor familie. En ook dan liep je soms tegen ruzie en discussies aan, maar je hield van ze, onvoorwaardelijk, ook al waren het soms de grootste – zoals haar moeder het zou zeggen – oelewappers.

Zuchtend dacht Esther weer aan Merel en Gwen. Ze kon wachten op een bus vol politiemensen, die haar zouden vinden en met een groots spektakel alle deuren uit het gebouw waar ze zat zouden blazen, maar daar mocht ze niet vanuit gaan. Dit was haar moment. Ze speelde de hoofdrol in haar eigen toneelstuk, met een lege tribune. Ze stond er psychisch en fysiek alleen voor. Ze had zo’n behoefte aan geruststelling en steun, ze wilde een knuffel en een reden om door te gaan. Maar zelfs de onbekende Corrie kon haar geen aai over de bol geven. Zonder steun zou ze falen. Was dit dat kloterige stemmetje weer, dat haar vooral het slechtste over zichzelf wilde laten denken? De stem die haar in verwarring bracht en terug het donker in wilde sleuren.

Somber voelde Esther om haar nek, waar haar hand als vanzelf naartoe leek te glijden. Verbaasd vond ze de hanger die ze al die tijd om haar nek had gedragen. Het was een cadeau van haar moeder dat ze lang geleden had gekregen. Hoe kon ze de ketting met hanger zijn vergeten? Hij was een deel van haar geworden in al die jaren dat ze hem droeg, aan een leren koord. De hanger bestond uit een tijgeroog, met eromheen een zilveren rand waar de steen in was bevestigd. Haar gedachten raakten in een stroomversnelling. Was dit de langverwachte oplossing? Een verjaardagscadeau van haar dode moeder? Echt? Ze moest de ketting gebruiken, welke andere opties had ze nog? De slappe, vieze veters uit haar schoenen kon ze niet gebruiken bij haar ontsnappingsplan. Ze had nu een kleine verzameling mogelijkheden: een hanger, een riem, en… Wacht eens even, pak je bh! dacht Esther enthousiast. Ze droeg een ouderwetse bustehouder.

Na een moment van euforie dat ze niet mee had gedaan aan de vrouwen-zonder-bh-en-kijk-eens-naar-mijn-smokkel-rozijnen-tepeltrend, stak ze haar armen in haar shirt. Een inschatting makend of haar ontvoerder in de tussentijd terug zou kunnen komen en haar met ontbloot bovenlijf zou kunnen aantreffen, trok ze haar shirt met lange mouwen uit. Waar was haar jas eigenlijk? En haar telefoon? Ze draaide met haar ogen. Als dat onderkruipsel uit de krochten van de hel slim was, dan had hij al het bewijsmateriaal vernietigd. Ze moest hem nageven dat hij er goed in was. Hij had meerdere slachtoffers gehad en was nog steeds niet gepakt. ‘Of hij handelt heel erg snel… Focus Esther…’ mompelde ze zacht.

Onder haar shirt droeg ze een zwart hemd, dat ze ook al maanden geleden weg had moeten gooien. Er zaten diverse gaatjes in, ter hoogte van de rits van haar broek. Het hemd deed nog steeds wat het moest doen, dus ze had hem nog niet weggegooid. Verspilling is zonde. Met het nodige geworstel kreeg ze haar bh uit zonder zichzelf verder te ontkleden. Vlug trok ze haar shirt weer aan en pakte het stuk ondergoed. Net als de rest van haar kleding was ook deze aan vervanging toe. Een van de cups had een klein mankement: aan de zijkant van haar borst was een van de beugels naar buiten gekomen. Provisorisch had ze hem dicht gestikt, tot het moment dat ze weer een stapel nieuw ondergoed zou kopen.

Esther snuffelde aan de cups en was blij dat ze haar eigen parfum en wasmiddel rook. Ze rook gelukkig niet naar zweet. Met haar vingertoppen voelde ze aan de plek waar ze het gat de laatste keer had dichtgenaaid. Bovenop zat een klein knoopje van goedkoop garen. Het was zo klein dat het bijna niet voelbaar was. Met haar voortanden kreeg ze het knoopje en een aantal stiksels te pakken. Ze beet zich vast en trok het garen uit elkaar. Nu hield ze nog meer van goedkope en tweedehands troep. Ze plukte de draadjes los, totdat ze de beugel naar buiten kon drukken. Opgetogen pakte Esther de beugel beet en trok hem onder de cup en vulling uit. Ze voelde zich in dit magische moment bijna een vrouwelijke MacGyver. Ze zou zich uit deze penibele situatie redden, met of zonder paperclip. Tot dusver was dit een mooie start.

Vanuit het donker klonk een korte kuch, gevolgd door een gedempte stem. In alle euforie was Esther Corrie bijna vergeten. ‘Wat ben je aan het doen?’ klonk het nieuwsgierig.

‘Zeg ik niet.’

‘Waarom niet?’

‘Het is een verrassing.’

‘Kind, wat ben je toch vervelend. Ik hoorde je zachtjes lachen. Ben je nu al doorgedraaid?’ Het klonk als een grapje, want Corrie giechelde gesmoord.

‘Ja, wel een beetje. Kun je vier broeders en een dwangbuis voor me regelen? Ik denk dat ik elektroshocktherapie of lobotomie nodig heb.’

‘Esther, daar mag je geen grapjes over maken. Dat was vroeger heel erg.’

‘Ik moet wat,’ verzuchtte Esther. Van haar moeder mocht ze ook nooit grapjes maken over vervelende dingen.

Dit was niet het moment om zich te laten afleiden door het nieuwsgierige aagje. Aan de slag Mac! Ze stopte het einde van de beugel in haar mond en schatte de grootte van de moer in. De moer was groter dan ze op de eerste tast had gedacht. In haar ongelukkige houding was het lastig om goed kracht te kunnen zetten. Het lukte haar om de beugel met beide handen om de moer heen te drukken. Nu was het de kunst om hem te laten draaien. De voorpret die ze had gehad, vervaagde. Na drie keer proberen gaf ze mopperend op. Het lukte niet om de moer te laten draaien. Na iedere poging gleed de beugel van de moer af. ‘Wel godver!’

‘Let op je woordgebruik.’

‘Sorry ik uh…’ Esther zuchtte verbaasd en voelde zich verplicht om haar excuses aan te bieden. De situatie waar ze in zat was onwerkelijk. Van alle mensen in de wereld zat ze opgesloten met een vrouw die vloeken niet tolereerde.

‘Dat staat niet bij een dame,’ vulde Corrie aan.

‘Wat zeg je nou eigenlijk allemaal? Stil nou even, Corrie, ik moet me concentreren. En jij leidt mij de hele tijd af.’ Esthers woede kwam weer op. Ze had inmiddels meerdere pogingen ondernomen en keer op keer waren ze mislukt.

Gefrustreerd kneep ze zichzelf zo hard als ze kon, met haar nagels in haar arm. Het kostte haar al haar zelfbeheersing om zich niet compleet te laten gaan en al haar ingewanden naar buiten te schreeuwen. Door de pijn werd haar hoofd helder. De pijn voorkwam dat ze de ontvoerder haar kant op zou lokken als een vlieg naar de stront. Nog steeds geërgerd tastte ze om zich heen en trok de leren riem die naast haar rechterbovenbeen lag, naar zich toe. Wat ze ermee moest doen was ineens glashelder. Dit was niet wat ze wilde, maar het was zeker dat ze eraan moest geloven.

Hoofdstuk 45



De hoeveelheid werk liep op en de informatie werd complexer. Dit zou het juiste moment zijn geweest om zichzelf te klonen. Het zou een luxe zijn om twee identiek functionerende Marty-personages in te kunnen zetten op verschillende locaties. Het zou effectief werken en ze zou de gedachte aan Frank, die de rechercheafdeling op was gestormd, kunnen loslaten. Ze kon het zich niet permitteren om met hem bezig te zijn en was blij dat Leiko hem opving totdat ze weer terug zou zijn.

Marty keek naar haar notities. Ron de Jong, de echtgenoot van één van de slachtoffers, zat nu op haar te wachten in een afzonderlijke ruimte. Het was het slachtoffer met de ring met de tijgeroog. Inmiddels had Marty enige ervaring met hoe ze iemand moest vertellen dat diegene zijn of haar geliefde nooit meer zou zien. Of de informatie nu kort of uitgebreid werd gebracht, het bleef emotioneel zwaar en woorden bleven moeilijk te vinden. Afstand nemen van je eigen emotie en het zakelijk zien, was de enige remedie om het niet onder de huid te laten komen. 

De collega’s hadden het slechte nieuws al aan Ron gebracht. Zoals beloofd vertelden ze Marty hoe het gesprek was verlopen, voordat ze zelf met hem in gesprek zou gaan.

In de ochtend was Ron in de tuin bezig geweest, toen hij de politie aan zag komen rijden. De schep die hij in zijn hand had, had hij op de grond vallen om vervolgens zijn beide handen voor zijn gezicht te slaan. Hij wist meteen dat het geüniformeerde koppel geen goed nieuws zou komen brengen. Ze waren met hem mee de woning binnen gegaan en in de woonkamer gaan zitten. Als een goede gastheer had Ron hen water aangeboden, toen ze beiden koffie weigerden. Nadat hij twee glazen water had neergezet was hij afwachtend met zijn handen in zijn schoot tegenover hen gaan zitten. In stilte had hij hun gezichten geobserveerd vanuit een flintertje hoop op positief nieuws.

Het duurde niet lang voordat hij zijn rug rechtte en zich voorbereidde op het slechte nieuws dat gegarandeerd komen ging. ‘Zeg het maar. Ik ben er klaar voor. Ik denk dat ik weet waarvoor u komt,’ had Ron dapper gezegd.

‘U bent de echtgenoot van Melinda de Jong, meisjesnaam Kleinstreppel, geboren 10 mei 1965?’ had de politieman gevraagd.

Traag had hij geknikt. ‘Ja, meneer.’

‘We hebben mogelijk uw vrouw gevonden. Ze is overleden.’

‘O, nee. Hoe? Waar?’ Ook al wist Ron welk nieuws hij kon verwachten, al het bloed trok uit zijn gezicht weg, terwijl zijn opengesperde ogen heen en weer flitsen. Geschokt trok zijn bovenlip strak en trilde de onderlip onophoudelijk. Hij wist niet wat te doen.

Nu moesten de agenten de essentiële informatie vertellen en peilen of alles goed was doorgedrongen. ‘Ze is gevonden in bosachtig gebied. Twintig kilometer hier vandaan, bij de...’ De politieman kreeg de kans niet om zijn verhaal af te maken.

‘Heeft ze toch zelfmoord gepleegd? O wat erg. O Melinda! Waarom heb ik dat niet geweten? Ze heeft mij gewoon alleen achtergelaten. Na alles wat we… Mijn hemel!’ Ron was in tranen uitgebarsten. Met schokkende schouders had hij op de stoel gezeten en had zelf geen glas water willen drinken toen het hem aangeboden werd.

‘Uw echtgenote heeft geen zelfmoord gepleegd. We willen u vragen om met ons mee te gaan om haar te identificeren. We denken dat zij om het leven is gekomen door een misdrijf.’ Met deze informatie probeerden de agenten een reactie te krijgen, om die te peilen.

De zoute tranen waren acuut gestopt. Vol verbijstering en met open mond had Ron hen aangestaard. ‘Wat zegt u? Een misdrijf? Is ze aangereden of zo?’ had hij gevraagd, terwijl de verbijstering in zijn ogen langzaam plaatsmaakte voor een blik vol concentratie om alles op te nemen.

‘Inhoudelijk kunnen wij u niet alles zeggen. Wij weten de exacte details niet. Wij willen u vragen of u met ons meekomt. Is er familie die we kunnen bellen om u te ondersteunen of op te vangen? Op voorhand of naderhand?’

‘Nee, die is er niet,’ vervolgde Ron bits. ‘We hebben niemand. Maar ik stelde u een vraag. Nogmaals: is Melinda, mijn echtgenote aangereden?’

‘Nee, ze is niet aangereden.’

‘Dus er is geen sprake van zelfmoord of een aanrijding. Melinda is al langere tijd vermist, dat weten jullie als geen ander,’ zei Ron. Terwijl hij de zaken voor zichzelf op een rijtje zette, viel voor hem ineens het kwartje. ‘En… ze is aangetroffen in een bos.’ Wederom vulden de tranen zijn ogen. Hij zuchtte kort en pijnlijk toen de realiteit tot hem doordrong. ‘Is ze… vermoord?’

De agenten wisselden kort van blik.

Ron zag het. Het bevestigde zijn conclusie. Zonder twijfel stond hij op en liep naar de hal, om gekleed in een suède jas, een boerenpet en een paar Mephisto-schoenen terug te komen. ‘Als het waar is wat jullie zeggen, dan moet ik mijn Melinda zelf zien. Bedankt dat jullie dit zijn komen vertellen. Ik ga nu met jullie mee.’

Nadat Ron in het dienstvoertuig plaats had genomen, had hij de hele weg gezwegen en naar buiten gestaard. Het was een triest gezicht geweest: hij was zich aan het voorbereiden op wat komen ging.

Nu zag Marty hem in de wachtkamer zitten, wetend dat hij iets zou gaan zien wat zijn leven voorgoed zou veranderen. Het kon niet langer wachten. Ze beet hard op de binnenkant van haar wang om zichzelf te herpakken en liep naar hem toe. ‘De heer Ron de Jong?’

‘Ja. Dat ben ik.’ Ron knikte treurig. ‘Helaas.’

‘Ik ben rechercheur Marty Willems. Ik ben hier nu aanwezig om…’

‘Ja, mevrouw Willems. Met alle respect, ik wil alles van u horen en u mag me alles vragen,’ begon hij vriendelijk, ‘maar alstublieft, laat u mij niet langer wachten. Als u mijn Melinda heeft gevonden, dan moet ik haar meteen zien. Het heeft al te lang geduurd. Ik hoop dat u mij begrijpt.’

Marty begreep de schrijnende situatie, maar deelde met samengeknepen billen mee dat Rons vrouw Melinda niet toonbaar was en dat hij eerst de foto’s te zien zou krijgen. Er volgde een pijnlijke stilte. Even was Marty bang dat de oude man acuut een hartstilstand zou krijgen en nooit meer op zou staan.

In plaats daarvan keek Ron haar met waterige ogen aan, perste zijn lippen op elkaar en schudde zijn hoofd van ellende. In nog geen twee uur tijd was hij twintig jaar ouder geworden. Tijdens het korte gesprek leken er meer rimpels op zijn gezicht te verschijnen. Hij was gebroken.

De dood brengen was vreselijk, maar onwetendheid was moordend. Het moest gebeuren en dat wist Marty, ook al was zij deels verantwoordelijk voor de pijn die Ron nu moest ondergaan. Ze ging hem voor naar een neutrale ruimte, waar de foto’s zouden worden getoond. Op basis daarvan zou ze beslissen of ook een deel van de arm van het slachtoffer zou worden getoond.

Langzaam legde ze de foto’s voor hem neer en vertelde Ron dat hij de tijd moest nemen om goed te registreren en te verwerken wie hij voor zich zag.

Zwijgend keek Ron naar de foto’s van de ring met inscriptie, de kledingstukken en de ongecensureerde afbeeldingen van het lichaam. Hij legde de foto’s voor zich neer en bekeek iedere foto nauwlettend. Hij tikte met zijn wijsvinger op iedere foto en schoof hem dan naar de rand van de tafel. Nadat hij alle foto’s op een stapel had gelegd, kwam het hoge woord eruit. ‘Ze is het niet.’

‘Sorry wat, wat zegt u?’ Marty dacht dat ze het niet goed hoorde. Ze verslikte zich in de koffie die ze voor zichzelf had gepakt, toen Ron die weigerde. Deze uitkomst had ze niet aan zien komen. Ze schoot omhoog in haar stoel en morste nog meer koffie op haar broek.

‘Dit is mijn vrouw niet,’ herhaalde Ron ditmaal luider en slaakte een zucht van verlichting. Een kleine glimlach speelde om zijn lippen. ‘Lieve Heer in de kerk. Jullie laten mij wel schrikken zeg.’

‘Wacht even. Zal ik de foto’s anders met u doorlopen?’

Ron pakte de stapel foto’s van de hoek van de tafel en gaf die aan Marty. ‘Dat is niet nodig. Ik zou graag het stoffelijk overschot willen zien. Als dat mogelijk is natuurlijk, nu ik heb aangegeven dat het slachtoffer niet mijn vrouw is.’

Verbijsterd keek Marty naar de stapel foto’s in haar hand. ‘Ja natuurlijk.’ Direct belde ze naar haar collega bij de ruimte die beschikbaar was gesteld om het lichaam te tonen wanneer het nodig was. Nog geschokt deed ze het verzoek om het lichaam naar binnen te rijden. Ron zou het lichaam vanaf een afstand door een gepoetst glazen raam kunnen bekijken. ‘Weet u het zeker, meneer De Jong?’

‘Ik ben nog nooit zo zeker geweest.’

‘Goed. Ik blijf bij u.’

‘Dat zou ik fijn vinden. Ik ben bang dat ik voorlopig nog niet weg ben.’

Marty keek op haar horloge en opende de deur die toegang gaf tot een hal en liet Ron voorgaan. Opgetogen liep hij met haar mee. Onderzoekend keek ze opzij. Rons rechte rug en heldere energieke blik vielen haar meteen op. Hij twijfelde niet en was zeker van zijn bevindingen.

Drie deuren verder begeleidde Marty Ron naar binnen. Het was tijd voor de confrontatie.

Het lichaam lag onder een wit laken op een metalen brancard. Twee personeelsleden stonden zowel naast de stalen plank op wielen als naast de zoemende afzuiger.

‘Bent u er klaar voor?’

‘Ja. Ik wil vooral de rechterarm zien en de hand waar de trouwring aan heeft gezeten. Ik heb die wel op de foto’s gezien, maar die wil ik graag beter bekijken.’

Het laken werd omhooggetrokken. Een groenige arm kwam in beeld.

Ron zweeg weer en keek naar het mosgroene ledemaat. ‘Is het mogelijk dat de arm opgetild wordt?’

Het was niet gebruikelijk, maar als dat nodig was om deze situatie tot een sluitend einde te laten komen, moest Marty dat niet achterwege laten. Ze drukte de knop van de intercom in en wachtte tot er werd gereageerd. ‘Kan de rechterarm misschien opgetild worden?’

De medewerker knikte kort, ging aan het hoofdeinde staan en tilde voorzichtig de arm omhoog, waarbij hij de bovenarm en de onderarm onder-

steunde. De arm werd langzaam omhooggetild om niks te beschadigen.

Marty vond het afschuwelijk om te zien.

‘Kunt u misschien de hand draaien?’ vroeg Ron, terwijl hij met zijn vinger voor het glas een rondje tekende.

Marty keek van Ron naar de medewerker achter het glas. ‘Je moet de hand draaien,’ zei ze via de intercom. Ze aanschouwde het tafereel. Dit was het moment dat Ron de hand zou zien, waarbij de ontbrekende middelvinger nog duidelijker in beeld zou komen. Dan zou hij de realiteit toch onder ogen moeten zien.

De arm werd gedraaid, waardoor de rug van de hand goed zichtbaar werd.

‘Ik vind het vreselijk om te zeggen, rechercheur Willems.’

‘Ja?’ Marty hoopte dat haar zakelijke nieuwsgierigheid niet te veel doorsijpelde.

‘De vrouw die daar ligt…’ zei Ron met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ik denk dat een andere pechvogel het slechte nieuws moet krijgen.’ Hij slikte luid en hoorbaar, legde een hand op zijn borst en slaakte een zucht van verlichting. Een sprankeling verscheen in zijn ogen. ‘Rechercheur Willems, wie het ook is. God zij met hem en zijn verlies. Deze vrouw is niet mijn Melinda.’